Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Gaat ze nog van zich laten horen? Het schemert. Madrid komt tot leven. De kraampjes in de markthallen sluiten, cafés lopen vol, Spaans gekwetter uit talloze monden. Ze is druk deze week, iets met mentorgroepen op de middelbare school waar ze werkt.
18 jaar geleden zag ik haar voor het laatst. Het was de laatste avond dat ik in Sevilla woonde. Een semester lang had ik de stad verkend, alle hoeken en gaten en steegjes en straten kende ik. Kroegen, bars, discotheken, ze hadden geen geheimen meer voor me. De universiteit daarentegen. Ergens in april had ik besloten dat ik, aangezien ik de punten toch niet meer nodig had, stopte met het volgen van colleges en me richtte op voltijds feest vieren. Op een verloren avond, ergens langs de oever van de rivier die de stad in tweeën snijdt, ontmoette ik haar.
Het was alsof ze zo uit een flamencoaffiche was gestapt. Rode jurk, inktzwart haar, rode lippenstift, donkerbruine ogen en een grote grijns. Ze noemde me ‘guiri’ en bleek zelfs een paar woorden Nederlands te spreken. We hielden contact, via MSN Messenger en spraken later af in Tarifa – een stadje in Andalusië waar de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan samenkomen. Daar, aan het einde van een avond met rum en cola, zaten we aan het strand en zoende ik haar. Een paar dagen later bracht ik mijn laatste nacht in Spanje – de laatste nacht van mijn andere leven voordat mijn ene leven weer begon – door bij haar.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Voor haar was ik een passant. Gewoon een Erasmus-student waar ze een paar leuke avonden mee had. Voor mij was ze de kroon op het mooiste halfjaar van mijn leven. Ze was het hete zand van Tarifa, de harde, droge Levante, blauwe distels en talloze vliegers van kitesurfers in alle kleuren. Ze was de feestjes op het dakterras, de sinaasappelbomen op de stoep, toast met olijfolie en tomaat, de azulejos van het Alcázar. Ze was alle vrienden die ik maakte en alle meisjes die ik zoende. Ze was het plezier van een eindeloze nacht en het verdriet van een onafwendbaar afscheid.
We hielden contact, ontwikkelden zelfs een soort vriendschap, maar zagen elkaar na die zomer in 2007 niet meer. Tot vanavond. Hoe zou het weerzien worden? Hebben we elkaar nog wat te melden? Moeten we dit überhaupt wel doen? Het blijft stil. Ik app haar, ziet ze het nog zitten af te spreken? Ze appt terug. Het spijt me, zegt ze, maar ik heb een krankzinnige week achter de rug. Was in de veronderstelling dat je al plannen had gemaakt. ‘Sorry mate’, zegt ze. Volgende keer beter. Of volgende keer beter ook niet.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns