Home

Wat is de sleutel tot geluk? Train je innerlijke olifant, zegt bestsellerschrijver Jonathan Haidt

Psycholoog Jonathan Haidt is de Henri Bontenbal van zijn vakgebied: in het radicale midden vindt hij het geluk. Wat stelt Haidt zich daarbij voor? In De gelukshypothese zoekt hij het antwoord bij Plato en Boeddha.

Een man met een buikje die op een goud gedekt bed vreugdeloos op lauwe McDonald’s-friet kauwt in het schijnsel van de tv. Vooral dat beeld is me bijgebleven van de film The Apprentice, over het vroege succes van Donald Trump.

De man die alles heeft wat is hij dof, humorloos en ongelukkig!

Waar of niet, de film draagt uit wat we zien in alle fictie over de ultrarijken – Succession, The White Lotus. Geld maakt niet gelukkig. Een waarheid als een koe, die beschavingen overleefde en toch altijd weer wordt vergeten.

Deze en meer eeuwenoude wijsheden over geluk zijn het onderwerp van De gelukshypothese van Jonathan Haidt uit 2006. Nu pas verschijnt het in Nederlandse vertaling, waarschijnlijk omdat de Amerikaanse psycholoog hier de patroonheilige werd van smartphone-vrij opgroeien na zijn bestseller Generatie angststoornis (2024).

Haidt toetst de leer van onder anderen Plato, Jezus en Boeddha aan wetenschappelijke inzichten uit de psychologie. Hij komt vaak tot de conclusie dat die ouwe jongens het behoorlijk bij het rechte eind hadden. Zijn boek is een poging tot een grand theory van geluk door allerlei culturen heen.

Positieve psychologie

Haidt was een leerling van Martin Seligman en je kunt zijn boek ook lezen als een vogelvlucht door de relatief nieuwe ‘positieve psychologie’, waarvan Seligman een grondlegger was. Die heeft floreren boven jezelf uitstijgen tot onderwerp, in tegenstelling tot de traditionele psychologie, die draait om dysfunctie.

In tien hoofdstukken doet de auteur uit de doeken hoe de menselijke geest werkt, individueel, maar ook sociaal en moreel. Daarbij staan steeds de psychologische functies centraal die ons welzijn en geluksgevoel bevorderen. Maar hij laat ook zien hoe onze aard zich op allerlei manieren tegen ons keert.

Het begint al met ons gigantische brein. (Zo gigantisch dat het alleen totaal onaf door een geboortekanaal past, waardoor wij mensen voor het dierenrijk ongekend hulpeloos ter wereld komen.) Dat hoofd dient ons, maar niet elk deel is even goed geëvolueerd. Vooral het talige, ‘rationele’ deel wordt overschat. We denken dat we goed zijn in denken, maar wetenschap wijst erop dat de onbewuste, intuïtieve kant doorslaggevend is bij ongeveer alles wat we doen. Dat deel is een olifant, zo illustreert Haidt het, en ons bewuste, rationele zelf is de berijder, die zijn beest maar ten dele in bedwang heeft.

Geluk ligt in de harmonie tussen beide.

De olifant heeft zo zijn mankementen, is nogal gericht op overleven en produceert bij veel mensen geestestoestanden waarin het niet goed toeven is, pessimisme bijvoorbeeld, negatieve gedachten en angst. Die gedachten kleuren je wereld, wist Shakespeare al: ‘Er is niets goed of fout, doch denken maakt het zo.’

Dat betekent ook, meent Haidt, dat je je beter kunt voelen als je je gedachten verandert. Meditatie is een eeuwenoude methode om dat te bewerkstelligen, maar de moderne mens heeft ook de beschikking over cognitieve gedragstherapie en Prozac. Al die wegen kunnen naar Rome leiden, volgens Haidt (die trouwens zo onkritisch positief is over Prozac, dat je je afvraagt of hij werd gesponsord door de industrie).

Gedachten en emoties aanvaarden

De gelukshypothese is bijna twintig jaar geleden geschreven. Inmiddels gaat de nieuwste generatie cognitieve gedragstherapie minder over het veranderen dan over het aanvaarden van gedachten en emoties, aangezien je er weinig controle over hebt.

Die aanvaarding vindt Haidt ook best belangrijk, trouwens. In navolging van Boeddha en de Romeinse stoa benadrukt hij dat het najagen van geluk, genot, geld en status – een hobby van de olifant – een doodlopende weg is. We trainen de olifant ook door een houding van acceptatie te cultiveren.

Maar hij vult die hypothese van de onbewogen stoa en de onthechte Boeddha wel aan. Ons basisniveau van geluk blijkt behoorlijk genetisch bepaald, maar je kunt wel íéts doen om het te beïnvloeden. Lawaai mijden, bijvoorbeeld, of werkjes zoeken waarvan je in de beroemde flow raakt en jezelf vergeet, want van jezelf vergeten word je gelukkig.

De rest van Haidts hypothesen betreffen dan ook het sociale functioneren dat eigenlijk altijd het onderwerp van zijn werk is. Het interessantst vind ik hem wanneer het gaat over moraal en deugdzaamheid, waarover hij later zijn klassieker The Righteous Mind zou schrijven.

Hij is een ongelovige liberal, zegt hij zelf, maar wel een die de waarde inziet van een zeker conservatisme. Als atheïst moet hij bijvoorbeeld concluderen dat de mens enige spiritualiteit nodig heeft om te floreren. We hebben een aangeboren neiging om het ‘verhevene’ te herkennen en ons erdoor te laten leiden. Dat kan in god zijn, maar ook in de natuur of in kunst. Hij wijst er bovendien op dat geluk in hoge mate afhangt van verbinding en gemeenschap, en dat kan schuren met het sterke autonomie-ideaal dat vaak heerst onder progressievelingen.

Een gezonde maatschappij heeft volgens de psycholoog zowel de sterke sociale cohesie en de morele kaders van conservatieven nodig, als de gelijkheid en vrijzinnigheid van liberalen. In die zin is de wat prekerige Haidt de Henri Bontenbal van zijn vakgebied: in het radicale midden vindt hij zijn heil.

Probeer de geest van je tegenstander te begrijpen, schrijft hij voor, laat je niet verleiden door de mythe van het pure kwaad, en erken dat je beperkt en hypocriet bent en continu wordt misleid door je eigen stampvoetende olifant.

Daar word je niet meteen gelukkiger van, maar wel wijzer.

Jonathan Haidt: De gelukshypothese Oude wijsheid voor moderne tijden. Uit het Engels vertaald door L.C. van Twisk. Ten Have; 336 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next