De druk op academische vrijheid komt niet vanuit studenten, maar vanuit politieke partijen die zich willen bemoeien met de inhoud van colleges. Ook media dragen daar aan bij door onvoldoende kritisch te reflecteren op het frame dat deze partijen gebruiken.
Sinds de moord op extreemrechtse influencer Charlie Kirk is de polarisatie in onze samenleving wederom het gesprek van de dag. In een recent artikel van Nieuwsuur wordt met een beschuldigende vinger naar universiteiten gewezen. Voor meningen van andersdenkenden, zoals Charlie Kirk en Thierry Baudet, zou aan Nederlandse universiteiten te weinig ruimte zijn. Ook de koning versterkte in zijn Troonrede het beeld van universiteiten als plaatsen waar weinig ruimte is voor discussie. Maar is dat beeld wel terecht?
De Academic Freedom Index toont aan dat er inderdaad een probleem is met academische vrijheid in Nederland. In het artikel van Nieuwsuur worden onder meer rectoren van Nederlandse universiteiten geciteerd die enkele maanden geleden hun zorgen daarover hebben geuit. Wat echter niet aan de orde komt in het artikel, is een van de belangrijke boosdoeners van minder academische vrijheid: overheidsinmenging.
Tim Miechels is docent Filosofie van de Radboud Universiteit.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
In de Verenigde Staten zien we dat een toenemend autoritair regime steeds meer inspraak wil hebben op wat er aan een universiteit wel of niet onderzocht mag worden. Onder druk van een financieringsstop moeten Amerikaanse onderzoeksinstituten zich committeren aan de wensen van het regime.
In Nederland gaat het niet veel beter. In een verklaring noemde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) de wetgeving rond de taaltoets en de Wet Internationalisering in Balans (de WIB) als voorbeelden van problematische politieke inmenging in de vrijheden van Nederlandse universiteiten.
In dat licht is het diep problematisch om mensen als Charlie Kirk en Thierry Baudet op te voeren als voorvechters van het vrije woord, tegenover universiteiten die geen ruimte zouden bieden aan andersdenkenden. Dit is namelijk precies het frame waarmee autoritaire politici als Donald Trump, Geert Wilders en Baudet zèlf ten strijde trekken tegen de academische vrijheid. Voor een gezond wetenschappelijk debat is het daarmee van van levensbelang voor universiteiten dat ze stelling nemen tegen dergelijke populisten en hun opvattingen.
Dat Nieuwsuur dit extreemrechtse frame kritiekloos en zonder tegenspraak overneemt, baart mij als academicus grote zorgen.
Laten we beginnen met Thierry Baudet, de politicus die in 2019 het meldpunt ‘Geef je linkse leraar aan’ oprichtte. In het huidige verkiezingsprogramma van zijn partij Forum voor Democratie zien we het voornemen van een verbod op zowel ‘diversity officers’ en ‘safe spaces’, als op ‘transgender-propaganda’ in het hoger onderwijs. Hoe je inhoudelijk ook denkt over deze onderwerpen: het is evident dat een verbod hierop de vrijheid van universiteiten schendt om hun eigen onderwijs vorm te geven. Om nog maar te zwijgen over de oproep je leraar te verklikken als deze iets zegt wat je niet aanstaat.
We hebben hier dus te maken met een politieke partij die direct en inhoudelijk wil ingrijpen in de onderwijsprogramma’s van Nederlandse universiteiten en hogescholen. Het ‘open debat’ waar Baudet voor pleit, is dan ook vooral een debat waarin enkel zijn mening gehoord mag worden terwijl hem onwelgevallige meningen verboden worden.
Dan de onlangs vermoordde Charlie Kirk. In de berichtgeving van de NOS wordt de extreemrechtse haatprediker en partijideoloog van Trump steevast weergegeven als ‘cultuurstrijder’ die linkse universiteiten afging om een open debat aan te gaan met andersdenkende jongeren. Dit is niet de realiteit. Kirk was geenszins geïnteresseerd in dat open debat. Hij was erop uit om eerstejaars ‘libtards’ (een kleinerende term voor links-georiënteerden, red.) op hun nummer te zetten met haatdragende taal, om dit vervolgens in korte clips te delen op sociale media. Deze clips dienden als propaganda voor Trump.
De denkbeelden die hierbij uit de mond van Kirk komen, zijn zo weerzinwekkend dat ik de collectieve verheerlijking van deze man sinds zijn dood met grote verbazing heb gade geslagen. Zo vond Kirk onder meer dat het recht om vuurwapens te bezitten wel een aantal doden per jaar waard is, dat het stenigen van homoseksuelen ‘God’s perfect law’ is, dat empathie een verzonnen new age-term is die veel schade toebrengt, dat transpersonen ziek zijn en gelyncht zouden moeten worden zoals (zwarte mensen) in de jaren ’50 en ’60. Bovendien vond hij dat hij zijn eigen dochter, indien ze zwanger zou worden door verkrachting, zou mogen dwingen de zwangerschap te voldragen.
Dergelijke opvattingen bracht Kirk dus in zijn ‘debatten’ naar voren, zonder enige bereidheid om in zijn standpunten ook maar een centimeter op te schuiven.
Mág iemand dergelijke extremistische denkbeelden uitspreken en uitdragen in een vrije samenleving? Ja, natuurlijk. Maar zijn universiteiten daarmee ook verplicht om mensen met dergelijke opvattingen een podium te geven? En is het een vorm van censuur wanneer een universiteit dit weigert? In het artikel van Nieuwsuur suggereert columnist Geerten Waling van wel.
De bandbreedte van toegestane meningen op Nederlandse universiteiten is te smal, stelt hij. Kirk zou volgens Waling vermoedelijk niet uitgenodigd worden, wat zou aantonen dat we op universiteiten niet meer bereid zijn in debat te gaan met andersdenkenden.
Wat Waling hierbij vergeet, is dat een universiteit wat anders is dan een talkshowtafel. In het wetenschappelijk debat komen verschillende standpunten aan de orde, maar er geldt daarmee geen academische verplichting om iedere mening een podium te geven. En al helemaal niet als die mening niet gestoeld is op gedegen wetenschappelijk onderzoek.
Het gaat op een universiteit immers om niet doxa, maar om episteme. Dat wil zeggen: het gaat niet om de snel gevormde mening, maar om de grondig onderzochte kennis. Of, zoals een van mijn vroege docenten steevast reageerde, wanneer een student een vraag of opmerking begon met de woorden ‘ik vind’: ‘Ik ben amper geïnteresseerd in mijn eigen mening, laat staan in die van u.’
Het idee dat iedere ideologie die als mening wordt gepresenteerd een podium zou moeten krijgen op de universiteit, is een karikatuur van de academische vrijheid.
Tegelijkertijd moeten we de misvatting bestrijden dat universiteiten waardevrije, objectieve en neutrale instituten zouden zijn. Dat zijn ze niet, en dat kunnen ze ook niet zijn. Er bestaat geen view from nowhere, universiteiten zijn geen geïsoleerde ivoren torens en wetenschappers zijn aan het eind van de dag gewoon mensen. Het springende punt is dat universiteiten in het ideale geval hun waarden laten dicteren door hun eigen onderzoek, niet door externe factoren.
Een duidelijk voorbeeld hiervan is het onderwerp duurzaamheid. Mijn universiteit, de Radboud Universiteit, heeft duurzaamheid als kernwaarde. Dit is niet geïnformeerd door een extern opgelegde politieke agenda en het is ook geen snel gevormde, arbitraire mening. Deze waarde is geïnformeerd door het klimaatwetenschappelijk onderzoek dat aan deze universiteit gedaan wordt. Natuurlijk gaat het weleens mis met de vertaling van onderzoek naar waarden. Maar dit is in alle gevallen te verkiezen boven een situatie waarin universiteiten hun waarden moeten afstemmen op een als neutraal gepresenteerde ideologie, die van buitenaf door de politiek wordt opgelegd.
In de woorden van Simone de Beauvoir: ‘Het is onmogelijk enig menselijk probleem te behandelen zonder vooropgezette mening. Alleen al de manier waarop de vragen worden gesteld, het standpunt dat wordt ingenomen, veronderstelt een zekere belangen-hiërarchie.‘ Met andere woorden: wantrouw degene die pleit voor objectiviteit en neutraliteit, en kijk kritisch naar welke waarden verborgen liggen onder deze claim.
De oproepen in het PVV-verkiezingsprogramma tegen onderwijs over gender en voor politiek neutrale leraren, moeten in dat licht bekeken worden. Het is nóóit een waardeneutrale keuze om onderwijs over bepaalde waarden te verbieden. Wie dit wel op deze manier presenteert, is erop uit de ander monddood te maken.
Wanneer neutraliteit onmogelijk is, dien je waarden en principes uitdrukkelijk op tafel te leggen. In mijn werk als docent aan de universiteit maak ik geen geheim van mijn politieke kleur, maar in mijn onderwijs komen tegengestelde opvattingen aan de orde. Ik ben uitgesproken links, maar heb deze zomer een proefschrift verdedigd over de filosoof Martin Heidegger, die in de jaren ’30 lid was van de NSDAP.
In mijn colleges maken studenten kennis met de opvattingen van Judith Butler over sekse en gender als non-binaire categorieën, maar ook met de conservatieve ideeën over de noodzakelijkheid van instituties van Arnold Gehlen. Als ik een college geef over het feminisme van Simone de Beauvoir, vinden studenten met een achtergrond in genderstudies me te conservatief, terwijl studenten die thuis zijn in het gedachtegoed van Jordan Peterson me te progressief vinden.
Dit alles zorgt voor debatten in mijn collegezalen die soms
verhit zijn, maar altijd blijven draaien om een gemeenschappelijke zaak die in ons midden ligt. We worden het niet altijd eens, maar we zijn gezamenlijk geïnteresseerd in de dieperliggende redenen voor onze onenigheid.
Academische vrijheid staat onder druk, maar voorlopig voel ik als docent nog de vrijheid om in mijn colleges uiteenlopende standpunten en thema’s aan de orde te brengen. Bedreiging van die vrijheid komt niet van studenten of collega’s die nog
‘woker’ zijn dan ik en me zouden willen ‘cancelen’, en ook niet van studenten die conservatiever zijn dan ik en me kritisch bevragen. De dreiging komt vanuit politieke partijen met autoritaire trekken, die zich willen bemoeien met de inhoud van mijn onderwijs. En die dreiging komt, helaas, ook vanuit media als Nieuwsuur die onvoldoende kritisch reflecteren op het frame dat deze partijen daarvoor gebruiken.
Dus laat me duidelijk zijn: de universiteit is een plaats waar verschillende standpunten en opvattingen onderzocht en besproken kunnen en moeten worden. Maar dat is wat anders dan de plicht om iedere matig onderbouwde mening een podium te geven.
Zolang ik aan de universiteit lesgeef zal het in mijn collegezalen blijven schuren voor studenten, met welke politieke achtergrond en opvattingen ze de universiteit ook binnenkomen. Maar dat betekent niet dat ik verplicht ben extreemrechtse politici uit te nodigen in mijn colleges. Hoe mooi ze ook piano kunnen spelen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant