Loskomen van Big Tech Hoe kun je als burger je digitale afhankelijkheid van Big Tech verminderen? Zijn de Europese alternatieven al een goede optie? Marloes de Koning ging een gewaagd experiment aan.
Een kabeltje van mijn externe harde schijf is zoek. Waarschijnlijk al een paar jaar, maar dat had ik niet door. Want de harde schijf, een ‘Lacie’ van 300 GB die ongeveer een kilo weegt, hoort bij een vorige fase van mijn leven. Vroeger maakte ik eens in de zoveel tijd (nooit vaak genoeg) een back-up van al mijn documenten. Toen sjouwde ik ook geregeld een aparte tas mee, met een redelijk professionele camera met losse lenzen. De harde schijf opdiepen uit een kast in de schuur voelt als het afstoffen van een papieren fotoalbum. Dat doe je uit nostalgie, niet uit noodzaak.
Ik doe het toch, omdat er iets knaagt. Voor NRC schrijf ik over technologie. Mijn artikelen gaan vaak over de grote buitenlandse bedrijven die ons digitale leven domineren. Over de afhankelijkheid in Europa van de Amerikaanse cloud en van Chinese en Amerikaanse socialemediaplatformen. Over profileren van gebruikers en verhandelen van data. Die verhalen passen in een klassiek narratief. Dat van de grote boze bedrijven versus onschuldige burgers.
Maar dat klopt niet helemaal met hoe het bij mij verliep. Ik deed het allemaal zelf. Want ik houd helemaal niet van zware cameratassen en harde schijven. Eigenlijk sowieso niet zo van kabels en computers. Ik heb me gewillig laten verleiden door alle zalige draadloze alternatieven, die naadloos samenwerken.
Mijn foto’s gaan al jaren vanzelf naar de iCloud. Vrijwel al mijn documenten staan via het softwarepakket van mijn werk in OneDrive van Microsoft. En een groot deel van mijn contacten staat verspreid over Outlook, Gmail en WhatsApp. Dat werkt allemaal uitstekend.
Ik heb nooit bewust besloten te stoppen met in eigen beheer houden van mijn gegevens. Het was een proces. Met tal van in haast genomen deelbeslissingen, die ik me amper kan heugen. Hooguit herinner ik me het moment waarop ik besloot te gaan betalen voor extra iCloud-opslag. Dat gebeurde een jaar of zes geleden met één druk op de knop, toen de opslag van mijn iPhone vol zat en ik bang was babyfoto’s te moeten wissen. Uitzoeken hoe ik mijn foto’s op een andere opslag kon krijgen, vereiste even studie en ik vond blijkbaar dat ik die tijd niet had.
Nu rommel ik door schuur en bakken op zoek naar een stroomkabel (C7 geaard) om de Lacie weer op te starten. Want ik heb tegen mezelf gezegd dat het maar eens afgelopen moet zijn met die gemakzucht. Ik moet niet schrijven over het belang van Europese digitale soevereiniteit en privacy en tegelijk zelf steeds verder die Amerikaanse digitale fuik in zwemmen. Kan ik nog terug, en kiezen voor Europese alternatieven die mijn privacy respecteren?
Ik ga op zoek naar een nieuwe telefoon ter vervanging van mijn iPhone SE, die bijna op is. Het wordt de Fairphone 6, omdat je die kunt bestellen in een ‘ont-googelde’ variant. Hij draait dan op het opensourcebesturingssysteem eOS van Murena. En dus niet op iOS (van Apple) of Android (van Google), de twee dominante systemen op smartphones. Die hebben hun eigen appwinkels (de App Store en Google Play Store), waarmee ze goed verdienen en waar app-ontwikkelaars vrijwel niet omheen kunnen.
Het voelt als een grote stap, en tegelijk alsof mijn poging al strandt voor ik ben begonnen. Want hoewel de Fairphone in Nederland is bedacht en vanuit Nederland wordt verkocht, is er verder niet zoveel Europees aan. Hij is in Azië in elkaar gezet, met Aziatische en Amerikaanse onderdelen. De Fairphone is wel duurzamer dan de meeste andere smartphones, vooral doordat het gemakkelijk is onderdelen te vervangen, wat de levensduur verlengt. Mooie bijvangst, maar daar ging het me nu niet om.
Vrienden denken dat ik dit doe om mijn schermtijd te verminderen. Maar ik ben niet uit op een digitale detox. Sterker, ik ben er bang voor. Ik wil graag minder afhankelijk worden van de grote Amerikaanse techbedrijven, maar als het even kan met behoud van alle comfort en afleiding die de apps op mijn telefoon me bieden. Wat als straks niets meer werkt?
Het is een beetje als een vegaburger bestellen terwijl je eigenlijk een Big Mac wilt, zegt een vriendin meelevend. Als je iets belangrijk vindt, moet je er misschien wat voor laten. (Of beter leren koken.)
In de maanden voor ik een telefoon met opensourcesysteem kocht, leek het alsof ik excuses zocht om dat niet te doen. Dan zat ik weer te googelen naar ‘bewijs’ dat de camera slecht is op een ‘ontgoogelde’ telefoon. Of dat de apps van banken en DigiD niet meer zouden werken zonder iOS of Android. Soms klopt dat, maar de online forums staan ook vol mogelijke oplossingen. Daar moet je wel tijd voor uittrekken en zin in maken.
Mogelijk romantiseer ik de begintijd van het internet, maar er was een kort tijdsgewricht waarin de spelregels online nog niet louter door commercie werden gedicteerd. Techneuten spraken onderling standaarden af, waardoor een soort Esperanto voor de virtuele wereld ontstond. Dankzij die afspraken is het nog steeds zo dat e-mailservers dezelfde taal spreken. En webpagina’s in verschillende browsers kunnen worden geladen. Iedereen wordt daar beter van.
Toch is de praktijk dat ons digitale leven sindsdien sterk verzuild is geraakt. Door identiteitskeuzes – ik wilde ooit ook alleen met een Apple gezien worden – en door smerige trucs, zoals koppelverkoop; wie Windows afnam, moest vroeger ook de browser van Microsoft afnemen. Als je eenmaal in de Microsoftzuil bent geraakt, kost het behoorlijk wat moeite daar weer uit te raken. Google en Apple: hetzelfde verhaal.
Overstappen is een ingrijpende keuze, die gepaard gaat met stress over verlies van data, en applicaties die net niet meer helemaal met elkaar praten. Dat voelt onvrij. Zoals ik me een beetje de gevangene van iCloud voel, zolang ik mijn foto’s niet veilig elders heb ondergebracht.
De geest van die idealistische beginfase van het internet leeft nog in de opensourcegemeenschap. De code die programmeurs schrijven, wordt gratis gedeeld. Daardoor kunnen anderen hem testen en verbeteren, en er op verder bouwen.
Open source is per definitie mondiaal en draait om internationaal delen en kennis uitwisselen. Het is dus niet beperkt tot ‘Europees’. Maar open source vormt wel deel van het antwoord als er in Europa een techindustrie moet groeien die een serieus alternatief vormt voor de machtige Amerikaanse bedrijven. Los van elkaar zijn de vele kleine Europese cloudaanbieders en softwarebouwers geen partij voor Google of Microsoft. Maar als ze ervoor zorgen dat hun producten dezelfde open standaarden gebruiken en je ze dus goed kunt combineren, ontstaat synergie. En een rijk palet aan smaken. Dan wordt het leuk. Het is een beetje zoals de EU zelf. Maar als niemand die producten koopt, komt het nooit van de grond.
Uiteindelijk geeft een opmerking van mijn man het laatste zetje. Op 5 juli zegt hij ’s avonds ten overstaan van vrienden tegen me: jij bent helemaal niet principieel genoeg voor een opensourcetelefoon. De dag daarna heb ik hem besteld. En nu moet ik eraan.
De dagen daarna groeit lichte paniek. Het is niet voor niets dat ik me heb laten verleiden door de ‘Big Tech Big Mac’. Ik houd helemaal niet van techniek. Ik heb intens respect voor bèta’s, maar dat komt vooral doordat ze echt andere dingen kunnen dan ik. Een opmerking van een deskundige die ik geregeld bel, schiet door mijn hoofd. Volgens hem haten de meeste ambtenaren die strategische ict-beslissingen voor ons land moeten nemen kabels en computers. Dat snap ik helemaal.
De eerste kennismaking met mijn nieuwe telefoon valt mee. Ik stop mijn simkaart erin en kan bellen. Hij is lekker licht en de kwaliteit van de camera is prima. Een aantal apps is vooraf geïnstalleerd en doordat de icoontjes een beetje lijken op die van Android en Apple, grijp ik instinctief naar de juiste. Dat geldt ook voor de alternatieve app-store, de App Lounge.
Ik begin vol optimisme aan de inrichting van mijn smartphone en grijp het momentum aan voor een grondige schoonmaak. Heus niet alle ruim tweehonderd apps hoeven mee te verhuizen. Maar ik leer ook al snel dat ik niet moet denken dat ik mijn telefoon geheel Microsoft- en Google-vrij kan houden.
Bij iedere app die ik wil downloaden, krijg ik van de App Lounge een privacy-score en analyse. Die is heel leerzaam, maar ook confronterend. Want nu ik die telefoon eenmaal heb, wil ik hem niet vervuilen met software die ongevraagd dingen over me deelt. Maar het is heus niet zo dat alle Amerikaanse apps slecht scoren en alle Europese geweldig. Zet ik Marktplaats erop (privacyscore nul op een schaal van tien, slechter dan gedacht), Buienradar (nul), Netflix ( acht) en LinkedIn (nul)?
Voor vrijwel iedere toepassing die ik tot nu toe van een Amerikaans bedrijf gebruik, blijkt wel een alternatief te bestaan. Hartstikke leuk. Delta Chat bijvoorbeeld, om te chatten. Maar met wie? Ik ken niemand die het gebruikt. Of Threema uit Duitsland. Een groot deel van mijn contacten heeft inmiddels Signal, maar lang niet allemaal. Al op dag drie download ik ook WhatsApp (van Meta), om een speelafspraakje te kunnen regelen, omdat het me niet lukt op tijd op het schoolplein te staan.
Twee weken lang accepteer ik dat ik vergaderingen mis, omdat ik lekker alleen digitaal autonoom zit te zijn in de trein als die beginnen. Dan installeer ik Teams (privacyscore nul). „Alsof je cola overgiet in een duurzame fles”, zegt een collega begrijpend als ik mijn teleurstelling deel. Mijn NRC-mail binnenhalen via een alternatieve app stuit op een resoluut ‘nee’ van ict-beheer. De collega’s daar vinden mijn experiment sympathiek en denken veel mee. Wat ik privé doe, moet ik helemaal zelf weten, maar de werkmail moet gewoon via Microsoft, want dat vinden ze veiliger. Weer een Big Tech-app erbij.
Ik verantwoord die downloads in mijn hoofd met zinnen die ik mensen uit de Europese techsector voortdurend hoor gebruiken als ze inkopers proberen over te halen ook eens iets Europees te proberen: je hoeft niet gelijk alle banden met die mooie Amerikaanse producten door te snijden. Het gaat erom dat je alternatieven hebt, risico’s spreidt, niet volledig afhankelijk bent. Een beetje zoals berichtenapps WhatsApp en Signal al jaren naast elkaar bestaan op mijn telefoon.
Mijn grootste worsteling is met de apps van Google. Die scoren meestal een nul op de privacyschaal, en zijn zeker niet Europees, maar wel verdraaid lekker in het gebruik.
Ik test alternatieven voor Google Maps. HereWeGo, MagicEarth, Waze, OsmAnd. Sommige zijn redelijk, maar Google Maps weet de weg gewoon wat beter. Met OsmAnd zou ik het zeilkamp waar ik een kind moest halen, nooit gevonden hebben. Van het computerstemmetje in HereWeGo krijg ik de slappe lach. Het is bijna onverstaanbaar. Bovendien wekken de privacyvoorwaarden ook weinig vertrouwen. Ik slik wat weg en druk op de downloadknop voor Google Maps. Het vertrouwde icoontje verschijnt op mijn scherm. Maar de app werkt niet. Met Chat-GPT gebeurt hetzelfde. Het wordt de eerste vakantie waarin we de telefoon van mijn man gebruiken om te navigeren.
Zo strand ik ook op zoek naar een alternatief voor de Chrome Cast, het apparaatje waarmee we thuis beeld streamen en dat we bedienen via een koppeling aan een Google-account. Er bestaan alternatieven, maar weinig aantrekkelijk. En dan moet de rest van het huishouden ook mee doen. Voorlopig bedien ik de Chrome Cast via mijn oude iPhone, die daarmee is gedegradeerd tot een soort afstandsbediening.
Het geklungel maakt me een tikje mismoedig. Waarom wil ik dit ook alweer? Het moet door mijn opvoeding komen, concludeer ik als ik het een vriendin uit probeer te leggen. Mijn vader handelde in klassieke Volvo’s en sleutelt daar ook voortdurend aan. Hij verafschuwt moderne auto’s, omdat het een soort rijdende computers zijn, die je alleen met gespecialiseerde apparatuur kunt repareren. Dat idee, dat de mens de machine moet begrijpen om hem de baas te zijn, zit diep bij mij. En daarin ben ik laks geworden. Ik voel me afhankelijk, helemaal niet de baas.
Elke dag laad ik ook de oude iPhone nog op. En ik blijf als de dood voor het doorknippen van de navelstreng met de iCloud, waar 143 GB aan foto’s blijkt te staan. De oudste uit 2013. Misschien is dit het moment waarop ik al die uitgestelde fotoboekjes eindelijk eens echt ga maken.
„Misschien moet je een NAS nemen”, zegt een ict-collega nadenkend als ik me hardop afvraag waar ik die zal laten. Een wat? Het blijkt een soort harde schijf te zijn die je aan je thuisnetwerk toevoegt. De gouden standaard voor wie onafhankelijk wil back-uppen.
Het voelt te hoog gegrepen. Alsof ik moet veranderen in een ict’er die ’s avonds voor z’n lol in Telegramgroepen over techniek praat. Het is hetzelfde gevoel als wanneer ik op YouTube naar filmpjes kijk waarin mensen mijn opensourcebesturingssysteem bespreken. Het zijn vrijwel zonder uitzondering bebaarde mannen die in afkortingen spreken en moeten lachen op onverwachte momenten. Blijkbaar mis ik de grap.
Ik gun mezelf een cloud naar keuze. Na onze zomervakantie neem ik eindelijk een betaald abonnement op een e-mail- en cloudprovider die me aanstaat. Gelukkig blijkt er veel Europese én privacyvriendelijke keuze te zijn, bij bedrijven als Soverin, Proton en The Good Cloud. En ik bestel een kabel voor de oude harde schijf. Die maakt een knorrend geluidje als ik grote hoeveelheden data verschuif. Het is een beetje alsof ik een oldtimer van mijn vader start.
Een paar maanden na de aanschaf van mijn nieuwe telefoon ben ik redelijk gewend. Ik ben wat minder afhankelijk van grote Amerikaanse techbedrijven, maar lang niet helemaal. En ik doe concessies. De camera-app werkt bijvoorbeeld wat houterig en minder intuïtief dan die van Apple. Ik moet steeds net een keer te veel klikken. Maar hij werkt wel. En ook zonder Google Maps ben ik nog niet verdwaald. Mijn poging tot digitale autonomie is zeker een soort vegaburger. Maar wel een waar ik bewust voor heb gekozen. En ook vegaburgers zijn soms best goed te doen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC