Home

Immigratie en integratie kunnen heel goed samengaan

Migratie In een opiniestuk in NRC betoogde migratie-onderzoeker Steije Hofhuis vorige week dat succesvolle integratie alleen kan met respect voor de gevestigde bevolking. U reageert.

Afgelopen zaterdag betoogde Steije Hofhuis in deze krant dat immigratie en culturele diversiteit op zich geen probleem hoeft te betekenen, maar dat dat niet ten koste mag gaan van de eigen (Nederlandse) cultuur en identiteit (20/09). Anders gezegd, hoe kunnen immigratie en sociale cohesie samen gaan?

Volgens hem hadden stedelijke autoriteiten in de Gouden Eeuw, toen de steden in het westen van het huidige Nederland aanzienlijke aantallen immigranten binnen hun poorten kregen (vaak geworven door diezelfde gezagsdragers), dat beter door dan nu. In zekere zin is dat een juiste constatering, die Jan Lucassen en ik in ons boek Vijf Eeuwen Migratie (2018) ook maken.

De radicale ommezwaai naar het calvinisme aan het einde van de 16e eeuw betekende dat aanhangers van andere religies, zowel inboorlingen als immigranten, een toontje lager moesten zingen. Volgens Hofhuis heeft die politiek voorkomen dat (intolerante) minderheden al te assertief konden worden en zo de staatkundige eenheid ondermijnen. Zijn bewijs hiervoor is echter flinterdun.

Om te beginnen waren het juist calvinistische immigranten uit het huidige België en Frankrijk die de nieuwe staatsreligie radicaliseerden. Daarnaast is het merkwaardig om de structurele discriminatie van joden, die tot 1796 van het burgerschap werden uitgesloten, als verstandig beleid te kwalificeren. Voor zijn bewering dat joden pas een synagoge mochten bouwen bij bewezen goed gedrag en dat lutheranen in toom gehouden moesten worden, ontbreekt ieder historisch bewijs.

Dat geldt ook voor de suggestie dat joden erop uit waren de staatkundige eenheid te ondermijnen. Het door antisemitisme ingegeven tweederangs burgerschap leidde juist tot minderheidsvorming, die na de gelijkberechtiging in 1796 pas in de loop van de negentiende eeuw heel langzaam oploste. Met een dergelijke redenering zou je Wilders’ roep om de burgerrechten van moslims in te perken moeten toejuichen. Integratiepolitiek (joden uitgezonderd) was er wel degelijk, via de kerken en de gilden.

Het gewelddadig, pogromachtig geweld tegen Italiaanse, Ierse en Duitse migranten in de 19e en 20e eeuw plaatst Hofhuis in hetzelfde merkwaardige licht. Aan de hand van voorbeelden uit mijn boek The Immigrant Threat (2005), concludeert hij dat „samenlevingen migranten spijkerhard hun plek toonden” en zo de sociale cohesie in stand hielden. Die laatste claim wordt nergens gestaafd en strookt ook niet met de diepgaande studies (zoals Le Creuset français) van de Franse migratiehistoricus Gérard Noiriel. Hij constateert op de lange termijn integratie plaatsvond, ondanks de ernstige xenofobe incidenten die tientallen Italianen de dood hebben gekost en ondanks de Dreyfus affaire die het antisemitisme tegen Franse joden opstuwde.

Ook bij zijn interpretatie van de Amerikaanse immigratierestricties onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog ontbreekt de racistische context waarin die wetten tot stand kwamen. Zo rechtvaardigden Amerikaanse politici en journalisten het uitsluiten van Zuid- en Oost-Europeanen op grond van het idee dat het Nordic race (mensen met wortels in Noord-West Europa) op uitsterven stond. Migranten uit Noord-West Europa waren nog steeds welkom, maar raciaal inferieure (joodse) Oost-Europeanen en Italianen dienden geweerd.

Dat hij deze vroege vorm van omvolkingsdenken niet onderkent, komt voort uit zijn overtuiging dat veel migranten een bedreiging vormen voor de culturele identiteit van ontvangende samenlevingen. De inboorlingen (overigens deels kinderen van migranten) moeten zich daarom tegen inbreuken daarop verweren. Voor de stelling dat nieuwkomers „vaak kijken hoe ver ze kunnen gaan” levert hij nauwelijks bewijs. En hij negeert het feit dat de sociale en culturele integratie van hedendaagse nakomelingen van immigranten, inclusief moslims, veel sneller verloopt dan vaak gedacht, zoals onder meer blijkt uit het sterk gestegen onderwijsniveau van de tweede generatie. En ook dat er een normatief inburgeringsbeleid bestaat. Tot slot laat de opkomst van extreem en xenofobisch rechts zien dat het juist degenen zijn die zich als beschermers van de eigen identiteit opwerpen een wezenlijke bedreiging vormen voor de zo gekoesterde waarden als (gender-)gelijkheid en democratie, zoals afgelopen zaterdag in Den Haag weer eens duidelijk werd.

Waar dit in kan uitmonden laat de situatie in de Verenigde Staten zien, met door Trumps MAGA-beweging aangestuurde, vaak onwettelijke, razzia’s door gemaskerde ICE-agenten op iedereen die er Zuid-Amerikaans uitziet. Dat is geen gevolg van onvrede over criminele immigranten, maar onderdeel van een antidemocratische agenda met migranten als zondebok.

Hofhuis toont zich blind voor de structurele oorzaken van het onbehagen van veel burgers, die voor een belangrijk deel voortkomen uit sociale ongelijkheid en een terugtredende overheid. Ontwikkelingen die het gevolg zijn van een halve eeuw neo-liberaal beleid dat zoveel mogelijk aan de (geglobaliseerde) markt overlaat. Politici die daar enthousiast in mee zijn gegaan komt het nu bijzonder goed uit migranten aan te wijzen als de oorzaak van woningnood, criminaliteit, en de teloorgang van ‘thuisgevoel’.

Immigratie, integratie en sociale cohesie kunnen heel goed samengaan, zeker op de lange termijn, zoals we ook laten zien in ons boek Migratie als DNA van Amsterdam (2022). Als Hofhuis het tegendeel meent te kunnen bewijzen met historische gegevens zal hij zijn huiswerk veel grondiger moeten doen.

Leo Lucassen is directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Jan Lucassen is emeritus hoogleraar internationale en comparatieve sociale geschiedenis aan de VU 

Land van herkomstDe band blijft altijd bestaan

In zijn artikel over integratie laat Steije Hofhuis naar mijn mening een belangrijk aspect buiten beschouwing: de blijvende band met het land van herkomst.

Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw betekende emigreren het grotendeels doorsnijden van de banden met familie en geboorteland. Er was alleen de langzame post voor incidenteel contact. Telefoneren was veel te duur. Familieleden van mijn grootouders die naar Michigan waren geëmigreerd, zijn bijvoorbeeld maar één keer op bezoek gekomen – rond 1970. Na dit bezoek werden er nog maar een paar brieven naar elkaar verstuurd.

Met de komst van de gastarbeiders uit niet zo verre landen veranderde er al veel: men was hier maar tijdelijk (dacht men) en ging elke zomer (Marokkanen, Turken) of winter (Italianen) voor een paar maanden terug naar het land van herkomst. De banden werden nooit doorgesneden. Later nog veel minder: antenneschotels en het internet maakten het mogelijk om op afstand toch volledig te leven volgens de gewoontes en regels van het vaderland. Denk aan de Turken in Poelenburg (Zaandam) die zich aan de van de Nederlandse regels afwijkende Turkse coronaregels hielden.

Denk ook aan ‘de lange arm’ van Rabat, Ankara, Beijing en Asmara, die op hun (voormalige) inwoners enorme mentale en morele druk uitoefenen.

Kortom, was integratie tot diep in de twintigste eeuw een vanzelfsprekendheid, zelfs noodzaak, omdat het geboorteland veel te ver weg was, nu lijkt dat eerder een optie te zijn: het geboorteland is immers de hele dag binnen bereik.

Marcel van Kampenhout Zaandam

Nederlandse cultuurDe teloorgang is niet te wijten aan immigratie

Kennelijk is Steije Hofhuis, in zijn opiniebijdrage van zaterdag, beducht voor de teloorgang van de Nederlandse cultuur. Als gevolg van overmatige immigratie, waarbij „omvang en samenstelling van immigratie” ter discussie moeten staan. En er meer aandacht moet zijn voor culturele Nederlandse gemeenschappelijkheid.

Alsof de teloorgang van de Nederlandse cultuur te wijten is aan immigratie. Dat die teloorgang er is, zie en ervaar ik als bijna-tachtigjarige dagelijks.

Na de oorlog werd, gedurende een lange periode, de Nederlandse samenleving gekenmerkt door waarden als verdraagzaamheid en solidariteit. Niet in de laatste plaats door de verbanden waarvan in die periode sprake was. En ook in wetgeving en in de opbouw van de verzorgingsstaat waren deze waarden uitgangspunt. Vanaf de jaren tachtig en negentig is de afbraak hiervan echter begonnen – door doelbewust ingezet neo-liberaal beleid. De VVD was bij uitstek de partij die dit in praktijk bracht.

Op dit moment bestaat in mijn beleving de Nederlandse cultuur van de vorige eeuw niet meer. Essentiële waarden zijn bij het grofvuil gezet. Niet door immigratie, maar door doelbewust politiek beleid. Immigranten als zondebok; het is een eeuwenoud mechanisme.

Bert de Gans Diepenveen

WoningenSlecht beleid zorgt voor eenzaamheid

Met veel belangstelling en enige instemming heb ik de bijdrage van Steije Hofhuis. Toch wil ik nog wat verduidelijking toevoegen.

Door slecht beleid in de woningbouw hebben we onze vluchtelingen weggestopt in wijken ver van de stadscentra. Goed voor de integratie? Vergeet het maar.

Want, wanneer hebt u voor het laatst een eenzame Afghaan te eten uitgenodigd? Wanneer hebt u Syriërs geholpen met taalproblemen? Groet u elkaar op straat? Mogen uw en hun kinderen bij elkaar thuis spelen? Waarom krijgen allochtone kinderen stelselmatig slechtere schooladviezen voor hun toekomst? Waarom zorgen we er niet voor dat kinderen ook thuis met hun ouders Nederlands kunnen spreken, voorgelezen kunnen worden in het Nederlands? Taal opent immers alle deuren.

In het rechtser wordende Nederland van nu ziet het er somber uit. Maar er is hoop. Als wij allen, goedwillend als we zijn, onze schouders zetten onder verbinding in plaats van verdere segregatie en polarisatie, moet het ons toch opnieuw lukken onze cultuur uit te dragen én te verbreden

Christiaan van der Eijk Amsterdam

TaalNederlands wordt gezien als wegwerptaal

Steije Hofhuis pleit voor meer nadruk op de Nederlandse cultuur en taal. Onze taal is hier hét bindmiddel, want de meest gesproken en best begrepen en dus meest ‘democratische’ taal.

Toch zien veel landgenoten ze als uitwisselbare wegwerptaal. Progressief betekent internationaal, betekent enkel Engels, zo lijkt de idee. Wereldeenheidsworst. Onze universiteiten dulden het Nederlands nog, maar verengelsen om buitenlandse studenten te trekken. ‘Inclusief’ hoewel de onderwijsinspectie ziet dat Engels een hinderpaal is voor Nederlandse jongeren, met name die uit kansarme gezinnen, onder wie die van buitenlandse komaf. En dat bijvoorbeeld ‘Wageningen Universiteit’ bewust een krom-Nederlandse naam voert, getuigt niet van taalliefde. De Engelse is uiteraard wél correct.

Vakgroepen taalkunde kunnen u haarfijn de voordelen van meertaligheid uitleggen, maar dragen zelf vaak een enkel Engelse naam. Niets tegen het Engels voor internationaal gebruik, maar hier moet hét bindmiddel Nederlands altijd voorrang krijgen. Wie dat nationalistisch vindt, bedenk dat het Engels nu dé wereldtaal is dankzij Brits en Amerikaans nationalisme en imperialisme – slavernij inbegrepen – op een schaal die zelfs ónze koloniale zonden in de schaduw stelt.

Hoeveel talen zijn er al niet door het Engels verdrongen? Wie het Nederlands niet eert, is het Engels niet weerd.

F. Bakker Nijmegen

GeschiedschrijvingWat is de Nederlandse cultuur?

Steije Hofhuis houdt afgelopen weekend een pleidooi voor de Nederlandse cultuur en aanpassing daaraan door migranten. Wat is die cultuur? Hofhuis somt algemeenheden op: „taal, bepaalde vrijheden, rechten, symbolen, tradities, normen en waarden, en historische ervaringen”. Akkoord, de taal is duidelijk. Maar aan welke vrijheden, rechten, symbolen, tradities, normen, waarden en historische ervaringen denkt Hofhuis? Lastig aanpassen zo.

‘Historische ervaringen’ is sowieso een verwarrend element. Wiens ervaringen? En van wanneer? Hofhuis lijkt ‘Indische’ migranten als een migrantengroep met ‘positieve ervaring’ te zien.

Onder hen waren drie van mijn grootouders. Toegegeven, de aanpassing is afgedwongen. Maar aan aanpassing ging de migratie vooraf: men sprak Nederlands bij aankomst en had Nederlands koloniaal onderwijs gevolgd. Desondanks tonen archieven en historiografie dat de ‘historische ervaringen’ verre van uitsluitend positief waren: niet voor Indo’s, noch voor Nederlanders.

Hofhuis verwijt Leo Lucassen en Hein de Haas in het stuk te rooskleurige interpretaties over migratie en stelt later dat de „eenzijdige focus op de schaduwzijden” van de geschiedenis niet helpt „om een samenleving overeind te houden”. Frappant. De grotere focus op schaduwzijden volgt immers op een eeuwenlange, eenzijdige, nationalistische en rooskleurige geschiedschrijving. Geschiedschrijving hoeft de natie gelukkig niet, zoals in de negentiende eeuw, te vormen.

Dat de Nederlandse cultuur wel positieve eigenschappen zal bezitten omdat we een populaire migrantenbestemming zijn, is een valse causaliteit. Zonder de Nederlandse cultuur te kunnen omschrijven verbeeldt Hofhuis zich dat mensen Nederland er op afstand om uitkiezen.

Hopelijk kan Hofhuis ons alsnog verlichten. Want ik ben benieuwd. Wat is de Nederlandse cultuur?

Merijn Super Amsterdam

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Source: NRC

Previous

Next