Home

‘Een broer is 100 jaar en acht maanden geworden. Ik ben van plan hem te overtreffen’

Arie Nieuwenhuijsen is 100 jaar. Waarom beklimt hij nog elke dag vijf trappen?

Arie Nieuwenhuijsen is 100 jaar. Voor geen goud wil hij in een bejaardenhuis belanden. Dus gaat hij elke ochtend nog dapper vijf trappen neer en op om de krant uit zijn postbus te halen. Dat doet hij met gemak nóg een of twee keer op een dag, om boodschappen te doen en om een ommetje te maken. Dat alles zonder hulpmiddel als stok of rollator. In zijn appartement op 3-hoog in Voorburg zijn zijn drie kinderen geboren en liggen veel dierbare herinneringen aan zijn jonggestorven vrouw – die hij altijd trouw is gebleven. Hij staat lichtvoetig in het leven, want: ‘Wat is een mens zonder humor?’

Is het bijzonder in uw familie om zo oud te worden?

‘Twee van mijn vijf broers zijn ook 100 jaar geworden, de ene 100 en drie maanden, de ander 100 en acht maanden. Ik ben van plan hen te overtreffen. Dat is kansrijk, want zij waren er minder goed aan toe dan ik op deze leeftijd. Nu zit ik een beetje op te scheppen.

‘Ik zeg altijd: ik heb zeer ongezond geleefd en ben toch heel oud geworden. Tot mijn 50ste heb ik gerookt en met eten trek ik mij niks aan van wat goed of slecht voor je is. Je hoort vertellen: eet niet te veel zout en suiker. Dan denk ik: je kunt mij nog meer vertellen, ik doe het wel en heb de 100 bereikt. Ik eet veel zoetigheid. De enige alcohol die ik drink is een glaasje port op zondagmiddag, als ik bij mijn oudste dochter op bezoek ben.’

Wonen in een bejaardenhuis is een schrikbeeld voor u.

‘Ik heb het geluk dat ik drie lieve kinderen heb, anders zat ik daar nu. Mijn oudste dochter doet de zware boodschappen, want die krijg ik de trappen niet meer op, zelf haal ik de lichte boodschappen, zoals vers brood.

‘Een bejaardenhuis moet ik niet hebben, dan ben je je vrijheid kwijt. Je hebt niks meer te vertellen, alles wordt voor je beslist, zelfs het eten dat je wordt voorgeschoteld. Hier in mijn eigen huis kan ik volledig mijn gang gaan. Ik woon hier al zeventig jaar, mijn vrouw en ik waren de eerste bewoners – om ons heen was het één kale vlakte, vanaf ons balkon konden we het kroontje van Huis ten Bosch zien. De jaren erna werd het helemaal volgebouwd. Al onze drie kinderen zijn in dit huis geboren, allemaal op een zaterdag. Dat was pech voor mij, want zo ging die ene dag verlof aan mijn neus voorbij. Dat is tegenwoordig beter geregeld voor jonge vaders, hoewel ik twee weken wel een beetje overdreven vind.

‘Ik ben een echte huisbaas. Ik kook mijn eigen eten en doe de was – die hang ik op zolder op en haal ik er twee dagen later weer af, daarna strijk ik wat er te strijken valt. Al die huishoudelijke klussen houden mij aan de gang. In een bejaardenhuis wordt je dat allemaal uit handen genomen. Technisch ben ik trouwens niks; ik kan nog geen lampje indraaien.’

Hoe bent u zo huishoudelijk geworden?

‘Misschien doordat mijn vrouw vroeg overleed. Ze was 47, ik 48, en de kinderen waren nog jong: 10, 14 en 17. Ik werkte op kantoor bij de Amrobank en zij deed alles in huis, zoals dat vroeger ging. Ik hoefde nooit iets te doen. ‘Ga jij maar je krantje lezen, ik doe de afwas wel’, zei ze na het eten. Lily overleed plotseling. Ze was nooit ziek. Ik kwam thuis uit mijn werk toen ik haar op bed zag liggen met enorme hoofdpijn. Ik zei dat ik de dokter zou bellen, maar dat hoefde niet voor haar. Ik deed het toch. Toen hij kwam, lag ze al in coma en moest ze meteen naar de Ursulakliniek in Wassenaar, waar ze een paar dagen later overleed. Er bleek een slagader in haar nek gesprongen, dat weet ik niet zeker, want ik durfde de artsen er niet naar te vragen, maar ik hoorde het ze zeggen.’

Wat een schok moet dat geweest zijn voor u en uw kinderen.

‘Met onze twee oudste kinderen ben ik die dagen bij haar gebleven in het ziekenhuis. Er werd goed voor ons gezorgd, door zusters met van die kappen op. Elke ochtend kregen we een ontbijt, ik hoor de verpleegkundige nog zeggen: ‘Zo meneer Nieuwenhuijsen, ik heb een lekker eitje voor u gekookt.’ Onze jongste dochter was die dagen bij onze overburen. Nadat ik had verteld dat het niet goed ging met haar moeder en ze naar het ziekenhuis moest, rende ze meteen naar de overkant en wilde daar blijven. Achteraf vraag ik mij af of ik haar niet bij ons had moeten nemen. Ze heeft haar moeder niet meer gezien. Bij de kerkdienst wilde ze geen afscheid van haar nemen. Het is gelukkig goed met haar gekomen, ze is een bijdehandje en gepromoveerd.’

Hoe ging u om met dit verlies?

‘Ineens zit je met zijn vieren aan tafel. Elke keer weer die lege stoel zien, vond ik heel erg. Maar ik ben er nuchter mee omgegaan. De kinderen hebben het heel goed opgevangen. De oudste ging meteen elke dag koken en samen deden de kinderen de was. Het eerste jaar had ik wel een hulp in huis voor de hele dag. Die zag ik nooit, want ik ging om 8 uur de deur uit en kwam om 18 uur weer thuis. Van het reilen en zeilen overdag had ik geen idee.

‘Ik heb er geen moeite mee gehad de kinderen alleen op te voeden, ze waren makkelijk en lief, dat zijn ze nog steeds. In de zomervakanties ging ik alleen met ze op vakantie, naar Duitsland. Zodra ze uit huis waren, ben ik achttien jaar lang met een broer op reis gegaan, fietsen in Limburg, Drenthe en Groningen, overnachten in een hotel, heerlijk.

‘De beginjaren voelde ik mij wel die weduwnaar. Je weet niet wat de mensen denken, maar ik kreeg het idee niet meer helemaal voor vol te worden aangezien, als man zonder vrouw. Ik vroeg mij af of ik een nieuwe vrouw moest gaan zoeken, maar dat heb ik niet gedaan, omdat ik wist dat Lily voor mij altijd op de eerste plaats zou blijven staan. Dat zou betekenen dat een nieuwe vrouw op de tweede plaats kwam, dat is niet goed.

‘Vanaf het moment dat mijn kinderen het huis uit waren, heb ik het huishouden overgenomen. Met alleen zijn had ik geen moeite – dat heb ik nog steeds niet. Een dag is zo om. Ik lees veel, kijk tv, doe het huishouden en maak puzzels voor het veteranenblad Zoompost, van het militaire onderdeel in Bergen op Zoom waar ik na de oorlog gelegerd werd. Die puzzels maak ik al zestig jaar. Ik ben de enige veteraan van ons bataljon die nog in leven is. Het blad wordt nu gemaakt en gelezen door de nazaten.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Ik heb een prima tijd gehad. Ik heb mij er altijd over verwonderd hoe het mijn vader lukte een gezin met negen kinderen op poten te houden. Hij was onderwijzer, het salaris was in die tijd niet geweldig. Later werd hij hoofd van de christelijke school voor lager onderwijs in Zoetermeer. Ik heb een jaar bij hem in de klas gezeten, dat vond ik niet zo leuk. Hij had van die kuren. Tijdens de les bijbelse geschiedenis zwaaide hij uitbundig met zijn armen. Als zijn manchetknopen dan door het lokaal vlogen, zei hij: ‘Arie, raap jij ze eens op.’ Dan schaamde ik me een beetje. Leuk was dat ik elke ochtend om half 11 de straat op mocht om thuis koffie voor hem te halen.

‘Geld voor een vakantie was er niet, wel ging ik in de zomervakantie met de knapenvereniging van de kerk kamperen op de Veluwe – het enige uitje dat je had in het jaar. Mijn vader was van de oude stempel. We mochten nooit naar de kermis of fietsen op zondag.’

Heeft u weleens gedacht: dit had ik mijn ouders nog willen vragen.

‘Ik heb een zusje gehad dat maar 3 maanden oud is geworden. Ik had mijn ouders willen vragen wat haar mankeerde en waar ze is begraven. Er werd nooit over haar gesproken.’

Bent u weleens van politieke kleur veranderd?

‘Nee, nooit. Ik ben honkvast, in alles. Ik lees al mijn hele leven dezelfde krant, Trouw, ben bij dezelfde kerk en verzekeringsmaatschappij gebleven, en heb altijd bij de Amrobank gewerkt. Verandering valt mij zwaar. Ik stem altijd op het CDA, omdat het een christelijke partij is. Geen van mijn kinderen en kleinkinderen stemt CDA. In mijn jeugd kwam je niet op het idee anders te stemmen dan je ouders. Die Bontenbal vind ik een uitstekende vent, hij is rustig en netjes. Als je zo’n vent als Wilders hoort schreeuwen en schelden… Je zou maar een asielzoeker zijn die een oorlog is ontvlucht, en in een azc zitten. Die mensen komen hier echt niet voor de lol.

‘En overal is gedoe; als je een paar honderd Nederlanders in een gebouw bij elkaar zet en daar jaren laat wonen, zullen er ook een paar mensen tussen zitten die problemen veroorzaken. Hier in Voorburg is trouwens een asielzoekershotel, daar hoor je nooit iets over. De wereld staat in brand, er zijn belangrijker zaken om je druk om te maken.’

Is trouw zijn belangrijk voor u?

‘Ja. Je moet van elkaar op aan kunnen.’

Arie Nieuwenhuijsen

geboren: 29 juli 1925 in Zoetermeer

woont: zelfstandig, in Voorburg

familie: 3 kinderen, 4 kleinkinderen, 4 achterkleinkinderen

beroep: bankmedewerker

weduwnaar sinds 1973

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next