Feministische literatuur De klassieke romans van Jennifer Dawson en Marlen Haushofer over gevoelige, jonge vrouwen, die tegen de muren aanliepen van de patriarchale regels en wetten, zijn eindelijk vertaald. Wat zijn hun opties als hun bewegingsruimte zo extreem is ingeperkt?
Een vrouwengezicht desintegreert in cyberspace in een humanoid silhouet.
Vliegen betekenen doorgaans weinig goeds in de literatuur. Denk aan de Bijbel, waar ze symbool staan voor het kwaad – ‘Beëlzebub’ komt van het Hebreeuwse ‘Ba’al ze Bub’, wat letterlijk ‘Heer der vliegen’ betekent (ook de titel van een roman die u waarschijnlijk wel kent). Denk aan het gedicht ‘I heard a fly buzz when I died’ van Emily Dickinson, waarin de vlieg geassocieerd wordt met de naderende dood. Of denk aan die arme Gloucester uit Shakespeare’s King Lear die, verblind en verlaten, uitroept: „As flies to wanton boys are we to th’ Gods;/ They kill us for their sport”, en zo de mensheid reduceert tot een miserabel insect zonder morele autonomie, overgeleverd aan de grillen van een wrede god, gedoemd tot eeuwig, zinloos lijden.
Een beetje zoals de vrouw in het traditionele huwelijk was gedoemd tot zinloos lijden, overgeleverd aan de grillen van haar man. Dat is in ieder geval het beeld van de huiselijke sfeer die oprijst uit twee schitterende en net (vrij subliem) vertaalde romans uit de naoorlogse periode, een tijd waarin de verworvenheden van het feminisme wat op de achtergrond raakten en de vrouw geacht werd om – monter, gedwee – haar oude plaats achter het aanrecht weer in te nemen: De haha van Jennifer Dawson, uit 1961 en Een handvol leven van Marlen Haushofer, uit 1955.
Een eerste blik doet weinig overeenkomsten vermoeden tussen deze twee romans. Goed, het zijn allebei debuten van schrijvers die bij leven veel lof oogstten maar daarna in de vergetelheid raakten (wel vaker het lot van vrouwelijke schrijvers), en nog later weer werden ‘herontdekt’, maar daarmee lijken de gelijkenissen op te houden. Dawson is Brits, Haushofer Oostenrijks; De haha heeft een schizofrene heldin die in een psychische inrichting wordt voorbereid op herintreding in het normale leven, Een handvol leven gaat over een jonge, getrouwde vrouw die haar eigen dood in scène zet om aan de verveling van het gezinsleven te ontsnappen; De haha wordt verteld in een intense eerste persoon, terwijl Een handvol leven een wat afstandelijke semi-alwetende verteller heeft.
Maar iets verder kijken levert zoveel overeenkomsten op dat het bijna is alsof twee verschillende schrijvers gevraagd zijn om een roman te schrijven naar aanleiding van dezelfde prompt. Bijvoorbeeld: „Beschrijf een gevoelige, levenslustige en fantasierijke jonge vrouw die zich niet kan (of wil) aanpassen aan de onredelijke en beklemmende eisen die de conventionele patriarchale samenleving aan vrouwen stelt.”
Ik geloof dan ook niet dat het toeval is dat in beide boeken vliegen voorkomen – daarover straks meer.
Een ‘haha’ is iets typisch Brits: een in het landschap ingegraven muur, een onzichtbare afscheiding van een park of tuin die het uitzicht niet verpest. In De haha verwijst het naar de verborgen grens rondom de instelling waar Josephine is opgenomen omdat ze niet meer kan stoppen met lachen (haha!).
Josephine is opgegroeid met haar dominante, controlerende moeder, een weduwe zonder enig gevoel voor humor; iemand die vooral alles wil doen zoals het hoort. Ze kiest Josephines kleren uit, leest haar post, verbiedt haar te giechelen, wil alles weten over het leven dat haar dochter buitenshuis leidt en als Josephine daarover met iets te veel verbeeldingskracht vertelt, glimlacht moeder minzaam en observeert „dat haar meisje te veel fantasie had”. Je zou haar eigenhandig de nek om willen draaien, maar als ze overlijdt (in een heerlijk absurd ongeval met een elektrische deken) voelt Josephine zich niet bevrijd. Nu er niemand meer is die haar het lachen belet kan ze er niet meer mee ophouden. „We zijn vliegen!” giert ze. „Sommige vliegen zijn welgemanierd en lopen over het plafond en praten over het opvoeden van kinderen”, maar „sommige vliegen zien de dingen echt zoals ze zijn, ondersteboven hangend aan het plafond, en die […] willen lachen om de ongerijmdheid en vreemdheid van de fantastische positie waarin ze zich bevinden”. Vliegen zoals Josephine, dus.
Haar professor op Oxford – ook al zo’n idiote plek, vindt Josephine, waar de weinige vrouwen die tot dit mannenbolwerk toegelaten zijn keurige jurkjes dragen en vooral op zoek zijn naar een man – stuurt haar naar de psychiatrische inrichting. Schizofrenie, luidt de diagnose. Ze moet „van het lachen genezen” en leren leven in „de echte wereld”.
Laat de echte wereld nou net een plek zijn waar Josephine grote moeite mee heeft, want hoe kun je zeker weten dat de werkelijkheid echt bestaat? En hoe kan het dat niemand anders zich hier druk om maakt? Ze doet haar best om „de slag van het bestaan te pakken te krijgen” maar het lukt niet: „Ik kende de regels niet.”
Toch is het van levensbelang dat ze die regels leert, want anders mag ze het gesticht niet verlaten. „Hou je aan de regels”, roepen de zusters, „en je wordt beter!” Het is moeilijk om dit niet als waarschuwing te beschouwen als je ziet hoe het patiënten vergaat die het niet lukt de regels te leren: gillend van pijn en angst ondergaan ze de martelingen van de elektroshocktherapie en als ook dat niet helpt dreigt een lobotomie. Tegelijkertijd is de vrijheid die haar boven het hoofd hangt als ze de slag van het bestaan eenmaal te pakken heeft weinig aanlokkelijk. Het wordt haar door iedereen duidelijk gemaakt dat haar eigenlijk maar één toekomst wacht: het huwelijk. „Hoogste tijd dat je op zoek gaat naar een echtgenoot”, hoort ze keer op keer. Maar als ze een oud-studiegenoot spreekt die net is getrouwd, waarschuwt ze Josephine: „Laat jezelf er niet door bij de kladden nemen. Het is zo saai!” Zo negatief is ze over haar nieuwe burgerlijke staat dat Josephine denkt dat ze haar moet condoleren. („Gelegaliseerde verkrachting” is hoe een medepatiënt het huwelijk samenvat.)
„Maken psychiatrische inrichtingen deel uit van de sociale controle op vrouwen?” vraagt Dawson zich af in het nawoord van de roman. Dawson is zelf een tijd opgenomen geweest in een instelling en beschrijft dat, in die tijd, „het oordeel wat psychiatrische genezing betrof afhing van de vraag of de patiënt weer netjes paste op zijn (meestal haar) onbetwiste plek in een niet-bekritiseerde half-vrije samenleving.” Maar, vervolgt ze: „Wat nou als de maatschappij niet deugt?”
Waar Josephine eerst bij haar benauwende moeder woont en vervolgens naar een inrichting verhuist, maakt Elisabeth, de hoofdpersoon van Marlen Haushofers Een handvol leven, een tegenovergestelde beweging. Vrijwel haar hele jeugd brengt Elisabeth door op een religieuze kostschool waar niks mag: ze moet „erop letten niet met haar armen te zwaaien, niet te fluiten, nooit te rennen, maar braaf haar voeten een voor een neer te zetten”. Voor Elisabeth, net zo’n levendig, fantasievol kind als Josephine, is het een onmogelijke opgave. In haar brandt een onblusbaar vuur, kolkt gloeiend hete lava; „met de beste wil van de wereld” lukt het haar niet om braaf te zijn. „Ik wíl vies zijn”, roept ze wanhopig als een non klaagt over haar smerige nagels, „ik wil slecht zijn”. Ze begrijpt niet waar het allemaal voor nodig is, begrijpt niet wat de bedoeling is van de volwassenen om haar heen. Een scène vroeg in het boek is betekenisvol in dit opzicht: „Een paar vliegen deden een spelletje om de lamp. Lieserl deed haar best achter de spelregels te komen, maar hoe langer ze keek, des te duizeliger ze werd”. Elisabeth wil „alles weten, alles horen, zien en ervaren”. Ze heeft lak aan regels die ze niet begrijpt, die haar nieuwsgierigheid in de weg staan.
Omdat de nonnen het niet opgeven, begint Elisabeth te liegen. Ze liegt niet echt tegen de nonnen, houdt ze zichzelf voor, „maar tegen de regels en wetten” die ze vertegenwoordigen. Want „regels en wetten waren iets wat eigenlijk helemaal niet bestond […] het deerde de wet niet wanneer ze werd overschreden.” Ze doet alsof ze zich aanpast terwijl ze steeds meer begint te leven „in haar eigen kleine, hoogst gecompliceerde wereld”. De wereld van haar verbeelding. Het laveren tussen die twee werelden zorgt voor een gespletenheid in haar wezen waar ze steeds meer onder begint te lijden en die nooit meer over zal gaan.
Haushofer zelf ervoer een vergelijkbare gespletenheid, tussen het normale, dagelijkse leven en de wereld van haar gedachten. In een brief noemt ze het ‘die große Schizophrenie’. Elisabeth heeft misschien niet (zoals Josephine) een letterlijke diagnose van schizofrenie op zak, maar ze worstelt met dezelfde ‘grote schizofrenie’ als haar schepper.
Het ‘echte leven’ dat op haar wacht na de nonnen valt tegen. „Ze was ongelukkig en voelde zich eenzaam en verlaten na de onaangename, vertrouwde dwang.” Ze woont weer bij haar ouders maar wordt daar haast apathisch van verveling. Ze zou graag een tuinbouwopleiding volgen, maar haar vader vindt dat niks voor een meisje uit de gegoede burgerij. Als een keurige jongen om haar hand komt vragen zegt ze ja. Wat moet je anders?
Even lijkt haar huwelijk voor wat verstrooiing te zorgen, maar al snel vervalt ze in een nog ergere ennui dan bij haar ouders. Het dienstmeisje doet het huishouden, het kindermeisje zorgt voor de baby, ze mag van haar man niet in de tuin werken – mensen zouden hem voor vrek uitmaken als ze Elisabeth zelf de tuin zouden zien omspitten. De verveling, de ondraaglijke uitzichtloosheid van haar bestaan zorgen dat ze zich steeds verder vervreemdt van de mensen om haar heen, zich steeds eenzamer en geïsoleerder voelt.
Als u Marlen Haushofer kent, dan is dat waarschijnlijk van haar meesterwerk Die Wand – of van de verfilming, of van het stuk dat toneelgroep ITA ervan gemaakt heeft. In deze roman wordt een vrouw op een dag wakker in een huisje in het bos en ontdekt dat er ’s nachts een onzichtbare wand rondom haar is verrezen, die haar volledig afscheidt van de buitenwereld.
Deze wand biedt een mooie metafoor voor zowel Een handvol leven als De haha. De haha is een onzichtbare afscheiding tussen Josephine en de ‘echte wereld’, de wereld waarvan ze de regels maar niet kan begrijpen. Ook Elisabeth voelt zich afgezonderd van de wereld om zich heen, wil de regels niet volgen, kan geen contact meer maken met de mensen in haar leven. „Er was een onzichtbare wand tussen haar en alle dingen geschoven,” schrijft Haushofer, „die haar zinnen verdoofde.” Allebei zitten Josephine en Elisabeth in de val. Als vliegen blijven ze tegen het keukenraam aan botsen, ze zien de buitenlucht maar ze kunnen er niet bij.
De haha en Een handvol leven zijn in wezen ontsnappingsromans: Josephine en Elisabeth weten allebei hun lot te ontvluchten. Josephine klimt over de haha „die mijn muur was geweest en die mijn wereld had afgesloten”, rent weg uit de instelling; Elisabeth verlaat haar gezin door het te laten lijken alsof ze verdronken is. Maar jaren later bedenkt ze „dat de vrijheid waarvoor zijzelf had gekozen heel wat zwaarder te dragen was dan gevangenschap.” Dit is de vraag die beide romans achterlaten bij de lezer: waar ontsnappen Elisabeth en Josephine naartoe? Wat zijn hun opties in een wereld waarin de bewegingsruimte van vrouwen zo extreem is ingeperkt? De lezer mag het zelf invullen.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC