De Nederlandse overheid doet vanwege trauma's te weinig met bedrijven waarin ze een aandeel heeft. Een belangrijk adviesorgaan raadt aan de invloed te gebruiken voor grote maatschappelijke opgaven. "De overheid kan meedelen in de winsten."
De overheid heeft aandelen in bijna 550 bedrijven, zoals Schiphol, TenneT, de NS en regionale waterbedrijven. Samen zijn die overheidsdeelnemingen 88 miljard euro waard. Van die bedrijven spelen er 350 een belangrijke rol in de leefomgeving van Nederlanders, bijvoorbeeld als het gaat om veiligheid en beschikbaarheid van elektriciteit en drinkwater.
Het draait bij de aansturing van die belangrijke organisaties te weinig om het publieke belang, concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), een onafhankelijke overheidsadviseur. Het gaat ook te weinig over langetermijndoelen. Hierdoor worden kansen gemist om de veiligheid, zekerheid en betaalbaarheid te verbeteren.
"Het gaat nu over randzaken", zegt Jeanet van Antwerpen, commissievoorzitter bij de Rli. "Het gaat over het inkomen van de bestuurders, terwijl het juist moet gaan over het bereiken van belangrijke maatschappelijke doelen."
Als voorbeeld noemt Van Antwerpen netcongestie, de overbelasting van het stroomnet. Momenteel zijn er wachtlijsten voor bedrijven om te worden aangesloten op het stroomnet. Die wachtlijsten worden steeds langer. Zonder verbetering in grote delen van het land kan de stroom niet meer worden gegarandeerd.
Hier zou de overheid zou volgens de Rli haar invloed kunnen gebruiken. Netbeheerders mogen geen batterijen inzetten om opgewekte energie op te slaan voor woonwijken, dus is het in de praktijk aan inwoners. Dat is inefficiënt. De overheid kan de speelruimte van de netbeheerders vergroten. De Rli wil dat op zijn minst de voor- en nadelen worden onderzocht.
Ook op andere terreinen mist de overheid kansen. "In de afgelopen periode is er 5 miljard euro aan subsidies voor wind op zee naar particuliere bedrijven gegaan", zegt Van Antwerpen. "Als de Nederlandse overheid een eigen onderneming op poten had gezet, of deels in eigen handen had gehad, dan had ze kunnen meedelen in de winsten."
De overheid zou als aandeelhouder ook bedrijven kunnen beschermen die cruciaal zijn voor de Nederlandse economie. De Rli raadt aan om net als België een lijst te maken met welke bedrijven dat zijn.
ASML is een van die bedrijven. Niet dat de overheid nu een aandeel moet nemen in het hightechbedrijf, zegt Van Antwerpen. "Maar als de overheid dat lang geleden had gedaan in plaats van subsidie te geven, was dat niet beter geweest voor de opbrengsten en de strategische autonomie?"
Maar durf ontbreekt bij de overheid. Mislukte staatssteunoperaties zoals bij de Rotterdamse scheepswerf RDM in de jaren tachtig (die uiteindelijk toch failliet ging) hebben ervoor gezorgd dat de overheid zich liever niet op de markt begeeft.
Er zijn ook recentere voorbeelden, zoals een financieel debacle bij de Amsterdamse afvalverwerker AEB. Dat heeft Amsterdam miljoenen gekost. Zulke fiasco's zorgen ervoor dat de overheid het liever houdt bij subsidies. Op afstand, zonder inspraak. De Rli constateert op basis van gesprekken met veel deskundigen en instanties dat er sprake is van een "onverwerkt trauma".
Maar zijn bedrijven van nature niet gewoon beter op de markt? Omdat ze daar hun inkomen realiseren en dus zo efficiënt mogelijk moeten werken? "Niet alle bedrijven zijn per definitie efficiënt", antwoordt Van Antwerpen. "Ook bedrijven kunnen te maken hebben met tegenvallende rendementen door verkeerd beleid."
Juist als het gaat om basisvoorzieningen zoals water en elektriciteit kan overheidsdeelname volgens de Rli een voordeel zijn. "De overheid kan beslissen genoegen te nemen met een lager rendement. Dan is de kans groter dat een basisvoorziening overleeft in financieel moeilijke tijden."
Denk bijvoorbeeld aan bedrijven die plastic recyclen, zegt Van Antwerpen. "Daar gaan er veel van over de kop, terwijl we allemaal weten dat het slechts een kwestie van tijd is voordat ze rendabel worden."
Het helpt niet dat de overheid twee rollen heeft in overheidsbedrijven: die van aandeelhouder en beleidsmaker. Meestal zit de aandeelhouder aan de vergadertafel, terwijl de beleidsmaker (degene die zich bezighoudt met de langetermijndoelen) afwezig is.
Dit speelt bijvoorbeeld bij drinkwaterbedrijven, waarin gemeenten en provincies soms aandelen hebben. De overheid zou zich volgens de Rli meer moeten richten op de grote opgaven waar deze organisaties voor staan, zoals de betaalbaarheid en het milieu. Nu focust de overheid zich vaak op financiële risico's en rendement op de korte termijn.
De twee rollen kunnen er ook voor zorgen dat organisaties tegenstrijdige signalen krijgen. Enerzijds moet een bedrijf de dienstverlening verbeteren, anderzijds moeten de kosten worden bespaard.
"ProRail is een mooi voorbeeld", zegt Van Antwerpen. "ProRail en de NS zijn aan elkaar verbonden. Tegen de NS wordt gezegd: treinen moeten vaker op tijd rijden. Tegen ProRail wordt gezegd: je moet bezuinigen. Dus zetten ze de verwarming van sommige wissels uit. Daardoor kunnen treinen vertraging oplopen."
"Waarom benutten we die bedrijven niet beter?" vraagt Van Antwerpen zich hardop af. "Doe niet zo moeilijk en praat met elkaar. Kijk samen wat echt belangrijk is. Gebruik gewoon het boerenverstand."
Source: Nu.nl algemeen