Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Ik werk graag met afleveringen, delen, etappes, of het nou chocoladevla betreft, waarvan ik eerst een bakje neem, en daarna toch nog eentje, en nog ééntje, en ten slotte het pak oprol als een bungalowtent en de tuit aflik, of dat het om vuistdikke familiesaga’s gaat.
Hetzelfde zie je gebeuren met columns over implantaten, schroeven in je kaak, waarover ik 26 juni al een proloog schreef, een implantaten-Hobbit, waarin te lezen stond hoe ik bijna mijn afspraak miste.
De werkplaats bleek gevestigd in Goirle, terwijl ik zat te writen in Breda, waar De jaknikker af moest (terminale fase). Ik keek pas laat op, te laat. Zonder te douchen heb ik een Concorde besteld, lees maar na.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Gelukkig bleek het slechts een consult, dr. Heipaal (schuilnaam) wilde de ravage eerst even bekijken. Marshall-hulp kwam pas in oktober, dan werd het hamertje-tik. Ik opgelucht natuurlijk, ik laat die kiezen het liefste zetten door een lijkschouwer.
Ongelooflijk snel werd het oktober. Niet eerder meegemaakt. Nu nog op een normale manier in Goirle zien te geraken. Ik herlas die proloog, ter lering. ‘Het openbaar vervoer is je beste vriend’, fluisterde ik. De trein bracht me naar Tilburg, kundig, tijdig, alwaar een streekbus stond te dampen als een paardje: uitstappen op het Rielse plein, nabij Heipaals hospice, weliswaar 88 haltes, maar we hadden de tijd, dit ging goedkomen. Niet bang zijn, lees gewoon een boek.
Deed ik, deed ik. Helaas kan ik te goed lezen, lezen is een spier, ik verzonk in het gebodene, enige Nobelprijswaardige werken van collega Krasznahorkai, zeer diep zonk ik weg...
‘Volgende halte’, zei een blikken stem, ‘Rielse baan.’
Rielse baan? Rielse báán?? Ik klapte Horkie Kraslot dicht en zwalkte naar de buschauffeur. ‘Komt hierna het Rielse plein?’, brulde ik.
De man keek niet opzij, maar zweeg. We raasden over een provinciaalse tweebaansweg met bomen. Goirle was godzijdank nog niet in zicht.
‘Meneer’, zei ik, ‘ik wil u niet storen of ontrieven, maar mag ik iets aan u vragen? Is de Rielse baan hetzelfde als het Rielse plein?’
Ik zag aan zijn oor dat hij het een domme vraag vond. Stilte.
‘Op jullie klote-app’, bulderde ik nu weer keihard, zwaaiend met mijn telefoon, ‘staat namelijk Rielse plein!’
Al lang en breed voorbij. Drie haltes geleden. Mijn wereld stortte in, lezer. Vond dit echt plaats? Daar stond ik tussen rijen oneindig ijle populieren als hoge pluimen te vloeken, ik had nog twintig minuten, lopen was onmogelijk, en voor rennen paste ik. Ik ging niet naar een implantoloog rennen.
Liften. Ik was een woeste lifter. Een lifter met een deadline, zelden vertoond. Na twintig voorbij gezoefde auto’s had ik mijn act op orde: eerst stak ik mijn duim op, maar niet als een hippie, nee, als een schaatscoach, iets door de hurken met de pupil meebewegen. Pas als de auto vlakbij was: biddende handjes, please, ik ben het! Harry Mulisch! De schrijver! En na het ziedende doorscheuren: groot misbaar maken, ‘nee’ brullen, handen in de lucht werpen, wat doet u me aan, etc. – wat de volgende bestuurder natuurlijk ziet, jaja. En dan weer de duim.
Eerst stopte er een vent die zei dat we allemaal mensen waren, maar van mijn kiezen geloofde hij niks, van dokter Heipaal had hij nog nooit gehoord – en hij scheurde weer door.
Nog zeven minuten.
Sommige ‘mensen’ staken hun duim op – die haatte ik pas echt, ik noteerde kentekens. Toen stopte er een jeep. ‘Stap maar in’, riep de kerel, een outdoortype. Iemand met een jeep is niet bang van een schrijver.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns