Suriname Vrijdag opende het nieuwe Suriname Museum in Amsterdam, dat over het land en zijn geschiedenis wil vertellen. Van de kleuren en geuren tot aan het slavernijverleden van het land: „Hoe hoger je komt, hoe lichter het wordt.”
Bezoekers in het nieuwe Suriname Museum bekijken een film. Foto Simon Lenskens
Nog voor het tien uur is staan er al mensen te wachten voor de deur van het nieuwe Suriname Museum in Amsterdam. Dat het er zou komen is niet speciaal van de daken geschreeuwd, de opening deze vrijdag is zelfs niet de échte, officiële, want die is pas op 25 november van dit jaar als Suriname 50 jaar onafhankelijk is. Daar wachten de wachtenden niet op, zij gaan als eerste bezoekers het 19de-eeuwse schoolgebouw aan de Zeeburgerdijk binnen.
Twee keer eerder is er een poging gedaan een museum te wijden aan het geboorteland van Surinaamse Nederlanders. Steeds liep er iets mis. Maar nu, met 1 miljoen euro subsidie van het ministerie van OCW, vier ton van fondsen en vrienden en eigen geld van directeur Jan Gerards is het gelukt. Gerards is ook organisator van het Kwaku festival in Amsterdam, van onafhankelijkheidsfeest Keti Koti en van muziekevenementen als Reggae Lake Festival. Pas toen festivals in coronatijd stillagen, was er tijd en ruimte om werk te maken van de verbouwing van het pand en de inrichting van het museum dat het land en de geschiedenis wil ontsluiten.
Wyatt Kong (41) is met zijn moeder en Leslie (75) als eerste binnen. Zij is, zegt hij, ook zijn vaste tour guide als ze in Suriname op vakantie zijn, maar wat het is met die bezoeken, je ziet vooral heel veel familie en veel minder van het land. Nu stappen ze in de eerste zaal de geuren, de kleuren, de geluiden en zelfs de warmte van de binnenlanden van Suriname binnen. Ze luisteren stil. „Veel vogels. Brulapen.” Wat ze missen is „de wind en het geruis van bomen”, wat zij altijd horen als ze „het wild” ingaan. Wat ze wel wisten dat bestond, maar nooit eerder zagen: een reuzenzwartemiereneter, een zwart slingeraapje, een anaconda van zes meter aan de muur.
Opgezette dieren uit Suriname. Foto Simon Lenskens
In de zaal die volgt verschuift de aandacht naar de „mensen die er altijd al waren”, zegt Leslie Kong. De inheemse volkeren, de Kalina, de Lokono, de Trio. We zien beelden van hoe ze leven en werken in de tropische wouden – er bestaan nog vijf inheemse stammen. En dan, na zaal twee, is de idylle voorbij en stappen we ruw 1683 binnen, het jaar waarin kolonel Cornelis van Aerssen Sommelsdijk voor het eerst voet aan wal zet in Suriname – hij had zich ingekocht in de Sociëteit van Suriname, een particuliere Nederlandse onderneming die de sinds 1667 bestaande kolonie Suriname beheerde. Hij was net tot gouverneur benoemd en hij begon zijn ambtstermijn met het platbranden van inheemse dorpen en het doodknuppelen van volwassen mannen.
Isabelle Best (27) is in het Suriname Museum omdat ze zelf conservator Surinamica is in een ánder museum, het Allard Pierson. Met Lana Rentfum (26) werkt ze daar aan een tentoonstelling over het slavernijverleden. „Toegankelijk”, vinden ze het museum. Elk verhaal wordt verteld met tekst, beeld, geluid en video en soms valt er iets te ondergaan of te ervaren. Dus ja, ze zijn er uit professionele belangstelling, maar met allebei een Surinaamse vader wordt hen door buitenstaanders zó vaak gevraagd waar ze „eigenlijk” vandaan komen, dat ze hun voorvaderland en hun geschiedenis nu ook wel eens in een museum wilden zien.
Scheepsmodel in het nieuwe Suriname Museum. Foto Simon Lenskens
De slavernij werd afgeschaft in 1863, in het museum zijn er nog een paar eeuwen van mensenhandel en uitbuiting te gaan. De scheepsjournaals van het Zeeuwse slavenschip Vigilante geven inzage. Kapitein Olfert Michielsen vertrekt in 1778 vanuit Middelburg met de opdracht een „bequaam garnizoen slaven” te kopen. Aan boord: twee lange slavenkettingen, 80 handboeien, 12 halsbanden en 150 ‘spiën’ om de handboeien te sluiten. De eerste aanschaf in het Afrikaanse Guinee, zijn twee vrouwen en een man voor 407 gulden (4.070 euro). Aangekomen in 1779 in Paramaribo zijn er negentig ‘koppen slaven’ verkocht aan diverse planters voor 25.190 Hollandse gulden. Daar konden wel een paar panden voor gebouwd worden aan de Amsterdamse Herengracht, de huidige burgemeesterswoning bijvoorbeeld, op nummer 502 in opdracht van koopman Paulus Godin. Mochten de kille getallen niet tot de verbeelding spreken, dan kan de bezoeker nog de trap af naar het nagebouwde vooronder van een slavenschip. Houten planken en metalen kettingen in de duisternis.
De afstand tussen het Suriname Museum en het in 2028 te openen Slavernijmuseum is precies 2,4 kilometer. Maait dit museum nu gras weg voor het andere? Vast niet. En vertel maar eens over Suriname zonder uit te leggen hoe het komt dat er nog zo veel nazaten wonen van Chinezen, Javanen, Hindostanen en Libanezen. Ter vervanging van de Afrikaanse slaven werden er na 1863 contractarbeiders geronseld in India, in China, in de toenmalige kolonie Nederlands-Indië en Ottomaans Syrië. De volledige eerste verdieping van het museum is gewijd aan alle bloedgroepen in Suriname, ook aan de Joden uit Brazilië die zich er in de zeventiende eeuw vestigden, de marrons die de plantages ontvluchtten en de ‘boeroes’, de tweehonderd Nederlandse gezinnen die halverwege de negentiende eeuw naar Suriname trokken om daar te boeren.
Model van schip van slavenhandelaren. Foto Simon Lenskens
„Zware verdieping”, vindt gastcurator Jessica Oosthoek. „Maar hoe hoger je komt, hoe lichter het wordt.” Zij hielp de zolderverdieping inrichten met moderne, Surinaamse kunst. Haar moeder is Surinaams, zegt ze, en ze voelt zich zo thuis in het museum dat ze er nu leiding geeft aan de vrijwilligers. Er hebben zich al honderd aangemeld, de oudste is 81. Zara de Booij, student antropologie, is 22. Haar grootvader is geboren in Suriname. En nee, ze is nog nooit in het land geweest, maar nu is ze er twee dagdelen per week toch een klein beetje.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC