Home

De een stapt in lycra op de racefiets, de ander raakt depressief: wat is dat toch met de midlifecrisis?

Niet meer jong, nog niet bejaard: de jaren tussen ons 40ste en 60ste zouden de beste van ons leven zijn. Schrijver P.F. Thomése heeft er zijn twijfels bij.

Je geboorte kreeg je achteraf pas te horen, je dood is je bij voorbaat toegezegd en ergens in de tussentijd, tussen die twee halfwas waarheden, bevindt zich je leven.

Om er een verhaal van te maken, kun je dat leven proberen te projecteren op het alsmaar wapperende en flapperende scherm van je herinneringen en verwachtingen. Ja, zo was het ongeveer! Ja ja, zoiets moet het worden! Het blijft een penibele toestand. En toch raakt er haast nooit iemand in paniek.

P.F. Thomése (1958) debuteerde in 1990 met Zuidland en won prompt de AKO Literatuurprijs. Voor zijn reisverhaal Grillroom Jeruzalem won hij de Bob den Uylprijs. Hij schreef tien romans, waarvan de recentste vorig jaar verscheen: Black-out.

Geen verstandig mens, weet ik nu, gedraagt zich als een mier die elk moment kan worden platgetrapt. De dood, ik bedoel de eigen dood, blijft, als het goed is, een abstractie, een theorie waarvoor het bewijs eerst nog maar eens geleverd moet worden.

Onlangs landde er een mug op de bladzijde die ik aan het lezen was. Ik wist dat ik hem te pakken had als ik het boek zou dichtklappen. Gevangen in dit finale moment bekeken we elkaar met een mengeling van wantrouwen en verbazing. Maar niet als gelijken, want ik was zijn god, vergeleken met hem had ik de eeuwigheid.

Boven mijn eigen bestaan hangt natuurlijk evengoed de slagschaduw van een of andere Levensgrote Dichtklapper die eerdaags het boek van mijn leven op een willekeurige bladzijde zal toeslaan. Niettemin acht ik mijn sterven van een hogere orde dan muggen en dergelijke.

Waarom eigenlijk? De mug wachtte het antwoord liever niet af en leefde die middag wellicht nog lang en gelukkig.

Toch krijg ik de tijdelijkheid van mijn bestaan niet uit mijn hoofd en al helemaal niet uit mijn achterhoofd. De dood die mij eensklaps teniet zal doen, is in het geniep hinderlijk aanwezig bij van alles en nog wat, als een grondtoon.

Als ik mijn adem inhoud, hoor ik zijn bassige brom tussen mijn oren.

Het is allemaal begonnen op een zonovergoten dag in juni, toen mijn vader stierf in een ziekenhuisbed. Ik was toen krap 21 en ongewild getuige. Net meerderjarig, zei de notaris die het testament oplas.

Nu weet ik het: het moet mijn vaders stem zijn die postuum bast en bromt tussen mijn oren. Een onverstaanbaar geworden commentaar op mijn doen en laten in het land van de levenden.

Wie zijn vader begraaft, beseft dat hij zelf de volgende gaat zijn. Mijn sterfelijkheid had zich onomstotelijk, want buitengewoon plastisch, aangediend. Een beetje vroeg was het wel, ik had nog geeneens mijn rijbewijs. En nu al aan de beurt. De eerstvolgende in de rij voor de executieplaats. Hoe ontsnapte ik uit dit scenario?

Mijn leidraad werd: alles anders doen dan mijn vader. Dat was ik sowieso al van plan, dus zo moeilijk kon dat niet zijn. Alles wat ik kende, ademde stilstand, hoestte dood. Mijn leven zou één grote omweg worden, een (ver)dwaalweg, nog beter.

Onnavolgbaar en bijgevolg onvindbaar zou ik zijn. Er moest iets zijn om in te verdwijnen, iets dat groter was dan ikzelf.

Dit klinkt metafysischer dan de bedoeling is. Ik wilde weliswaar iets dat groter was dan ikzelf, maar ik wilde het wel gewoon kunnen vasthouden. In no time voltooide ik een roman, waarvan me één zin helder bijstaat: ‘Was er van alle dingen alleen maar het begin.’ Die roman werd overigens geweigerd, zodat ik zelf niet eens aan mijn eigen begin was toegekomen. En dat terwijl de dood mij reeds dreigend opwachtte aan de einder.

Mijn vriend J. Kessels zou hieruit concluderen dat ik mijn midlifecrisis al rond mijn 21ste moest hebben doorgemaakt.

Inderdaad, toen en daar begon mijn sterfelijkheid.

Een ouwe lul op een racefiets

De bedenker van de midlifecrisis, de Canadese psychoanalyticus en bedrijfskundige Elliott Jaques (1917-2003), heeft zich bij het ontwikkelen van zijn theorie laten inspireren door de levens van genieën uit de wereld van kunst en letteren. Denk aan Mozart, Cervantes, Bach, Rimbaud, die categorie.

Tegenwoordig associeer je een midlifecrisis met een ouwe lul op een racefiets of een troela met een gezichtscorrectie, maar dr. Jaques nam het nog heel serieus.

Zo vertelt hij dat het voor hem allemaal begon bij Dante, met name de beroemde openingsverzen van Inferno. ‘In het midden van onze levensweg/ bevond ik mij in een donker woud,/ want het rechte pad was verloren.’

Ja, daar sta je dan. Dr. Jaques leest hierin de verwarring, de wanhoop en de depressie van een middelbare man die het even helemaal kwijt is.

Dr. Jaques (spreek uit: Jacks) roept meer groten uit de kunsten te hulp. Zijn theorie van de midlifecrisis heeft hij gebaseerd op zijn ontdekking van een crisis in genius. Het was hem gaan opvallen dat een bovengemiddeld aantal groten uit de kunst en de letteren ergens halverwege de 30 a) doodging b) er niet meer uitkwam of c) het roer omgooide en geniaal werk ging produceren.

Dit abc’tje was een soort nattevingerwerk, gebaseerd op een ‘impression upheld by taking a random sample of some 310 painters, composers, poets, writers, and sculptors, of undoubted greatness or of genius’.

In essentie stoelt zijn theorie op zijn eigen ervaring. Hij leed naar eigen zeggen op zijn 36ste namelijk aan een depressie, die hij overwon, waarna hij kon uitgroeien tot de dr. Elliott Jaques die we nu kennen. Nou ja, kennen? We kunnen hem googelen.

Enfin, in elk geval wist hij waar hij het over had toen hij in 1965 in zijn geruchtmakende essay Death and the Midlife Crisis met de volgende definitie kwam: ‘It’s a period of anguish and depression at the anticipated loss of one’s life and revives the infantile experience of loss of the good object (mother).’

Die depressie snap ik. De emotionele flits van inzicht dat je over afzienbare tijd voor altijd wordt uitgewist, tja, daar moet je wel even bij gaan liggen. Maar om daar je moeder de schuld van te geven, lijkt me toch iets typisch psychoanalytisch.

Al danken we aan zo’n verknipte moederband natuurlijk wel de fenomenale roman-fleuve Op zoek naar de verloren tijd. Proust begint met de zin: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen.’ Longtemps, je me suis couché de bonne heure.

Die zorgeloze nachtrust had de verteller te danken aan het nachtkusje dat zijn moeder hem vaste prik kwam geven. ‘Mijn enige troost, als ik ging slapen, was dat mama naar boven zou komen om mij een kus te geven als ik in bed lag.’ Dan sliep de kleine Marcel prinsheerlijk in.

Soms hadden zijn ouders gasten en gaf mama hem zijn nachtkusje beneden al, haastig en terloops, zodat hij het bedremmeld liet gebeuren. Jammer vond hij dat. ‘De kostbare en broze kus (...) moest ik nu voorzichtig van de eetkamer naar mijn kamer dragen en gedurende de hele tijd van het uitkleden bewaren, zonder dat de zoetheid ervan verloren ging of dat het zuchtje toverkracht verwaaide of vervluchtigde.’

De indruk bestaat – al ontbreken de bewijzen – dat Proust erg lang (longtemps) naar de nachtkusjes van zijn moeder is blijven hengelen. Prousts moeder overleed in 1905, de auteur was toen midden 30. Volgens dr. Jaques de perfecte leeftijd voor een midlifecrisis. Inderdaad ving Proust al gauw na de dood van zijn moeder zijn titanenwerk aan.

Zo zie je maar. De een koopt een lycrapak met sponsornamen erop en stapt op een racefiets met 27 versnellingen, de ander schrijft À la recherche du temps perdu.

Maman, Mutti, mother!

De ‘loss of the good object (mother)’ is in de theorie van dr. Jaques een kerngegeven. Het herleven van deze gedwongen onthechting, de onverwerkte scheiding van de moeder en een daarmee verbonden verlorenheid, brengt het hele zaakje aan het rollen. Ik moet meteen denken aan de getuigenissen van stervende soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. In het Frans, Duits en Engels gilden en huilden en smeekten die om hun maman, Mutti en mother, hoewel de goede vrouw (‘the good object’) in geen velden of wegen te bekennen was en bijgevolg niets meer kon doen aan het feit dat hun zoon in de modder lag dood te bloeden met zijn darmen in zijn handen.

Kennelijk beschouwden deze wanhopig stervende jongens de moederband als het laatste redmiddel tegen de dood. Snel een kusje erop en alles is weer goed.

Is dit het trauma waar dr. Jaques op hint? Trauma in de betekenis van mentale wond die nooit goed is geheeld en die dus steeds weer kan worden opengekrabd. Als ik hem begrijp, zijn we door mama op een dag achtergelaten, midden in het bos van onze angsten en onzekerheden, en doen we sindsdien net alsof we zelf heus wel weten hoe we terug naar huis moeten komen. En zodra we aan onszelf durven toegeven dat we het niet meer weten, bijvoorbeeld wanneer het tot ons doordringt dat we op een dag eenzaam zullen sterven, schijnen we ons het liefst te willen verstoppen in de veilige armen van mama, en in ultieme nood zelfs in het geheime binnenwater van de baarmoeder.

Enfin. Ik schrijf hier trouwens enkel ‘we’ omdat dit in midlife-jargon gebruikelijk schijnt te zijn.

Natuurlijk gun ik de mensen hun moederzorgen. Van de emotionele wetenschap ten dode opgeschreven te zijn, word je niet per se vrolijk. De reactie luidt doorgaans: wat maakt het allemaal nog uit, als alles toch zinloos is?

Het gekke is dat, wanneer ik om me heen kijk, ik niemand zie voor wie het allemaal niks meer uitmaakt. Ondanks de uiteindelijke zinloosheid van alles vormt iedereen in zijn dagelijks leven een heel netwerk van betekenissen en betekenisjes. Zelfs als iemand geen À la recherche du temps perdu in huis heeft, dan blijkt er nog genoeg om elke dag voor te willen opstaan. Zo was mijn vriend J. Kessels, overtuigd profeet van de slechte afloop, in zijn dagelijkse doen toegewijd aan alles wat hij deed: van countryplaten draaien en sigaretten roken tot religieuze schilderijen verzamelen en op zondag zijn oude moeder bezoeken.

Die combinatie van pessimisme en toewijding herken ik meteen. Het voldongen feit dat de dood is, heeft mij uiteindelijk niet verlamd, maar juist onvermoede krachten vrijgemaakt.

Die krachten doen denken aan de toewijding waarmee kinderen op het strand een hele zomerse dag lang hun zandkasteel perfectioneren, terwijl hun is verzekerd dat het, wanneer de vloed opzet, zal worden weggespoeld. Toch worden de emmertjes water onvermoeibaar af- en aangedragen, de muren gladgestreken om ze een onverwoestbaar aanschijn te geven. Als de zon al ondergaat, worden de torens nog snel van kantelen voorzien.

‘Wer jetzt kein Haus hat,/ baut sich keines mehr’, dichtte Rainer Maria Rilke, de meester van de midlifecrisis, in Herbsttag. Wie nu geen huis heeft, bouwt er nooit meer een.

Barstjes en krassen

Er zit schoonheid in vergankelijkheid. Graag zie ik de barstjes en de krassen, de breuklijnen en de verkleuringen, want wat niet kan sterven, kan ook niet leven. Zonder tijd, want dat is eeuwigheid, rest alleen nog de verveling die het gevolg is van steeds hetzelfde. Kwetsbaarheid heeft mij de waarde doen inzien van dingen, situaties en aspecten die ik voordien over het hoofd had gezien.

‘De kroketten in het restaurant/ zijn aan de kleine kant’, dichtte Cornelis Bastiaan Vaandrager (in de minicyclus made in madurodam).

‘Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, vries je dicht’, adviseerde Gerrit Krol, die dit advies had ingewonnen bij Franz Kafka (in diens Dagboeken).

Kafka hanteerde naar eigen zeggen zelf overigens een bijl.

‘Media vita sumus in morte’, ontdekte Notgerus Balbulus, bij ons beter bekend als Notker de Stotteraar. Midden in het leven staan we in de dood. Notker, die zoals zijn naam al doet vermoeden een stotteraar was, zette deze regel midden in de middeleeuwen op muziek, zong hem samen met zijn kloosterbroeders en vergat ineens te stotteren.

Een meesterwerk is niet een werk dat jaar in jaar uit op de juiste temperatuur wordt geconserveerd, maar een werk dat steeds vergeten wordt en telkens wordt herontdekt. En elke keer zie je er iets anders in. Het is een werk dat nooit af raakt in je gedachten, dat zich steeds opnieuw vormt.

Meesterwerken voor mij zijn op dit moment: Otto e mezzo van Federico Fellini, De meester en Margarita van Michail Boelgakov, Andrej Roebljov van Andrej Tarkovski, Once Upon a Time... in Hollywood van Quentin Tarantino, Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner in de regie van Pierre Audi, de medley op kant twee van Abbey Road van The Beatles en De gedaanteverandering van Kafka.

In een onlangs verschenen midlife-boek, In het midden van het leven van de Zwitserse auteur Barbara Bleisch, worden de jaren tussen 40 en 60 ‘de beste jaren’ genoemd. Zo luidt zelfs de ondertitel van het boek: Filosofie van de beste jaren.

De redenering is dat het in de eerste ‘helft’ van het leven gestaag meer wordt, terwijl het in de tweede ‘helft’ langzaam maar zeker minder wordt. Op groei volgt krimp. Bergop, bergaf, met die levensfase tussen 40 en 60 als een plateau, aldus de auteur, die haar Zwitserse achtergrond niet onder stoelen of banken steekt.

Vooruit dan maar: je bereikt je top door je eerst veertig jaar hoopvol omhoog te zwoegen. Eenmaal boven mag je genieten van het uitzicht, om de hele flikkerse boel vervolgens uit je handen te zien glippen, freewheelend richting het graf.

Als het gaat om freewheelen richting het graf kun je wat mij betreft beter De prullenmand heeft veel plezier aan mij lezen. Thomas Heerma van Voss portretteert in deze bundel achttien Nederlandse schrijvers die hun ‘beste jaren’ ruimschoots achter zich hebben, maar gelukkig valt die term nergens.

De oudgedienden leven bij de dag, wat moeten ze anders? Toekomst hebben ze niet meer en het verleden kunnen ze niet veranderen. Oud worden is geen pretje, maar dat was jong zijn ook al niet. Al te druk maken ze zich niet meer, een enkeling daargelaten. De ijdelheid heeft haar glans verloren.

‘Dat is voorbij, zoals het leven haast./ Maar in alleen zijn is nu rust te vinden./ En dan: ’t had zoveel erger kunnen zijn.’ (J.C. Bloem, De Gelatene.)

Schijngeluk

Ik gun iedereen zijn ‘beste jaren’, maar het lijkt me een leugentje om eigen bestwil. Levensfasen ontstaan pas in de projectie voor- of achterwaarts in de tijd. Beste jaren zijn een illusie en een idealisering. Ze vormen de drogreden voor het schijngeluk dat je tegenwoordig zo massaal in je gezicht krijgt gedrukt via allerlei ongevraagde aanbevelingen voor ‘het goede leven’ en de ononderbroken stroom zelfpromotie op de diverse socials.

‘De beste jaren’ behoren tot het lifestyle-jargon waarmee het dagelijks leven is gekoloniseerd door de commercie en de consument wordt gedegradeerd tot inlander in zijn eigen leven.

Memento mori, zeiden de antieken. Gedenk te sterven. Lekker direct. Ze doelden daarbij juist op degenen die het meest met zichzelf in hun nopjes waren, de mensen tussen de 40 en de 60 waarschijnlijk.

Hoe ouder ik word, hoe minder m’n eigen kop me bevalt. Schedeltje, schedeltje aan de wand... Liever dan naar mezelf kijk ik om me heen. Het geluk is daar waar ik niet ben. In boeken, in films, op schilderijen, in muziek, maar ook op voetbalvelden, in onbekende straten én soms zelfs in de Dapperstraat, op de fiets, in het bos, op het strand, in de stad, in het plezier van mijn kinderen, de liefde, kortom overal waar ik mezelf niet op de voorgrond dring.

Het is er ook in het schrijven, alleen niet als ik er de nadruk op leg, zoals nu. Pas als ik mezelf weet te vergeten, kan ik werkelijk bestaan. Enfin, dat is hier dus mislukt.

Barbara Bleisch: In het midden van het leven – Filosofie van de beste jaren. Uit het Duits vertaald door Ymke van der Staay. Ten Have; 237 pagina’s; € 23,99.

Thomas Heerma van Voss: De prullenbak heeft veel plezier aan mij Schrijversportretten, toen en nu. Das Mag; 192 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next