Hij raakte in zichzelf gekeerd, sprak met niemand over het project en zweeg anderhalf jaar tegen zijn vrouw over een bijna-verdrinking. Nu is zijn werk over de zee af, zegt Stephan Vanfleteren. ‘Ik ben aan het afkicken van de zee.’
is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.
‘Voel jij nog grond onder je voeten?’, vroeg fotograaf Stephan Vanfleteren aan de jonge cameraman die hem vergezelde op die gure decemberdag. Ze bevonden zich in de Noordzee bij Duinkerke, in wetsuit en reddingsvest, allebei met zware camera’s in waterdichte omhulsels om hun nek. Door het geraas van de golven was het moeilijk te verstaan, maar het antwoord van de cameraman was ‘nee’.
De zee had hen verrast. Ze dreven, de onderstroom was onverwacht sterk. Terugzwemmen lukte niet. ‘We spartelden voor ons leven’, zegt Vanfleteren, ‘maar kwamen geen meter verder. De cameraman – Basile, hij is het petekind van mijn vrouw – was dichter bij het strand dan ik en bleef het proberen. Ik was al snel uitgeput en moest me laten meesleuren.’ Eerst naar een strekdam, waar hij geen trapje vond, daarna steeds verder. Hij zag hengels, maar de vissers die ze vasthielden zagen hem niet. Zijn ‘au secours!’ kwam niet boven de golven uit. In de verte zag hij een helikopter, die de verkeerde kant op ging. Pas toen hij tientallen meters dieper in zee een van de vislijnen vastgreep, werd hij door de vissers opgemerkt. ‘Uiteindelijk hebben de reddingsdiensten me met een rubberboot uit het water gehaald. Op het strand stond een ambulance klaar. Daar kreeg ik te horen dat Basile nog verder was afgedreven. Die helikopter kwam voor hem. Hij had veel water binnengekregen en moest naar het ziekenhuis.’
Het was op het nippertje geweest. ‘In de tijd dat ik daar dobberde dacht ik aan wat er gebeurd was als niemand ons gezien had. Volgens mijn berekeningen waren we dan een dag later aangespoeld op een van de Waddeneilanden. Drijvend, want we droegen reddingsvesten, maar wel dood. Want in die kou overleef je niet lang.’
Aan de opklaptafel in zijn grote atelier vertelt Stephan Vanfleteren (56) over de nasleep van die bijna fatale dag, anderhalf jaar geleden nu. De fotograaf staat erom bekend dat hij ver kan gaan in zijn zoektocht naar een goede foto, maar was hij ditmaal té ver gegaan? ‘Misschien toch wel. Ik was een beetje onvoorzichtig geweest. Het was aflandse wind, het was springtij. Geen storm, maar wel een ruwe zee. Toch dacht ik: ik ken het hier, ben hier al zo vaak geweest, het zal wel loslopen. Dus ik kampte met een enorm schuldgevoel tegenover Basile. Ik had al honderden keren de zee gefotografeerd, maar bijna altijd was ik alleen. Uitgerekend die keer dat er iemand bij was ging het mis, en ook nog met een jongen die me heel nabij staat.’
Schuldig voelde hij zich ook tegenover zijn vrouw Natacha. Met Basile sprak hij af dat ze het incident geheim zouden houden. ‘Anderhalf jaar heb ik het verzwegen voor Natacha. Ze weet het pas sinds ze de tekst las die ik voor het fotoboek heb geschreven.’
Waarom hield je het voor je?
‘Zij had al zoveel slapeloze nachten van het project. Zorgen die ik maar al te goed begreep. Als je man heel vaak om drie uur ’s nachts opstaat, de wind giert om het huis, alles kraakt, en hij vertrekt in zijn busje om ergens urenlang in een wilde zee te gaan staan – ik denk dat niemand dat een prettig idee vindt. Dit incident was vermoedelijk voor haar de druppel geweest. Maar ik wist dat ik nog niet klaar was, dat ik nog vaker naar de zee zou gaan. Dus heb ik gewacht.’
Hoe reageerde ze toen ze het las?
‘Ze was geschokt, natuurlijk. Stopte halverwege met lezen, kon niet verder. Ik stond een beetje zenuwachtig om haar heen te dribbelen.’
Was ze kwaad dat je het zolang had verzwegen?
‘Dat moet je haar zelf maar vragen. Ze komt straks.’
Vijf jaar lang poogde Vanfleteren ‘de code van de zee te kraken’. Een onmogelijker doel kan je jezelf niet stellen, dat wist hij ook wel. Maar het weerhield hem er niet van om er telkens weer op uit te trekken vanuit zijn huis in Veurne, aan het uiterste zuiden van de Belgische kust. Bij nacht en ontij, bij storm en mist. Zijn jachtterrein liep van het Zeeuwse Domburg tot Le Touquet in Frankrijk, bij de baai van de Somme. Op één volle tank moest hij heen en weer kunnen, dat had hij met zichzelf afgesproken. Continu hield hij alle weerapps in de gaten. In opschrijfboekjes hield hij bij wat hij aantrof als hij ergens kwam; windkracht en -richting, het getij, de swell – soms met tekeningetjes erbij. Zo leerde hij waar en onder welke omstandigheden er ‘iets heel moois’ zou kunnen gebeuren.
Het werd een obsessie, Vanfleteren schuwt zelfs het woord ‘waanzin’ niet. ‘Als het goed ging, ervoer ik het opperste geluk, vergat ik alles om me heen. Echt pure euforie. Het enige jammere was dat ik het met niemand kon delen. Maar dan troostte ik me met de gedachte dat ze het zouden navoelen als ze later de foto’s zagen.’
Veel vaker keerde hij teleurgesteld terug omdat de zee hem niet gaf wat hij zocht. ‘Ik ben brildragend, maar in de zee kon ik mijn bril niet op. Vaak was het zo heftig dat ik niet eens door de zoeker kon kijken. Dan schoot ik op gevoel, met de brandpuntafstand van mijn lens in mijn achterhoofd. Als ik dan thuis de beelden zag, dacht ik soms: heb ik het hiervoor gedaan? Ik had evengoed blind kunnen zijn. Vier uur in de branding gestaan, in mijn busje geslapen totdat de wind weer op zou steken, bevangen geraakt door de kou, overspoeld en tot bloedens toe door elkaar geschud – voor dit? Maar langzamerhand begon ik ook in vage beelden schoonheid te zien. Naar het eind toe heb ik steeds meer abstractie toegelaten. Waterdruppels of zoutaanslag op mijn lens? Niet erg: misschien is het onverhoopt iets bijzonders.’
Hij raakte in zichzelf gekeerd, sprak met niemand over het project. Gaandeweg begon bijgeloof een steeds grotere rol te spelen. Als hij onderweg een somber liedje hoorde waar de zee in voorkwam, zag hij dat als een slecht voorteken. Meermaals draaide hij halverwege om omdat hij ineens met knikkende knieën achter het stuur zat. ‘Ik wil het niet te zeer romantiseren, maar ik geloof sterk in zulke dingen. Soms begreep ik door signalen dat ik die dag de confrontatie met de zee niet moest aangaan, andere keren was het juist iets positiefs en werd ik er heel zelfverzekerd van. Dan wist ik: vandaag kan ik het aan, zal ik één zijn met de zee.’
Maar nu is het gedaan, en zijn de lichte tijden weer aangebroken. Het fotoboek Transcripts of a Sea is gedrukt, de uitnodigingen voor de opening van de tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten in Gent zijn de deur uit. ‘Ik ben aan het afkicken van de zee’, zegt hij lachend. ‘En dat is ook jouw geluk. Als je hier een half jaar geleden had gezeten, en het licht was ineens prachtig geweest en de wind precies goed, dan was ik weggelopen van tafel. Had ik gezegd: ik kom binnenkort wel naar jou toe, met een grote fles champagne om het goed te maken, maar nu moet ik gaan.
Al een jaar of twintig geldt Vanfleteren als een van de beste fotografen van België. Ook in Nederland geniet hij een grote reputatie – onder meer door zijn werk voor dit magazine. Bevlogenheid is zijn handelsmerk, of hij nu portretten maakt, vervallen buurten afschuimt of dode dingen fotografeert. Volgens zijn goede vriend Wilfried de Jong is hij ‘een poëet’. Volgens regisseur Koen Mortier, een andere goede vriend, is hij ‘een man die met zijn lens in de ziel van mensen kan kijken, maar die tegelijkertijd op zoek is naar zijn eigen ziel’. Boven alles is hij een romanticus, voor wie fotograferen niet alleen draait om het resultaat, maar ook om de daad zelf. In de opoffering zit ’m het plezier, en als het meezit: de euforie. ‘Als iets gemakkelijk gaat’, zegt hij, ‘dan krijg ik het gevoel dat ik mijn best niet heb gedaan.’
Het contrast tussen lichte en donkere tijden is iets waarmee hij al zijn hele leven vertrouwd is. Tijdens zijn jeugd in Oostduinkerke, één afslag ten noorden van Veurne, waren het de seizoenen die het bepaalden. ‘Mijn ouders hadden daar een tennisclub die leefde van toeristen. Vanaf de paasvakantie tot eind oktober waren we open, in de winter vier maanden dicht. Voor mij is dat bepalend geweest. We gingen nooit op zomervakantie – ik heb mijn ouders nooit in hun zwempak gezien – maar de zomervakantie kwam wel naar mij. Maandenlang werd ik omringd door mensen die kwamen om te ontspannen en lol te maken. Dus ik was vertrouwd met de lichtheid van het bestaan; vakantieliefdes, feestjes, op het strand uitgaan. Dan was ik de mooie jongen die in een kanariegele Speedo op de springplank salto’s deed, en hoopte dat de meisjes het zagen. Ik kon daar enorm van genieten. Maar als de winter kwam, en mijn ouders bijna niets deden, werd het hier aan de kust ook heel stil. Dan was er de rust en de eenzaamheid, waar ik ook de schoonheid van inzag. Ik denk dat ik een beetje ben blijven hangen in die gespletenheid, dat ik het verinnerlijkt heb. Er zit een heel vrolijke kant in mij, ik hou van feestjes, van dansen en drinken en helemaal losgaan, maar ik heb ook iets heel donkers en melancholisch. Ik neig soms... niet naar depressie, het is allemaal behapbaar, maar wel naar zwaarte.’
Waar uit zich dat in?
‘Er zit een hypochonder in mij. En angst voor een te vroege dood. Maar ik ben niet meer jong, dus die bekommernis is verdwenen. Ik heb in het begin van mijn carrière veel in conflictgebieden gewerkt. In Rwanda bijvoorbeeld, tijdens de genocide. Zo leerde ik al vroeg hoe kwetsbaar het leven is. Eén verkeerde afslag, één ondoordachte beslissing, en het kan afgelopen zijn. De laatste jaren zijn daar zorgen bij gekomen over, nu ja, de wereld. Wankelende democratieën en vooral het klimaat. Daar ben ik heel somber over. Ik denk dat we te laat zijn, dat we het niet meer recht krijgen. Dat is ook een van de redenen dat ik de zee wilde vastleggen. Zij die er altijd zal zijn, ook nadat ze ons heeft verzwolgen. Ik vond daar een vreemde vorm van troost in. Tegelijkertijd staat mijn neiging tot zwaarte in groot contrast met mijn persoonlijke leven. Ik ben onafhankelijk in mijn werk, doe dat ook heel graag. Ik heb al dertig jaar een hechte, fijne relatie met Natacha. We hebben drie kinderen met wie het voorlopig allemaal goed gaat. Eigenlijk zou ik opgetogen over de heide moeten huppelen van geluk. Maar ik kan het niet. Althans, niet altijd.’
In de fotografie vond hij een uitlaatklep voor die zwaarte. En ook: een manier om uit te blinken. ‘Op de middelbare school was ik een heel matige leerling, ook al deed ik hard mijn best. Ik ben dyslectisch, maar dat wist ik toen nog niet, alleen dat ik moeilijk las. Het was een strenge school, waar de meesten werden klaargestoomd voor de advocatuur of de geneeskunde. Mijn leraren vonden mij een oninteressant figuur, omdat mij zoiets niet zou lukken. Dat voelde ik, en daardoor werd de beroepskeuze een proces van eliminatie. Geen advocaat, geen dokter, geen ingenieur. Wat bleef er over? Architect? Gigolo misschien? Nou, ik was al op mijn 18de met Natacha, dus die vlieger ging ook niet op.’
Uiteindelijk kwam hij terecht op de fotoschool in Brussel. ‘Bij de eerste opdracht die ik kreeg, had ik al door dat het me makkelijk afging. We moesten een ei fotograferen – mooi kaderen, zorgen dat het licht goed viel. Bij mij was het al snel iets moois, mijn medeleerlingen waren ermee aan het worstelen. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik dacht: hé, misschien kan ik iets, heb ik een gave die anderen minder hebben.’
Hij heft zijn wijsvinger. ‘En meteen kwam daarbij het besef: maar dan moet ik nu wel doorzetten. Niet verzaken! Het is verleidelijk om ergens minder energie in te gaan steken als je er goed in bent, maar pas als je je talent combineert met hard werken, kun je iets echt bijzonders krijgen. Dus dat heb ik altijd gedaan, tot op de dag van vandaag. Omdat ik begreep: dit is mijn uitweg uit een matig interessant leven.’
Om zijn dienstplicht te vervullen ging hij als ‘militair fotograaf’ met een groep Belgische commando’s naar Somalië, waar destijds een oorlog woedde. Als straatfotograaf trok hij weken in zijn eentje door de gevaarlijkste buurten van New York. Als freelance fotograaf voor de krant De Morgen reisde hij de halve wereld over. Grote bekendheid kreeg Vanfleteren in eerste instantie vooral door zijn portretten – haarscherp, vrijwel altijd zwart-wit – waar hij ook steevast veel tijd en moeite in steekt.
Wilfried de Jong vertelde hoe hij op een koude novemberdag urenlang in zijn blootje voor jou heeft geposeerd op een kasseienstrook. Een andere keer moest hij het water in van je. Hij zei: ‘Stephan vraagt veel, maar geeft zelf ook veel. Hij wringt zich in de vreemdste bochten. En daarom doe je het.’
‘Haha, dat moet Wilfried nodig zeggen. Hij is de enige persoon die ik ken die verder gaat dan ik. We waren ooit in New York, waar ik hem moest portretteren. Toen zijn we door de politie van een dak gehaald, omdat hij op een richel was gaan poseren, twintig verdiepingen hoog. De overburen hadden gebeld omdat ze dachten dat hij ging springen. Maar goed, hij heeft gelijk. Ik denk altijd: de kou gaat weer voorbij, het afzien vergeet je, maar het portret blijft. Dus heb ik het ervoor over. Ik denk dat het mijn kracht is mensen te laten voelen dat ik daar niet met hen sta omdat ik dan later een factuur van 150 euro kan sturen. Ik wil dat ze geloven dat er op de hele wereld even niets belangrijkers is dan de foto waar wij op dat moment samen aan werken. Het rare is: ik geloof dat zelf dan ook. Natuurlijk zijn er honderdduizend dingen die belangrijker zijn, maar ik probeer het gevoel te creëren dat die buitenwereld even helemaal niet bestaat.’
De Jong zei ook dat het fotograferen van bekende mensen voor jou steeds moeilijker wordt, omdat er vaak niet genoeg tijd wordt vrijgemaakt, en omdat hun managers steeds meer eisen stellen.
‘Nou, in België werd het op een gegeven moment een probleem dat ik daar zelf een bekend figuur was geworden. Daardoor raakten mensen iets van hun onbevangenheid kwijt als ze voor me poseerden. Ze waren soms zenuwachtiger dan ik, en dat is niet goed, want een portretfotograaf voor een magazine of krant moet altijd dienend kunnen zijn. Dus toen heb ik mijn werkterrein voor portretten bewust verlegd naar Nederland, omdat ik daar minder bekend was, en met een schone lei kon beginnen.
‘Wat die strengere eisen betreft: soms denk ik dat mensen door al die filters op hun telefoon vergeten zijn hoe ze er echt uitzien. Voor jullie krant heb ik ooit een presentatrice geportretteerd die ontevreden was over het resultaat. Prachtige vrouw, maar wel op leeftijd. Ik was er erg blij mee. Maar ja: mijn portretten zijn scherp, dus je zag haar rimpels. En dat was een probleem. Toen heb ik de hele sessie maar opnieuw gedaan.’
Jij retoucheert niet?
‘Het gebeurt, omdat het soms moet. Maar liever niet. Ik vind rimpels geen schande. Integendeel, ik zie ze als een soort medaille van het leven. Ik hou van mensen die ze met trots dragen, dat vind ik geruststellend. Een portret is voor mij geslaagd als ik weet te vangen wat iemand typeert. Een haakneus, diepliggende ogen – dat ga ik niet verbloemen. Ik wil dat de kijker denkt: oh, dat moet een interessant persoon zijn. Van die schrijver wil ik het boek lezen, van die actrice wil ik de film zien. Maar dat moet zo iemand wel toelaten.’
Het klinkt alsof je jezelf een heel hoge standaard oplegt. Hoe hou je dat vol?
Lachend: ‘Niet. Het slurpt ook veel energie. Mijn strategie om ermee om te gaan is dat ik soms ook heel lang helemaal geen mensen fotografeer, maar andere dingen. Dode dieren of zoals nu: de zee. Een erg fijn aspect aan mijn beroep is dat je van onderwerp kunt veranderen. Zo lijkt het soms alsof ik verschillende levens mag leven. Ik vergelijk het graag met method acting. Toen Robert De Niro in Taxi Driver acteerde, wist hij echt hoe het was om een taxichauffeur in het grimmige New York te zijn. Zoiets heb ik ook.
‘Toen ik een boek maakte over de bunkers van de Atlantikwall, voelde ik mij als een Duitse soldaat. Toen ik in Charleroi rondzwierf om het verval en de armoede vast te leggen, voelde ik mij een inwoner van die stad. Ik was een surfer toen ik een surf tribe over de hele wereld volgde, en de laatste jaren was ik een zeeschuimer – je kunt het nog steeds een beetje zien aan mijn baard en mijn lange haar. Ik vind dat een schoon gegeven: je ergens met volle intensiteit en empathie in gooien, je ermee vereenzelvigen, terwijl je tegelijkertijd toch je vak blijft uitoefenen. En dan heb je ook nog de luxe om er weer uit te stappen als het klaar is.’
Zie je zelf een gemene deler in al die projecten?
‘Dingen die verdwijnen, dat is altijd een fascinatie geweest. Het zal mijn melancholische kant zijn, die zwaarte in mij. Ik heb façades van oude winkels gefotografeerd, majorettes, de koppen van oude vissers van hier aan de kust, die nog op een heel traditionele manier werkten en helemaal naar IJsland gingen. Soms hoorde ik dat ik een prachtig gezicht gemist had, omdat iemand al was overleden. Dan bloedde mijn hart, echt. Het Charleroi dat ik fotografeerde bestaat niet meer. Die vissers zijn allemaal dood. En ook de golf die op 23 januari om 17.23 en 15 seconden omsloeg, komt nooit meer terug.’
Maar jij hebt hem wel vastgelegd. Is dat waarom je het doet?
‘Ja, zoiets zal het zijn. Ik word vaak gedreven door een gevoel van haast. En dat is ook weer tegenstrijdig: ik haast mij om rust te kunnen vinden. Om daarna weer in stilte te kunnen leven.’
Je staat bekend als een traditionele fotograaf. Een beetje wars van technologie.
‘Dat klopt. Ik voel me thuis in een lange traditie van fotografie, en ik geloof dat er genoeg ruimte is om creatief te zijn in een traditionele manier van werken. Ik ben geen grote vernieuwer, maar ik probeer wel diep te gaan in dat wat ik essentieel acht. Toen ik overschakelde naar een digitale camera, alweer een tijd geleden hoor, was ik echt de laatste der Mohikanen. En ik deed het vooral omdat het te duur werd. De kranten wilden mijn filmrolletjes en ontwikkelkosten niet meer betalen.
‘Ik zit altijd een beetje op de laatste trein van de technologie, heb er een zekere angst voor. Dat heeft ook te maken met mijn dyslexie; een gebruiksaanwijzing moet je mij niet laten lezen. Maar goed, ik ben ook weer geen neanderthaler. Eigenlijk ging de overgang van analoog naar digitaal best vlot. De basis blijft voor mij hetzelfde; de combinatie van sluitertijd en diafragma. Al die andere functies van je camera zijn hooguit aangenaam comfort. Ik heb weleens terug naar de fotozaak gemoeten omdat ze bij een onderhoudsbeurt mijn camera op automatisch hadden gezet en ik niet wist hoe ik dat veranderd kreeg, maar zolang ik het allemaal heel simpel houd is het ook een zegen. Ik kan nu duizend foto’s maken zonder een rolletje te hoeven verwisselen, daardoor houd ik tijd over om me op het onderwerp te concentreren.’
Veel is veranderd sinds Vanfleteren naar Veurne verhuisde, veertien jaar geleden. Jaren woonde hij in Brussel en werd zijn leven geregeerd door deadlines en het vele reizen. ‘Mijn vrienden zeiden: wat ga je doen in die uithoek? Je gaat verpieteren, het contact met de wereld verliezen, je werk gaat eronder lijden. Maar ik denk dat het precies omgekeerd is geweest. Ik heb de hectiek verlaten, zit me niet langer op te vreten omdat ik elke dag uren in een file sta. Het gevoel: ik moet deze foto nog afwerken en om tien uur sluit de krant, dat ken ik niet meer. Ik zou dat ook niet meer kunnen, en gelukkig kan ik het me veroorloven. Er is een andere vorm van druk voor in de plaats gekomen. Ik rij nog wel gehaast naar de zee, omdat ik weet dat het getij op niemand wacht. Maar dat is de hectiek die je jezelf oplegt, het komt niet meer van buitenaf.’
Tegenwoordig reist hij weinig. ‘Dit atelier is wel mijn redding geweest’, zegt hij. Eigenlijk is het gewoon de helft van de benedenverdieping, in het midden heeft hij een enorm grijs scherm opgehangen. ‘Het ligt op het zuiden, dat maakt de lichtval veranderlijk, maar ook bijzonder. Voor portretten laat ik mensen nu hierheen komen, als het even kan. Dan weet ik ook dat ze er moeite in willen steken, want het is een flinke rit om hier te komen. Het geeft iets extra’s. Toen ik Stromae op bezoek kreeg, hebben we hier zitten lunchen met mijn hele gezin erbij. Hij was toen op het hoogtepunt van zijn roem, mijn kinderen wisten niet hoe ze het hadden. Ze hebben het op school niet eens verteld, omdat ze dachten: dat gelooft toch niemand.’
Veurne was geen toevallige keuze. Ze wonen in het ouderlijk huis van Natacha – een oud bankgebouw, daarvoor ‘sterfhuis’ – dat vrijkwam toen haar moeder overleed. Veurne is ook het stadje waar ze elkaar leerden kennen. ‘Zij is twee jaar ouder dan ik. Ik had haar al langer in de gaten, omdat ze hier in een discotheek werkte. Maar het werd pas wat toen we allebei in Brussel studeerden, zij ging daar naar de filmschool. In de weekends konden we op en neer rijden met een vriend die een auto had, maar die moest onderweg wel altijd even langs bij zijn vriendin in Gent. Dan zaten we te wachten in de auto terwijl hij, nou ja, andere dingen deed. Na een tijdje zijn we een keer wat gaan drinken, een volgende keer werd dat een hapje eten, uiteindelijk hebben we gekust. Toen die vriend haar daarna afzette bij haar kot, zei ik: morgen bel ik bij je aan. Zo geschiedde en sindsdien zijn we altijd samen geweest.’
Ze waren altijd al een geoliede tandem. ‘Natacha is mijn voornaamste criticus, de eerste lezer van mijn teksten. Maar zo rond de verhuizing zijn we nog veel nauwer gaan samenwerken. Ze werkte in de tv-wereld, maar daarmee wilde ze stoppen. In die tijd hebben we een uitgeverij opgericht voor foto- en kunstboeken, Hannibal, waarmee we ook mijn boeken uitbrengen. Zij werd de artdirector en regelt alles rond mijn tentoonstellingen. Aanvankelijk wilde ik het liever niet, vanwege de verantwoordelijkheid. Alles begint toch met de foto’s die ik schiet. Ik heb nooit met assistenten gewerkt. Maar uiteindelijk hebben we een mooie tussenweg gevonden. Ik heb me teruggetrokken uit de uitgeverij, zij kan daar gelukkig haar creativiteit in kwijt.’
Toch lijkt het me lastig om getrouwd te zijn met een man als jij.
‘Ah ja, soms wel. Wat helpt is dat zij ook extreem is. Ze doet het niet uit adoratie of zoiets. Vroeger gingen we vaak een maand naar heftige steden als Calcutta, Havana of Caïro. Dan stonden we heel vroeg op en gingen we allebei ons eigen ding doen – ik fotograferen, zij bijvoorbeeld alle sporen nagaan van zangeres Oum Kalsoum. ’s Middags kwamen we samen om wat te eten en te zwemmen, en als het licht weer mooi werd, gingen we weer uiteen. Ook op onze vakanties waren we altijd aan het werk. Dus ja, zij is ook gek. Tegenwoordig misschien iets minder, we zijn allebei niet de jongste meer, maar er zijn tijden geweest dat onze kinderen regelmatig ’s avonds om half negen zeiden: zeg, we hebben honger en nog niets gegeten. Dan dachten we weleens: oei. Maar tegelijkertijd hebben ze gezien dat hun ouders gepassioneerd zijn in hun werk, en dat is ook iets waardevols.’
De verhuizing naar Veurne betekende ook een hereniging met de zee waarmee hij altijd een intense band heeft gehad. Als kind kampte Vanfleteren een tijd lang met watervrees, nadat hij bijna was verdronken in een vijver. ‘Ik werd er net op tijd uitgevist, want ik zonk al. Zelf herinner ik het me niet meer, ik was 5. Ik heb nog een beeld dat mijn moeder me helemaal uitkleedde en bij de radiator zette. Ze heeft me ook verteld dat ik daarna vaak angstdromen had, waarin ik steeds maar riep: zwart water, zwart water! Grappig genoeg twee woorden die in mijn werk heel belangrijk zijn geworden. Dus dat heeft zeker impact gehad. De zee was voor mij iets leuks en iets engs tegelijk.’
Heb je daarom ook voor deze zee gekozen? Om er een gevecht mee aan te gaan, of er vrede mee te sluiten?
‘Dat was vooral omdat het niet op een andere manier kon. Ik moest dichtbij zijn, snel kunnen handelen. Maar ik had ook geen behoefte om naar Hawaï of de Middellandse Zee te gaan. Dat de Noordzee wat kleur betreft geen spectaculaire zee is, vond ik juist bijzonder. De Middellandse Zee is bling-bling, de Noordzee is klots-klots. Moeilijk, onwennig. Ze kan groen zijn, soms is ze zelfs blauw, maar meestal heeft ze dezelfde kleur als wat je aantreft in de luiers van je kinderen.’
Dat is eigenlijk maar een half antwoord.
‘O ja: het gevecht. Vroeger was mijn werk journalistieker en draaide het vooral om het getuigen, het doorgeven van informatie. Daardoor voelde ik mij nuttig en betekenisvol. Nu zit ik in een fase waarin ik wil troosten, ontroering teweeg wil brengen. Bij het publiek, maar ook bij mezelf. Catharsis is een groot woord, toch denk ik dat het in mijn geval toepasselijk is. In die zee heb ik mezelf bevrijd van heel veel zware gedachten, waardoor ik met een veel lichter gevoel kon thuiskomen – uiteindelijk dan.’
Twintig jaar geleden heb je een ‘zelfportret’ gemaakt waarop alleen je hand boven het wateroppervlak uitsteekt.
‘Ja, het was zelfs een campagnebeeld van een grote tentoonstelling, een retrospectief. Destijds zat er niet echt een bedoeling achter, maar als ik die dag in Duinkerke niet had overleefd, had die foto natuurlijk veel meer betekenis gekregen. Het is een dierbare foto, maar minder zwaarwichtig nu ik nog leef.’
Hij staat op om koffie te zetten. Aan de lichtval in het atelier is af te lezen dat er uren zijn verstreken. De afspraak was dat we de zee samen zouden gaan bekijken, maar Vanfleteren kijkt een beetje zuinig. ‘Er is geen wind, het is nog toeristenseizoen. Ik ben bang dat de zee je zal teleurstellen.’
Dan klinkt er gerommel bij de voordeur: Natacha, net terug van haar vakantieadres. Terwijl haar man bezig is met het koffieapparaat, vertelt zij zonder omhaal over haar opluchting dat het project voorbij is. ‘Ik heb veel meegemaakt met Stephan, maar nog nooit was het zo zwaar als deze keer. Op het eind heb ik aan een paar goede vrienden gezegd dat ik bang was dat ik ditmaal de tentoonstelling helemaal zelf zou moeten optuigen, maar dan als een postuum. Ik had hele nare voorgevoelens.’
Kwaad dat hij haar niet verteld had over zijn bijna-verdrinking (en die van haar petekind) was ze allerminst. ‘Het was maar beter, denk ik. Ik weet niet wat ik gedaan had als ik ervan had geweten. Waarschijnlijk niet zoveel. Ik had nog meer angst gehad, dat zeker. Maar zo werkt Stephan nou eenmaal, zo werken wij. Ik weet dat ik hem toch niet had kunnen tegenhouden, en ik wil dat ook niet. Het werk is belangrijk, zo is het altijd geweest.’
Dan excuseert ze zich. In de achterbak van haar auto staan tien dozen met champagne, die ochtend op de kop getikt in Frankrijk. ‘Hij is er nog, hè’, zegt ze opgewekt terwijl ze de eerste doos naar binnen zeult. ‘Dus het is weer tijd om het leven te vieren. En hij mag straks een paar kratjes gaan brengen naar zijn redders uit Duinkerke.’
Expo: Transcripts of a Sea – Stephan Vanfleteren, MSK Gent loopt van 20 september 2025 tot 4 januari 2026. Boek: een uitgave van Hannibal Books
1969 Geboren in Kortrijk.
1980 Middelbare school in Veurne, later Sint Lukas in Gent.
1988 Fotografie-opleiding aan de Hogeschool Sint Lukas in Brussel.
1993 Persfotograaf voor dagblad De Morgen. Zijn werk verschijnt ook in magazines als Paris Match, Le Monde, Die Zeit, Knack, Humo en Volkskrant Magazine.
2007 Expositie Belgicum in het Fotomuseum Antwerpen, een melancholisch portret van zijn land België.
2009 Overzichtstentoonstelling Portret 1989-2009 in het Wintercircus in Gent trekt bijna 60 duizend bezoekers.
2009 Louis Paul Boonprijs voor kunstenaars die uitblinken in maatschappelijke betrokkenheid.
2011 Wint in Duitsland de Henri Nannen Preis voor de fotoreeks Es gibt was Neues hier seit gestern.
2012 Nationale Portretprijs met een foto van Rem Koolhaas.
2015 Expositie en fotoboek Charleroi, Il est clair que le gris est noir.
2018 Expositie en fotoboek Srf Tribe in Kunsthal Rotterdam, een ode aan surfers.
2020 Expositie De Engelen van de Zee in Het Scheepvaartmuseum Amsterdam.
2020 Fotoboek Present en gelijknamige expositie in Fotomuseum Antwerpen. Trok 146 duizend bezoekers.
2021 Eredoctoraat aan Vrije Universiteit Brussel.
2025 Transcripts of a Sea, fotoboek en expositie in het Museum voor Schone Kunsten in Gent.
Vanfleteren is sinds 1989 met Natacha Hofman, ze hebben drie kinderen: Zamiel, Zhou en Yto.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant