Home

Hoe een geheimzinnige Amerikaanse luis (bijna) de hele Franse wijnbouw vernietigde

Geschiedenis Een piepklein insect uit Amerika verwoestte in de 19de eeuw bijna de gehele Franse druiventeelt. Een forse wetenschappelijke inspanning moest de wijn redden.

Op een wijngaard in Bourgondië worden in 1874 alle wijnstokken vernietigd.

Wijnboeren in Frankrijk halen opgelucht adem: na twee jaar van zeer matige oogsten lijkt het erop dat 2025 in de meeste regio’s een goed wijnjaar wordt. De weersomstandigheden van de afgelopen maanden zullen een vendange (druivenoogst) opleveren die zowel kwantitatief als kwalitatief beter wordt dan voorgaande jaargangen. Wijn blijft een bewerkelijk product: de mens is overgeleverd aan wat de natuur hem gunt.

In Frankrijk weten ze dat als nergens anders. Anderhalve eeuw geleden leek het erop dat álle wijnstokken in het héle land zouden sterven. Wetenschappers vochten dertig jaar een wanhopige strijd uit met een piepkleine moordenaar: Phylloxera vastatrix, een immigrant uit de Verenigde Staten. (Tegenwoordig heet dit insect Daktulosphaira vitifoliae, maar hier wordt de naam gebruikt die de Fransen hem gaven.)

De druifluis, zoal hij in het Nederlands heet, arriveerde in Frankrijk als een onzichtbaar cadeautje. De ontvanger was monsieur Borty uit het plaatsje Roquemaure, in het departement Gard in het zuidoosten van het land. Wijnhandelaar Borty had in 1861 een vriend uit de Verenigde Staten op bezoek gehad die hem vertelde over de wijnstokken die hij cultiveerde aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.

De Franse wijnhandelaar wilde daar wel meer van weten, en een jaar later arriveerden er uit Amerika 154 levende druivenplanten, met wortel en al. De stokken hadden namen als ‘Clinton’, ‘Post-Oak’ en ‘Emily’, las hij op de begeleidende kaartjes. Borty gaf ze een plaatsje naast zijn eigen planten, en hoopte er het beste van. Wat hij niet wist, was dat met de kratten ook een ongenode gast was meegekomen, een luis waartegen inheemse Amerikaanse druivensoorten als Vitis rotundifolia, V. aestivalis, V. cordifolia en V. riparia wél bestand waren, maar de Europese druivensoort Vitis vinifera niet.

Met de geschenken uit de Verenigde Staten ging ’t het volgende jaar dan ook goed, maar met Borty’s Franse planten was iets helemaal mis: ze werden ziek en gingen dood. Hij begreep er niks van, maar sprak met niemand over het mysterie. Zijn wijngaard was ommuurd, dus geen mens kon zien wat er gebeurde.

Compleet weggevaagd

In de jaren hierna voltrok zich in het dorpje Pujaut, iets ten zuiden van Roquemaure, een drama. De wijngaarden daar werden compleet weggevaagd, terwijl de boeren geen idee hadden wat hen overkwam. Dit was geen Oïdium, echte meeldauw, een schimmel die zich in de jaren veertig van de negentiende eeuw voor het eerst in Frankrijk had gemanifesteerd. Die liet een wit laagje achter op de bladeren van de wijnstokken die hij besmette, maar was te bestrijden door er een mengsel van water en zwavel over te sproeien. De nieuwe ziekte had echter geen zichtbare oorzaak.

In de loop van de jaren zestig rukte de luis op langs de Rhône, naar het noorden richting Orange en naar de Middellandse Zee. Hier maakte een veearts eind 1867 voor het eerst een nauwkeurige beschrijving van de aandoening, die enkele maanden later werd gepubliceerd in de Revue Agricole et Forestière de Provence.

Prent op de voorpagina van Le Journal illustré uit 1878. Op de voorgrond geeft Charles Riley, herkenbaar aan de cowboyhoed, aan welke wijnstok er uit de grond moet worden getrokken. Verder naar achteren zijn de heren Planchon en Lichtenstein, met hoge hoed en loep, bezig aan hun onderzoek.

De ziekte, scheef hij, verspreidde zich van plant naar plant. De bladeren werden eerst geel en daarna rood. Vervolgens droogden ze op en vielen ze af. De arts had ook de wortels van de stokken opgegraven en daar iets aangetroffen wat hij niet kende van schimmelziektes. De buitenkant liet makkelijk los en van binnen was de wortel totaal vermolmd, net zo dood als de rest van de plant boven de grond.

De Fransen tastten in het duister over wat hier aan de had was. Tijdens een vergadering van de Société Centrale d’Agriculture de l’Herault in de zomer van 1868 sprak de secretaris het vermoeden uit dat de massale sterfte veroorzaakt werd door de ongewoon koude winters van de jaren ervoor. De leden van de Société besloten een commissie in te stellen die verder onderzoek moest doen.

Onder leiding van Jules Planchon, botanist en hoogleraar farmacie aan de universiteit van Montpellier, trok de commissie de velden in – de hoge heren gekleed in nette lange jassen en met een hoge hoed op hun hoofd. Op 15 juli deden ze in de wijngaard van de markies de Lagoy een bijzondere ontdekking aan een schijnbaar gezonde plant.

Planchon berichtte er een week later over in de krant Messager du Midi. „Met het blote oog zag ik op de wortels enkele gele plekjes. Een blik met vergrootglas leerde dat het ging om klompjes insecten – die bij nadere inspectie verwant leken aan de cochenilleluis of de bladluis.”

Met de krioelende kluwen onder zijn loep was iets vreemd aan de hand. De luizensoorten die Planchon kende, plantten zich tijdens de zogenoemde ‘zomerse cyclus’ alleen ongeslachtelijk voort. Het vrouwtje baart dan levende nimfen die zich meteen tegoed doen aan de plant. Dit proces herhaalt zich enkele generaties. Pas in de herfst verschijnen er mannetjes die de vrouwtjes bevruchten, waarna zij eieren leggen die na de winter uitkomen. Planchon zag nu echter dat op de wortel nymfen én eitjes zaten, terwijl het hartje zomer was. Dit waren dus geen gewone luizen.

Planchon besloot zijn artikel met een dramatische alinea: „Vanaf dit moment was een feit van groot belang duidelijk. Dat was dat een bijna onzichtbaar insect, verstopt onder de grond terwijl het zich vermenigvuldigt tot ontelbare individuen, in staat is om zelfs de sterkste wijnstok uit te putten.” In een tweede publicatie doopte de botanist zijn ontdekking Phylloxera.

Wat nu te doen? Sommige boeren besloten dat ze maar het beste God om hulp konden vragen. In de buurt van de stad Cahors trokken processies rond waarbij de dorpelingen zongen: Grand Dieu tout – puissant/Arête ce malheur!/De l’insecte méchant/Sois l’exterminateur!/Oh! laisse-nous le vin./Oh! laisse-nous le vin/Notre bonheur. (Grote Almachtige God/Stop dit ongeluk!/Wees de verdelger van dit kwaadaardige insect!/Oh! laat ons de wijn./Oh! laat ons de wijn/Ons geluk.)

Gelukkig voor de wijndrinkers in Frankrijk – en de rest van de wereld – lieten geleerden het niet bij bidden, maar stroopten ze de mouwen op om deze nieuwe pest te bestrijden. Dat was hard nodig, want in de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw veroverde Phylloxera langzaam maar zeker het hele land.

Hun werk leidde tot een forse wetenschappelijke productie: vijf jaar na de ontdekking van de druifluis waren er al 219 artikelen over gepubliceerd. Dit was extra indrukwekkend omdat Frankrijk een bijzonder turbulente tijd doormaakte. Het land verloor in 1870 een oorlog met Duitsland, waarna keizer Napoleon III moest aftreden en in Parijs een linkse opstand uitbrak. Deze Commune werd in 1871 met veel geweld neergeslagen.

Wetenschappers en uitvinders kwamen met honderden behandelingen op de proppen om de druif te redden van de luis, al was het maar omdat er een prijs van 300.000 gouden francs lag te wachten voor degene die de Phylloxera wist te verslaan. De wedloop leverde bizarre ideeën op, maar ook bruikbare. Koolstofdisulfide doodde de druifluis, maar deze giftige stof moest met een duur apparaat in de grond worden gespoten. In de praktijk ging dit niet werken voor alle boeren.

Grote hoeveelheden water

Kaliumcarbonaat deed het ook goed als insecticide, maar had grote hoeveelheden water nodig om diep genoeg in de grond te komen. Alleen de rijkste wijnboeren konden zich de aanschaf van de benodigde stoompompen veroorloven. Het helemaal onder water zetten van wijngaarden werkte ook, maar daar waren de stokken die op heuvels stonden dan weer niet mee geholpen.

De Fransen stonden er in hun strijd tegen de Phylloxera niet alleen voor. Ze kregen hulp van Charles Valentine Riley, een jonge Amerikaanse entomoloog (insectenwetenschapper). Jules Lichtenstein, de zwager van Planchon en tevens hobby-entomoloog, herinnerde zich een publicatie uit 1856 in de Annual Report of the New York State Agricultural Society waarin een luis werd beschreven die leek op het insect waarmee Zuid-Frankrijk nu te kampen had. In 1869 poneerde hij daarom als eerste de stelling dat Phylloxera met Amerikaanse wijnstokken het land was binnengekomen.

Lichtenstein stuurde een brief naar de redactie aan de andere kant van de oceaan en kreeg als antwoord het eerste nummer toegezonden van de American Entomologist, een tijdschrift met een artikel waarin Charles Riley commentaar leverde op het verband dat Lichtenstein had gelegd tussen de Franse en Amerikaanse luis. Zonder dat de Franse entomoloog het wist, was zijn idee dus al in de VS terechtgekomen. In een tweede artikel, uit 1870, beschreef Riley dat de wortels van Amerikaanse druivenstokken niet werden aangevallen door deze druifluis, terwijl ze wel op de bladeren zaten.

Planchon en Lichtenstein legden contact met Riley, die goed Frans sprak omdat hij gedurende zijn jeugd enige jaren in Frankrijk had gewoond. De Amerikaan nam in 1871 de boot naar Europa – hij ging in Engeland nog even langs bij Charles Darwin – en deed samen met het duo uit Montpellier veldwerk op een wijngaard in het zuiden van Frankrijk. Riley wist het nu zeker: de luizen hier en de luizen die hij kende uit de VS waren van dezelfde soort. (Dna-onderzoek uit 2020 toonde aan dat het insect waarmee het allemaal begon afkomstig was uit Mississippi.)

Hij nam nymfen mee naar huis om proeven mee te doen en publiceerde een paar maanden later welke Amerikaanse soorten van het plantengeslacht vitis tegen de wortelaanvallen van Phylloxera bestand leken. Riley snapte nu ook waarom alle wijnstokken waren gestorven die Europese kolonisten in de afgelopen eeuwen hadden meegenomen naar Amerika. Zij waren, in tegenstelling tot de inheemse druivensoorten, niet opgewassen geweest tegen deze luis.

De oplossing voor de crisis lag nu voor de hand: het bovengrondse gedeelte van de Europese wijnstok enten op een Amerikaanse wortel. Léo Laliman, een wijnboer uit de buurt van Bordeaux die in 1860 een boek had gepubliceerd waarin hij de lof zong op Amerikaanse wijnstokken, was daarmee al begonnen, maar niemand wilde naar hem luisteren omdat hij met zijn import waarschijnlijk verantwoordelijk was voor de eerste uitbraken van de plaag in de Bordelais.

Veel Fransen vonden het sowieso onverteerbaar dat de Amerikaanse pest van de Phylloxera met Amerikaanse hulp bestreden zou worden. Het hielp ook niet mee dat de wijn die was gemaakt van de eerste geïmporteerde Amerikaanse stokken niet te drinken was.

Projectie van de Phylloxera tijdens een conferentie in 1874, prent uit Le Monde Illustré.

Dat weerhield mensen als Laliman, Planchon en Lichtenstein er niet van door te gaan met hun experimenten. De druivenstokken die Riley had aangeraden bleken niet allemaal goed aan te slaan op Franse bodem, die meer kalk bevatte dan de Amerikaanse. Planchon reisde daarom naar Amerika om de meest geschikte soorten uit te zoeken.

In zijn boek Les Vignes américaines, leur culture, leur résistance au phylloxéra et leur avenir en Europe legde hij een verband tussen de oplossing voor de plaag en de evolutietheorie die Charles Darwin in 1859 met de wereld had gedeeld. „Het is mogelijk dat door een proces van natuurlijke selectie beetje bij beetje die wijnstokken [in Amerika] geëlimineerd werden die de vijand niet bevechten konden.”

Het vinden van de juiste wortels om Franse stokken op te enten bleef in de praktijk een grote uitdaging, waardoor de mensen die pleitten voor een oplossing met bestrijdingsmiddelen de wind in de zeilen hielden. Pas op het Phylloxera-congres van Bordeaux uit 1881 wonnen de américainistes het van de sulfuristes. Het grootschalig aanplanten van geënte stokken begon echter pas in 1890. Drie jaar later was de Franse wijnproductie met vijftig miljoen hectoliter voor het eerst weer op het niveau van voor de komst van de Amerikaanse druifluis.

Deze worteleter heeft sinds het einde van de negentiende eeuw de hele wereld veroverd, enkele schaarse plekken daargelaten omdat de ondergrond hem niet aanstaat – zand of vulkaanas – of omdat de wijngaarden zeer geïsoleerd liggen. Zogenoemde Pre-Phylloxera wijnen zijn vanwege hun zeldzaamheid relatief duur én het is nog steeds niet zeker of zij uiteindelijk zullen overleven.

Vorige maand kwam namelijk het nieuws van Tenerife dat de druifluis voor het eerst ook hier was aangetroffen. De plaatselijke krant El Día pakte er groot mee uit: „de covid van de wijn” was na anderhalve eeuw dan tóch op het eiland geland.

Bronnen: Christy Campbell: Phylloxera. How Wine was Saved for the World; Gilbert Garrier: Le Phylloxéra. Une guerre de trente ans, 1870-1900; George Ordish: The Great French Wine Blight

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Eten & Gezondheid

De laatste inzichten over eten de lekkerste recepten en slimme tips om gezond te leven

Source: NRC

Previous

Next