Home

Nederland is helemaal niet zo verdeeld als we denken, stelt Jan Willem Duyvendak

Nederland is bozer dan nodig is, constateert socioloog en filosoof Jan Willem Duyvendak. ‘In bijna alle gevallen is de feitelijke kloof de afgelopen decennia (veel) kleiner geworden, terwijl de verontwaardiging erover steeds groter werd.’

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over identiteit, polarisatie en extremisme.

Op het bureau van Jan Willem Duyvendak ligt een hoge stapel printpapier: de verkiezingsprogramma’s van de grootste partijen van Nederland. ‘Ik heb mezelf opgelegd om ze allemaal te lezen’, zegt de socioloog, filosoof en ‘distinguished research professor’ aan de Universiteit van Amsterdam. En dat viel hem niet mee: ze doen precies waarvoor hij waarschuwt.

In een nieuw boek laat Duyvendak zien dat sociale verschillen door de politiek, media en wetenschap onterecht worden uitvergroot. De polarisatie is veel minder groot dan we denken, is de kern van zijn essay Spookkloven, dat deze week is verschenen bij uitgeverij Thomas Rap, bij toeval midden in een verkiezingscampagne.

‘Als je het programma van GroenLinks-PvdA leest, denk je dat het land op instorten staat’, zegt hij. ‘Het staat vol met dramatische taal. Het is de politiek eigen om te dramatiseren. Ze willen mensen mobiliseren. Maar ik denk dat het een vergissing is om zo over Nederland te praten, want dan ben je niet nieuwsgierig naar de vraag: hoe komt het dat we zo succesvol zijn geweest?’

Jan Willem Duyvendak (66), een van de bekendste sociologen van Nederland, heeft een lange lijst wetenschappelijke boeken en publicaties geschreven, onder meer over de ‘gewone Nederlander’, nativisme, de multiculturele samenleving en integratie, maar richt zich nu voor het eerst op een breed publiek. Hij stutte zijn boek met harde data en onderzoek, maar probeerde het zo op te schrijven dat ook ‘niet-kwantitatief onderlegde lezers’ het kunnen behappen.

Sinds 2018 geeft Duyvendak leiding aan het prestigieuze Nias, het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, dat is gevestigd in het Oost-Indisch Huis, een oud-VOC-pand in de binnenstad van Amsterdam. In zijn werkkamer, met een fraai uitzicht op de Waalse Kerk en een prachtig hofje, licht Duyvendak zijn tegendraadse boodschap toe.

‘Er zijn maar weinig landen die er wat gelijkheid en sociale voorzieningen betreft beter voorstaan dan Nederland’, zegt hij. ‘Daarmee is Nederland niet af. Daarmee is Nederland nog geen gaaf land. Maar ik denk dat het wel belangrijk is om te constateren waar we staan en wat er gelukt is.’

Emotionele polarisatie

In het essay gaat hij nauwkeurig alle vermeende kloven langs: tussen arm en rijk, hoog- en laagopgeleid, burger en bestuur, stad en land, jong en oud, mannen en vrouwen, mensen met en zonder migratieachtergrond, gelovigen en ongelovigen. Per kloof bekijkt hij hoe groot de feitelijke verschillen zijn, hoe groot mensen dénken dat de verschillen zijn en hoe groot de woede en onvrede is over de vermeende kloof, wat hij de emotionele of affectieve polarisatie noemt.

Telkens concludeert hij dat er een mismatch is: de objectieve verschillen zijn kleiner dan de gepercipieerde verschillen. In bijna alle gevallen is de feitelijke kloof de afgelopen decennia (veel) kleiner geworden, terwijl de verontwaardiging erover steeds groter werd.

Er is maar één uitzondering: wat betreft vermogensongelijkheid, die al vijftien jaar stabiel hoog is, staat Nederland op de vier na hoogste plek in Europa. Maar vreemd genoeg, constateert hij, is er over deze kloof weinig verontwaardiging. Nederlanders zouden het liefst de vermogens- en erfbelasting verlagen, die ze ook nog eens veel te hoog inschatten.

Alle andere kloven zijn volgens Duyvendak spookkloven. ‘Er is op politiek niveau inderdaad sprake van grotere polarisatie dan voorheen’, schrijft hij, ‘maar let wel: niet zozeer van inhoudelijke polarisatie, vooral van ‘affectieve’ polarisatie. De geruststellende boodschap is dus dat die emotionele polarisatie geen werkelijkheid weerspiegelt waarin mensen ook feitelijk zo scherp tegenover elkaar zouden staan.’

Vertekend beeld

Waarom denken we dan dat we nu zo gepolariseerd zijn? Dat hangt samen met de nadrukkelijke rol van emoties in het debat, volgens Duyvendak. ‘De door emoties aangeblazen debatten in de politiek en op sociale media vertekenen ons beeld van de alledaagse werkelijkheid, waarin Nederlanders het over verrassend veel zaken behoorlijk met elkaar eens blijken te zijn.’

Nee, Duyvendak is niet tegen emoties in de politiek. Emancipatiebewegingen hebben sinds de jaren zestig ervaringen en emoties centraal gesteld om hun marginalisering aan te kaarten, denk bijvoorbeeld aan de kreet ‘Black is beautiful’. Deze emoties werkten insluitend, schrijft hij, maar met de opkomst van het populisme werden emoties vaak uitsluitend en negatief ingezet: populisten zijn boos, wraaklustig, gekwetst, afgunstig en hebben heimwee naar vroegere tijden.

Zo zijn we zelf ook steeds bozer geworden, schrijft Duyvendak. ‘We verdragen de resterende verschillen heel slecht’, is een sleutelzin die telkens terugkeert. Door de ‘brede omarming van het gelijkheidsprincipe’, schrijft hij, denken mensen dat sprake is van allerlei kloven: men wil gelijk zijn aan ieder ander, onderscheid wordt steeds minder geaccepteerd en bestaande verschillen moeten wel wijzen op discriminatie en tegenwerking.

Deze dynamiek van sociale bewegingen is vaak onderzocht, zegt Duyvendak. ‘Als mensen heel erg onderdrukt worden, is er geen haar op hun hoofd die eraan denkt om te protesteren. Pas als het wat beter gaat, zie je dat mensen ontzettend boos en mondig worden.’

Integratieparadox

Zo is ook de ‘integratieparadox’ een goed onderzocht fenomeen. Duyvendak: ‘Naarmate het beter gaat met de kinderen van migranten, komen zij meer in aanraking met autochtonen, wat botsingen oplevert. Ze accepteren terecht geen discriminatie meer, terwijl hun ouders al dankbaar waren voor de dingen die ze wél kregen.’

Een ander actueel voorbeeld ziet hij in het debat rond de moord op de 17-jarige Lisa. ‘Dat er nu zoveel protest is, betekent niet dat het onveiliger dan ooit is voor vrouwen op straat. Integendeel, vroeger konden mannen over vrouwen beschikken en was verkrachting binnen het huwelijk niet eens strafbaar. Vergeleken met nog maar enkele decennia geleden is de positie van vrouwen enorm verbeterd. Maar vrouwen accepteren niet meer dat zulk geweld nog voorkomt.’

We zitten in een ‘pijnlijke eindfase’ van de emancipatie, zegt Duyvendak. Elke groep eist gelijkheid op, en krijgt die ook, op den duur. Praktisch geschoolden, het platteland, mensen met een migratieachtergrond, de lhbti-gemeenschap. ‘Zij ervaren meer discriminatie, omdat ze discriminatie minder accepteren.’

Denkt u dat dit boek mensen boos gaat maken, omdat het relativerend is?

‘Ik ben bang van wel. Maar ik hoop dat twee dingen naast elkaar kunnen bestaan. Ik zou willen dat het debat aan de ene kant erkent hoe enorm succesvol we met elkaar zijn geweest op bijna alle terreinen om bijna iedereen omhoog te werken. En tegelijkertijd zijn er nog verschillen. Daar moet je het over hebben.’

In de juiste proportie?

‘Ja, overdrijven en overschatten is niet effectief. Neem de toeslagenaffaire. Het is heel goed dat daar veel aandacht voor is. Zo’n discriminerend algoritme is verschrikkelijk. Maar als gevolg van de aandacht voor dit blunderende overheidsoptreden ervaren veel mensen een grote kloof tussen hen en de overheid. Zo is het vertrouwen in de overheid recentelijk gedaald, juist onder mensen die het meest afhankelijk zijn van de verzorgingsstaat.

‘Er is een beeld ontstaan dat er een kloof is tussen de ‘systeemwereld’ van de overheid en de ‘leefwereld’ van de burger. Terwijl die twee totaal verknoopt zijn in Nederland. Empirisch gesproken is de kloof tussen beide nog nooit zo klein geweest, met een overheid die streeft naar ‘maatwerk’ en ‘nabijheid’, en die zelfs tot aan de keukentafel komt.

‘In de kritiek op de overheid slaan sommigen door. Ik zou zeggen: godzijdank wonen we in een land met toeslagen en een sociaal vangnet.’

Is de kloof voor journalisten, politici en wetenschappers een te aanlokkelijk verhaal?

‘Dat denk ik wel. Het past bij hun rol dat zij opkomen voor zwakkeren en aandacht vragen voor problemen. Aandacht voor onderzoek wordt sneller gewekt met grote woorden en dreigende taal, dan met relativering en rustige argumenten. Veel wetenschappers zijn alarmistisch, ook bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. ‘Mensen die het goed hebben en theoretisch zijn opgeleid, zijn geneigd om neer te kijken op mensen die zich in een minder bevoorrechte positie bevinden’, zei SCP-directeur Karin van Oudenhoven deze zomer in haar oratie.

‘Maar is dat wel zo? Hoogleraar Will Tiemeijer liet in een artikel zien dat de data er niet op wijzen dat theoretisch geschoolden neerkijken op praktisch geschoolden. Ik vind het ernstig dat een SCP-directeur dat dan zomaar zegt, terwijl dit niet blijkt uit haar eigen SCP-onderzoek. Ik verbaas me erover hoe vaak dat verhaal wordt herhaald in de wetenschap.’

Maar opleiding speelt wel een bepalende rol in verschillen van opvatting, schrijft u. Bijvoorbeeld over immigratie. En bij zulke kwesties blijkt uit SCP-onderzoek wel weer dat mensen negatief denken over anderen met een afwijkende mening.

‘Bij verschillen van opvattingen is de rol van opleidingsniveau inderdaad groter geworden, maar dat komt ook doordat factoren die vroeger tot politieke meningsverschillen leidden, zoals gender, generatie of woonplaats, minder relevant zijn geworden voor onze opinievorming. En mensen hechten inderdaad erg aan hun eigen gelijk.’

Zijn hoog- en laagopgeleiden dan niet meer in gescheiden werelden gaan leven?

‘Er komt nu een herziene versie van het boek Diplomademocratie van Mark Bovens, de emeritus hoogleraar bestuurskunde. In een recent interview in het FD zei hij dat de kloof tussen theoretisch en praktisch geschoolden de afgelopen tien jaar alleen maar groter is geworden. Terwijl er empirisch geen enkele aanleiding is om dat te concluderen. Feitelijk is er een daling in de opleidingssegregatie in Nederland tussen 2009 en 2020, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

‘Het is eerder andersom, denk ik: de waardering voor praktisch geschoolden is gestaag gegroeid, vandaar ook die nieuwe termen theoretisch en praktisch geschoold. Hoogopgeleiden ervaren ondertussen een schuldgevoel over hun vermeende dominantie. De elite is door populisten enorm onder vuur genomen. De partijprogramma’s staan vol van kritiek op de hoogopgeleide elite en een bewieroking van de gewone, hardwerkende Nederlander, van links tot rechts. Niemand neemt het op voor hoogopgeleide mensen. Het is fascinerend.’

Terwijl theoretisch geschoolden een steeds grotere groep vormen.

‘Ja. In de jaren vijftig van de vorige eeuw had 40 procent van de Tweede Kamerleden een hogere opleiding. Nu heeft 80 procent van hen een hogere opleiding. Mark Bovens zegt daarom dat we in een diplomademocratie leven waarin lager opgeleiden sterk ondervertegenwoordigd zijn.

‘Maar in de jaren vijftig had hoogstens 4 procent van de bevolking een hogere opleiding genoten. Er was dus sprake van een oververtegenwoordiging met minstens een factor 10. Terwijl het aandeel hogeropgeleiden nu rond de 40 procent ligt. Dat betekent dat hun oververtegenwoordiging nog slechts factor 2 bedraagt: het relatieve belang van een hogere opleiding is dus niet toe- maar drastisch afgenomen.’

Is dat niet intimiderend voor de praktisch geschoolden, dat zij een steeds kleiner deel van de bevolking vormen tegenover een dominante en grote groep theoretisch geschoolden?

‘Dat hangt ervan af van hoe de groep theoretisch geschoolden zich gedraagt. Aangezien daar enige schaamte is ontstaan ten opzichte van het slecht behandelen van praktisch geschoolden in het verleden, denk ik dat het meevalt. Uit SCP-onderzoek blijkt dat hogeropgeleiden overwegend neutraal staan tegenover lageropgeleiden. Gemiddeld zijn de gevoelens van hogeropgeleiden voor lageropgeleiden slechts 3,5 graad koeler – op een schaal van 100 – dan voor de eigen groep.’

Maar hogeropgeleiden trouwen wel steeds meer met elkaar.

‘Dat is een demografische ontwikkeling. Vroeger konden hoogopgeleiden moeilijker met andere hogeropgeleiden trouwen, want er was nu eenmaal een veel kleinere groep hoogopgeleiden. En daar speelde sekse ook nog mee. Directeuren trouwden vroeger wel met hun secretaresses. Dat lijkt me vooral een uiting van ongelijkheid, toch? Dat hoogopgeleide mannen nu met hoogopgeleide vrouwen trouwen is een teken van emancipatie. En daar zou ik niet van zeggen: schande dat ze binnen hun eigen groep trouwen. Ik zie daar geen afkeer van de andere groep in.’

Een oververtegenwoordiging van theoretisch geschoolden kan ertoe leiden dat beleidsmakers niet goed aan de belangen en leefwereld van praktisch geschoolden denken. Zo krijgen zij het gevoel dat zij ‘niet aan de knoppen zitten’.

‘Ik vind het een enge vorm van identiteitspolitiek dat je alleen maar zou kunnen denken vanuit je eigen positie en ook alleen maar kunt opkomen voor je eigen groep.’

Dat kan onbewust gebeuren, toch?

‘Ja, het is goed om daar scherp op te zijn. Maar dat er onder ambtenaren veel mensen zijn met een hogere opleiding lijkt me zeer gewenst. Want het is best ingewikkeld om zo’n verzorgingsstaat met elkaar draaiend te houden. Het lijkt me ook wenselijk dat er veel theoretisch geschoolden zijn in de Tweede Kamer, omdat het Kamerwerk niet eenvoudig is. We hebben gezien dat sommige mensen met een lagere opleiding niet makkelijk konden meekomen. Bij de PVV-fractie is dat een enorm probleem. Die mevrouw van de poffertjeskraam heeft bijna nooit het woord gevoerd.’

Hij pauzeert even. ‘Misschien moet ik het anders formuleren. Het is belangrijk dat het parlement op allerlei manieren een afspiegeling is van de samenleving: sekse, etniciteit en ook opleiding. Maar niet vanuit het idee dat mensen alleen maar voor zichzelf op kunnen komen, en alleen maar beleid ontwikkelen waarvan ze zelf beter worden. Dat is bijvoorbeeld in het BBB-programma heel erg de suggestie. Maar dat lijkt me een te platte opvatting van politiek.’

Het boek van Duyvendak eindigt met de oproep om emoties minder centraal te stellen in de politiek. Dit is in tegenspraak met twee recente boeken van oud-campagnestrategen, Bas Erlings van de VVD en Roy Kramer van D66, die beiden grofweg zeggen: de enige manier om van populisten te winnen is om een veel simpelere, emotionele boodschap te hanteren. Ze pleiten juist voor méér polarisatie.

Is uw oproep geen verloren gevecht?

‘Ten eerste, niet alle polarisatie is slecht. Polarisatie leidt ertoe dat de kiezer wat te kiezen heeft. En ook niet alle emoties zijn slecht, het boek is geen emotie-bashing. Hoop is ook een emotie. Denk aan de Obama-achtige slogan van D66: ‘Het kan wel’. Ik verzet me vooral tegen emoties die uitsluitend werken.

‘Mijn zorg is dat emoties en ervaringen argumenten en feiten vervangen, dat zien we nu al. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de claim dat er een asielcrisis is omdat mensen die ervaren. Dus het maakt niet meer uit hoeveel asielzoekers er binnenkomen en om welke geopolitieke redenen die aantallen schommelen. Het gaat er alleen maar om de veronderstelde emoties van de bevolking een-op-een te vertalen naar beleid. Ik denk dat dat heel gevaarlijk is. Je kunt geen effectief beleid maken als het niet op feiten gestoeld is. Dat hebben we kunnen zien bij dit kabinet. Als de emotie regeert, worden problemen niet opgelost.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next