Indonesië In 1965-’66 greep legerleider Soeharto de macht na een massale slachting van een miljoen communisten in zijn land. De CIA speelde daarbij een belangrijke rol. Vincent Bevins schreef er een indringend boek over.
Een vermeende Indonesische communist wordt door soldaten van generaal Soeharto ondervraagd.
Het is een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Indonesië en een van de gruwelijkste moordpartijen uit de moderne geschiedenis. In 1965-’66 werden in amper een halfjaar tijd naar schatting een miljoen Indonesiërs over de kling gejaagd. Vele anderen werden gemarteld en verdwenen voor lange tijd achter de tralies. De slachtoffers waren voornamelijk leden van de Communistische Partij van Indonesië (PKI) of mensen die slechts werden verdacht van communistische sympathieën. De autoriteiten wilden voor eens en voor altijd afrekenen met de PKI, tot dan toe de derde communistische partij ter wereld, na die van de Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China.
Onder het mom van ‘Nieuwe Orde’ greep legerleider Soeharto de macht om die pas in 1998 weer los te laten. Onder zijn bewind werd het onderwerp taboe verklaard. Indonesiërs kregen op school Soeharto’s anticommunistische doctrine ingepeperd. Ook in het Westen bleef de massamoord decennialang onderbelicht, totdat regisseur Joshua Oppenheimer die in 2012 op verbluffende wijze aan de vergetelheid ontrukte met zijn schokkende documentaire The Act of Killing.
In de inleiding van De Jakartamethode verwijst de Amerikaanse schrijver Vincent Bevins nadrukkelijk naar het werk van Oppenheimer: hij wil een „globaal beeld” schetsen als aanvulling. Dat heeft de Amerikaanse journalist vervolgens heel letterlijk genomen, want zijn centrale these is dat de Indonesische communistenjacht een blauwdruk vormde: de CIA paste tijdens de Koude Oorlog wereldwijd de ‘Jakartamethode’ toe om pro-Amerikaanse regimes stevig in het zadel te helpen of te houden.
Volgens Washington was Moskou erop uit én in staat om in het kielzog van de naoorlogse dekolonisatiegolf overal ter wereld communistische regimes aan de macht te helpen. Militairen als Soeharto werden gezien als de betrouwbaarste en meest gedisciplineerde anticommunisten in jonge natiestaten met een prille democratie. Dat die militairen die democratie meestal terzijde schoven was bijzaak in de strijd tegen het communistische gevaar.
Hoe dat in zijn werk ging laat Bevins zien aan de hand van de politieke koers van Indonesië na de onafhankelijkheid. President Soekarno zag zichzelf als een van de aanvoerders van de Derde Wereld. Het idee dat door solidariteit tussen onlangs gedekoloniseerde staten een nieuw machtsblok zou ontstaan naast de VS en hun Europese bondgenoten en het Sovjetblok, was voor Soekarno de reden om in 1955 de Conferentie van Bandung te beleggen. Daar werd het zaadje geplant voor de Beweging van Niet-Gebonden Landen.
De Amerikanen gingen totaal voorbij aan deze antikoloniale sentimenten. Wie niet onomwonden hun kant koos was automatisch verdacht. Dus ook de ongebonden landen in de Derde Wereld, zeker als die ook nog eens ‘socialistische’ idealen als vrijheid, gelijkheid en broederschap nastreefden. Het baarde het Witte Huis bovendien zorgen dat stokebrand Soekarno steeds nauwer samenwerkte met de PKI.
Een poging van de CIA om aan Soekarno’s stoelpoten te zagen door gewapende islamitische rebellen te steunen mislukte. Een pornofilm met een Soekarno-lookalike om de president in diskrediet te brengen verdween in een archiefdoos toen bleek dat hij juist werd bewonderd om zijn promiscuïteit. Maar de CIA en het Pentagon onderhielden ook warme banden met de Indonesische legertop. Ze moedigden Soeharto en de zijnen actief aan om een klunzige couppoging van communistische lagere officieren op 30 september 1965 aan te grijpen voor een eigen staatsgreep.
De Amerikanen waren vervolgens verheugd dat het hen zo makkelijk was gelukt om Indonesië te ‘flippen’. Om alle burgerslachtoffers maalden ze totaal niet. Dit relaas vormt het sterkste deel van Bevins’ boek. Hij beschrijft ook – zij het minder gedetailleerd – hoe de Amerikanen na hun ‘overwinning’ in Indonesië vergelijkbare operaties uitvoerden in andere landen. Volgens Bevins verscheen bijvoorbeeld in Brazilië en Chili eerst het woord ‘Jakarta’ op de muren in linkse wijken. Daarna volgden ‘politieke verdwijningen’ van Brazilianen en werd de Chileense president Salvador Allende afgezet door dictator Augusto Pinochet.
Om het gebruik van de Jakartamethode door de CIA te tonen sleept Bevins de lezer kriskras de wereld over. Het ene moment is die nog in Iran, het andere al weer in Guatemala. Los van de centrale verhaallijn over Indonesië is het boek nogal chaotisch.
Het grootste probleem is echter dat het allemaal geen nieuwe historische inzichten zijn. Sinds het verschijnen van The Act of Killing is er een keur aan archiefmateriaal vrijgegeven dat de betrokkenheid van de VS en bondgenoten aantoont. En wat Bevins de ‘Jakartamethode’ noemt is een patroon dat bijvoorbeeld ook duidelijk naar voren komt in de in 2017 verschenen wereldgeschiedenis van de Koude Oorlog van de Zweedse hoogleraar Odd Arne Westad.
De Jakartamethode is sowieso geen hagelnieuw boek; de oorspronkelijke Engelstalige editie stamt al uit 2020. Uitgeverij Omniboek bracht vorig jaar eerst de Nederlandse vertaling van uit van Bevins’ laatste boek If We Burn. The Mass Protest Decade and the Missing Revolution, waarin hij de teleurstellende balans opmaakte van een wereldwijde reeks van tien massaprotesten tussen 2010 en 2020. De goede ontvangst van dat boek bewoog waarschijnlijk tot een blik in Bevins’ back catalogue.
Wat dit boek toch de moeite waard maakt, is het feit dat Bevins ook aandacht heeft voor de slachtoffers en nabestaanden. Met levensverhalen en interviews geeft hij hen een gezicht en een klein gedenkteken. Zo vertelt Bevins het verhaal van een jonge Indonesische vrouw die haar geluk zoekt in Jakarta. Omdat ze lid is van een vakbond wordt ze aangewezen als communist, jarenlang in de gevangenis gemarteld en verkracht, en wordt ze ook nu nog buitengesloten.
Want de gruwelijke geschiedenis van 1965 werkt nog steeds door. In het Museum van het Communistisch Verraad in Jakarta leren schoolkinderen over „de wreedheden die zijn gepleegd door de PKI”. Nergens wordt gezegd dat dit alles tot een miljoen burgerslachtoffers heeft geleid. Oppenheimers documentaire was in Indonesië alleen op afspraak te bekijken. Excuses voor de massamoord komen er waarschijnlijk nooit; de wet die voorzag in een waarheidscommissie is afgeschaft.
In een van Bevins’ gesprekken flitst een zeer beknopte samenvatting van zijn boek voorbij. „De Koude Oorlog was een strijd tussen socialisme en kapitalisme, en het kapitalisme won”, legt een Indonesische activist uit. Wanneer de journalist vervolgens vraagt hoe, antwoordt hij: „Door ons te vermoorden.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC