Sinds het drama met het mishandelde pleegmeisje in Vlaardingen ligt de veiligheid van pleeggezinnen onder een vergrootglas. De Inspectie doet onderzoek en het kabinet wil de controle van pleegouders aanscherpen. Zou dat helpen?
is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over jeugdzorg en de toeslagenaffaire.
Het is dat Annabel (13) de scheldpartij van haar pleegmoeder heimelijk had opgenomen met haar telefoon. Pas na het horen van het geluidsfragment geloofden instanties wat het meisje al langer zei: dat ze zich niet veilig voelde in haar pleeggezin.
‘Jij bent van liegen en bedriegen’, schreeuwde de pleegmoeder, haar tirade kracht bijzettend met ferme klappen op de tafel. ‘Je ouders zijn dom, ik niet.’ De kinderrechter schrok van de opname die de familierechtadvocaat deze zomer op zitting liet horen. ‘Dit is diep kwetsend’, zei de rechter. ‘Dit gaat alle perken te buiten.’
Annabel – vanwege haar privacy niet haar echte naam – had deze geluidsopname dit jaar nodig om duidelijk te maken dat haar pleegouders niet goed voor haar zorgden. Er was onvoldoende naar haar geluisterd.
Dat pleegkinderen te weinig worden gehoord, is een van de manco’s in de pleegzorg die nu aan het licht komen, als direct gevolg van de schokkende zaak van het Vlaardingse pleegmeisje. Dat inmiddels 11-jarige meisje werd zo ernstig mishandeld door haar pleegouders dat haar leven in gevaar kwam. In mei 2024 belandde ze zwaargewond in het ziekenhuis. De rest van haar leven zal ze afhankelijk zijn van intensieve zorg.
Dit jaar maakte Inspectie-onderzoek duidelijk hoeveel fouten de verantwoordelijke instanties hadden gemaakt. De hulpverleners die haar moesten beschermen, negeerden duidelijke signalen. Ook toen ze zelf meerdere keren alarm sloeg, luisterde niemand. Drie andere pleegkinderen in het gezin zijn eveneens geslagen en ernstig verwaarloosd.
De schok van dit drama dreunt na in de pleegzorgwereld. Het was aanleiding voor de Inspectie om de hele sector te onderzoeken – de uitkomsten worden donderdag bekend. De overheid broedt ondertussen op maatregelen om pleegouders beter te controleren. Om, zeggen de bewindspersonen, ‘zo de kans op herhaling tot een minimum te beperken’.
De zaak roept de vragen op of de andere pleegkinderen wel veilig zijn (al is wat er in Vlaardingen gebeurde duidelijk een exces), en hoe toezicht kan worden verbeterd. Hierover bevroeg de Volkskrant pleegzorgorganisaties, pleegouders en andere betrokkenen.
Eén ding staat vast: de impact van ‘Vlaardingen’ is groot. Alle pleegzorgorganisaties hebben hun eigen werkwijze onder de loep genomen, stellen zij. Sommige zeggen ‘alerter’ te zijn op signalen van onveiligheid.
Opvallend genoeg vinden ook de meeste van de tien pleegouders die de Volkskrant sprak dat controle scherper moet. De rotte appels moeten eruit, klinkt het. ‘Vlaardingen’ heeft het pleegouderschap in een ander licht gezet, merken zij. Voorheen oogstten zij vooral bewondering, nu voelen ze zich soms met wantrouwen bekeken. Dan vraagt iemand bijvoorbeeld quasi-grappend: ‘Sluit jij je pleegkinderen ook op?’
Duidelijk is ook dit: verreweg de meeste van de circa vijftienduizend pleeggezinnen in Nederland bieden veilig onderdak aan ongeveer twintigduizend kinderen. Het gaat om ruim de helft van het totale aantal kinderen dat voor kortere of langere tijd niet thuis kan wonen, al dan niet na een uithuisplaatsing door een kinderrechter. Bij voorkeur worden ze ondergebracht bij grootouders of ooms en tantes. Anders komen zij terecht bij pleegouders die ze niet kennen.
Pleegouders vormen de meest onmisbare groep vrijwilligers van de jeugdzorg. Voor een onkostenvergoeding van maximaal 800 euro per maand per kind nemen ze vaak ernstig getraumatiseerde kinderen op in hun gezin. Uit onderzoek blijkt dat in enkele procenten van de pleeggezinnen mishandeling of misbruik plaatsvindt. Een hard getal is niet te geven, wel is zeker dat de risico’s voor kinderen in instellingen veel groter zijn.
De overheid is wettelijk verplicht pleegkinderen een veilige plek te bieden. Onveilige pleeggezinnen kunnen toch al kwetsbare kinderen zoals de 13-jarige Annabel opzadelen met een volgend trauma, vertelt haar biologische moeder. De 33-jarige vrouw kon tijdelijk niet de intensieve zorg opbrengen voor haar dochter, die autistisch is en een laag IQ heeft. De reden is wrang. ‘Ik was zelf bezig met traumatherapie omdat ik als kind ben mishandeld in een pleeggezin.’
Hoe filter je die slechte pleegouders er het effectiefst uit?
Die taak ligt bij de pleegzorgorganisaties. Ze bestaan sinds de jaren negentig, toen pleegzorg officieel werd erkend als een vorm van hulpverlening. Sindsdien kwamen er ook ‘richtlijnen’ voor pleegzorg.
Die schrijven voor dat pleegouders eerst door een screening moeten komen. Allereerst is een zogenoemde Verklaring van geen bezwaar (VGB) verplicht. Daarvoor scant de Raad voor de Kinderbescherming de justitiële registers, om na te gaan of de aspirant-pleegouders of hun huisgenoten bijvoorbeeld eerder zijn veroordeeld voor een zedendelict, of daarvan zijn verdacht. Daarna onderzoekt de pleegzorgorganisatie met een reeks gesprekken en huisbezoeken of het gezin kinderen een veilig thuisgevoel kan bieden.
Veel pleegouders ervaren de screening als intensief. Maar zijn ze eenmaal pleeggezin, dan voelen velen zich nauwelijks nog gecontroleerd. Dezelfde pleegzorgmedewerker met wie zij regelmatig contact hebben voor ondersteuning bij de opvoeding van hun pleegkind, moet ook in de gaten houden of de kinderen veilig zijn in het pleeggezin. Onder meer met een jaarlijkse ‘veiligheidscheck’.
Die ‘veiligheidscheck’ is echter niet meer dan een vragenlijst die de pleegzorgbegeleider bij het jaarlijkse evaluatiegesprek doorneemt met het pleeggezin. Onderwerpen zijn bijvoorbeeld of de pleegouders iets ingrijpends hebben meegemaakt, zoals een echtscheiding of ontslag – de stress die dat oplevert, zou het risico op mishandeling verhogen.
Meerdere pleegouders omschrijven het gesprek echter als een jaarlijks ritueel, waarbij plichtmatig een reeks punten wordt afgevinkt. Zeker als ze de pleegzorgmedewerker al jaren kennen. Dan knelt het dat de pleegzorgmedewerker die hen moet ondersteunen, ook degene is die hen moet controleren. Dat bleek ook in het geval Vlaardingen. De betreffende pleegzorgbegeleider was zo familiair met het Vlaardingse pleeggezin geworden dat hij blind was voor hun misdaden.
Opvallend is bovendien hoezeer de vermeende veiligheid in een pleeggezin afhangt van wat één pleegzorgbegeleider waarneemt. Als een kind door de rechter uit huis wordt geplaatst, is er ook een jeugdbeschermer betrokken bij de veiligheid van het kind. Maar is er geen jeugdbeschermer, dan staat de pleegzorgmedewerker er grotendeels alleen voor.
Sommige pleegzorgwerkers ervaren deze verantwoordelijkheid als loodzwaar, vertellen ze de Inspectie. Het zou helpen als een collega zou meegaan, bijvoorbeeld als zij een onderbuikgevoel hebben bij een bepaald pleeggezin. Maar in de praktijk lukt dit vaak niet, vanwege de hoge werkdruk.
‘Vlaardingen’ heeft veel pleegouders aan het denken gezet over het ervaren gebrek aan toezicht. Miriam Frijns (53) besloot zelfs haar pleegzorgorganisatie expliciet te vragen haar strenger te controleren.
Met haar man vormt Frijns al negentien jaar een pleeggezin. Ruim dertig kinderen woonden voor kortere of langere tijd bij hen in hun rijtjeshuis in Apeldoorn. Foto’s van hun twee huidige pleegkinderen hebben een plek in de familiefotocollage die boven de groene velours bank hangt.
‘Kom eens onaangekondigd langs om te kijken hoe het met ons gezin is, loop eens door ons huis’, stelde Frijns de pleegzorgorganisatie voor. Ze vroeg zich ook af of het na twintig jaar niet eens tijd was voor een nieuwe Verklaring van geen bezwaar.
Het antwoord stelde haar niet gerust: ‘Over jouw gezin maken we ons geen zorgen’, kreeg Frijns te horen. ‘Fijn natuurlijk, dat de pleegzorg mij vertrouwt. Maar aan mijn buitenkant kun je niet alles zien. Voor hetzelfde geld behandel ik de kinderen slecht.’
Ook de politiek wil na het drama in Vlaardingen de tussentijdse screening van pleegouders verscherpen. Bijvoorbeeld door de VGB elke vijf jaar te laten vernieuwen. Een andere geopperde maatregel is om pleegouders continu justitieel te screenen. Dan wordt er regelmatig automatisch gecheckt of er meldingen zijn in justitiële systemen, zoals ook bij kinderopvangmedewerkers wordt gedaan.
Maar deze methoden filteren niet alle kwaadwillende pleegouders, waarschuwen betrokkenen: alleen wat al bij justitie bekend is, komt boven water. De Vlaardingse pleegouders, bijvoorbeeld, zouden er niet mee door de mand zijn gevallen.
Het is een typisch Nederlandse reflex, signaleerden bestuurskundigen al vaak, om na een verschrikkelijk incident nieuwe protocollen in te voeren in de ijdele hoop alle onveiligheid uit te bannen. Het schokkende van ‘Vlaardingen’ is echter dat de betrokken pleegzorgorganisatie Enver de bestaande regels niet had nageleefd: de aanleiding voor het Inspectie-onderzoek naar alle pleegzorgorganisaties. De eerste drie voltooide onderzoeken laten zien dat dit structureel is.
Een belangrijk voorschrift is bijvoorbeeld om drie keer per jaar met de pleegkinderen te spreken, zonder aanwezigheid van hun pleegouders; zij kunnen immers het beste zelf vertellen hoe het met ze gaat in het pleeggezin. Bij de onderzochte organisaties gebeurde dit onvoldoende.
Bij Enver werd überhaupt niet goed vastgelegd of er individueel wordt gepraat met pleegkinderen. Bij een andere doorgelichte organisatie, Jeugdformaat, worden ‘pleegkinderen niet altijd gezien en gesproken, laat staan een-op-een’. Ook enkele andere pleegzorgorganisaties erkennen tegen de Volkskrant dat zij pleegkinderen voorheen onvoldoende individueel spraken.
Dat deze belangrijke taak erbij inschiet, komt onder meer door tijdgebrek. Pleegzorgbegeleiders zijn vaak druk met crisissituaties. Ook kunnen de betrokken jeugdbeschermer en pleegzorgbegeleider van elkaar denken dat de ander het kind wel spreekt.
In het geval van Vlaardingen stond de pleegmoeder het niet toe om buiten haar om met het meisje te spreken. Dat de hulpverleners hiermee genoegen namen, noemde de Inspectie onbegrijpelijk. Het is niet duidelijk of dit vaker gebeurt.
Dit moet dus beter. Maar praten met pleegkinderen kan soms ook lastig zijn. Met name pubers hebben vaak geen zin in de zoveelste hulpverlener en laten niet altijd het achterste van hun tong zien. Zo kwam een pleegzorgbegeleider er pas achter dat een jongen was mishandeld door zijn pleegouders, nadat hij was weggelopen uit dat gezin. Zij vroeg hem waarom hij niet eerder aan de bel had getrokken. ‘Hij bleek bang dat wat hij vertelde ook met zijn pleegmoeder zou worden besproken. En dat hij dan nog meer problemen zou krijgen.’
Hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning bevestigt dat niet elk mishandeld pleegkind zich daarover durft uit te spreken, vanwege de afhankelijke positie waarin het verkeert. Schrijnend aan het drama in Vlaardingen is dat dit pleegmeisje juist wel meerdere keren aan anderen had verteld over haar ellendige situatie. Onbegrijpelijk, zegt Bruning, dat niemand de moeite nam haar noodkreet te onderzoeken. In zo’n geval hadden volgens haar ‘alle alarmbellen moeten rinkelen’.
Zo legt de Vlaardingen-zaak de vingers op een volgende zere plek: jeugdbescherming en pleegzorg is mensenwerk, en mensen kunnen fouten maken. Als de verantwoordelijkheid te zeer bij één medewerker ligt, zonder afdoende controle, kan dat fataal zijn.
Het drama in Vlaardingen heeft dus meerdere tekortkomingen in de pleegzorg blootgelegd, van een gebrekkige tussentijdse screening tot het te weinig luisteren naar de pleegkinderen. Maar er zijn meer knelpunten. Het tekort aan pleeggezinnen neemt snel toe en er zijn ook te weinig jeugdbeschermers en pleegzorgmedewerkers.
Pleegkinderen hebben bovendien gemiddeld steeds zwaardere problemen, onder meer doordat er minder andere woonplekken beschikbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege de afbouw van de gesloten jeugdzorg. Daarin schuilt een nieuw risico, omdat het risico op mishandeling toeneemt als pleegouders niet weten hoe ze moeten omgaan met het afwijkende gedrag van een pleegkind.
Door dat tekort aan pleeggezinnen is het moeilijker een passende plek te vinden. Bij het eerdergenoemde pleegmeisje Annabel had de pleegzorgorganisatie grote twijfel of zij wel op haar plek was in het betreffende pleeggezin, maar er was op dat moment geen alternatief.
Pleegouders hopen vooral dat in het huidige debat over veiligheid niet ondersneeuwt hoe pleegzorg ook een verrijking kan zijn voor een gezin. Zoals pleegzoon Rohan (6) in het gezin van pleegouder Sonja Koonen. Rohan kwam, zeven weken oud, bij hen wonen. Het zou voor drie weken zijn, maar de duur werd telkens verlengd. Nu is besloten dat het jongetje bij hen kan opgroeien. ‘Onze biologische dochter Eva en hij keken elkaar aan en besloten: wij zijn broer en zus. We hebben ook prettig contact met zijn biologische ouders, die ons hun vertrouwen geven. Het is helemaal goed zo.’
Dit artikel is gebaseerd op een enquête die 17 van de 29 pleegzorgorganisaties invulden. En op gesprekken met tien pleegouders, vijf van hen via de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Ook sprak de Volkskrant met andere betrokkenen en zijn inspectierapporten, onderzoeken, Kamerbrieven en richtlijnen geraadpleegd.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant