Burgerschap In een tijd waarin individualisering het collectieve lijkt te verdringen, is er behoefte aan ‘actief burgerschap’. Dat is althans wat twee aanjagers van het idee geloven. En daarvoor zijn lokale pioniers nodig die mensen samenbrengen.
Bijeenkomst in het ‘Huis van Actief Burgerschap’ in de bibliotheek op de Neude in Utrecht.
Er bloeit iets in Nederland. Je ziet het niet als je op de tv over crises in Den Haag hoort praten, over politici die rollebollend over straat gaan en over de problemen die mensen opgelost willen zien, maar niet opgelost worden. Je moet ervoor naar buiten, de straten op, de buurten in, achter voordeuren komen.
Dat is althans wat Floor Ziegler (54) en Teun Gautier (57) geloven, ‘aanjagers van actief burgerschap’ noemen ze zichzelf. Op een donderdagochtend in augustus kijken allebei stralend in de lens van hun webcams. Op het scherm staan ook vijf inbellers uit Sassenheim, Rotterdam, Emmen en Bergen. Jullie, zegt Gautier tegen ze, „zijn de pioniers”. Ze openden een ‘repair café’ waar mensen kapotte dingen kunnen laten repareren, begonnen buurthuizen, vormden een oude supermarkt om tot ‘ontmoetingsplaats’ waar nu gekookt wordt, kleren worden genaaid, fietsen gerepareerd en kleding wordt weggegeven. Op de ene plek heet het een ‘Wijkpaleis’, in de andere een ‘multifunctioneel centrum’, maar idee en praktijk zijn overal hetzelfde: mensen die iets dóen, die een gemeenschap vormen.
En Gautier heeft goed nieuws. Al langer is hij met het ministerie van Binnenlandse Zaken in gesprek, in de kringen waarin Gautier zich begeeft noemen ze dat „de systeemwereld”. De minister was langs geweest bij een bijeenkomst over lokale initiatieven en schreef in een Kamerbrief lyrisch over wat ze aantrof. En nu, kondigt Gautier aan, komt er geld van de overheid om elders in Nederland te beginnen wat Lisa en Daan in Sassenheim, Anja in Emmen, Arend Jan in Bergen en Marieke in Rotterdam al jaren hebben: ‘huizen van actief burgerschap’.
Ziegler wandelde jarenlang door buurten en wijken en zag hoe overal gemeenschapszin floreerde, bijvoorbeeld in buurthuizen, ook, of júist, in een tijd waarin de individualisering het collectieve leek te verdringen. Als ‘stadmaker’ was dat ook precies waar ze al jaren aan werkte. Ze faciliteerde inwoners die meer groen in hun buurt wilden, of die plekken van samenkomsten bouwden. Daar zag ze ook hoe zulke initiatieven nogal eens tegen de ‘systeemwereld’ van regelzuchtige overheden aan liep. Wie ze in die tijd ook leerde kennen, was Teun Gautier, onder meer voormalig uitgever van de Groene Amsterdammer. Ze vonden elkaar eerst in hun liefde voor gemeenschappen, en later in die voor elkaar.
Floor Ziegler wandelde jarenlang door buurten en wijken en zag hoe overal gemeenschapszin floreerde.
Bij de maandelijkse bijeenkomsten stapt er elke keer iemand uit het bedrijfsleven of de overheid op een zeepkist met een vraag aan de samenleving.
Er is, zegt Gautier na het Zoom-gesprek, een driehoek van „samenleving, overheid en bedrijfsleven. Maar die driehoek is in onbalans geraakt, omdat de samenleving genegeerd wordt”. Voor veel problemen, denkt hij, wordt vooral gekeken naar de overheid of het bedrijfsleven. Dat komt volgens hem onder meer doordat de samenleving „heel erg versnipperd is”. Om in die driehoek de samenleving te versterken, moeten lokale initiatieven volgens Gautier daarom samenkomen om ze „onderdeel te laten zijn van een grotere beweging”: „Dan merkt de buurttuin in Den Haag dat ze niet alleen zijn, maar onderdeel van een bredere ontwikkeling in heel Nederland.”
En dat „samenbrengen van de collectieve kracht”, hebben Gautier en Ziegler zich voorgenomen, moet nu landelijk gebeuren. Vandaar de Zoom-bijeenkomst met vijf „pioniers”. Zij weten wat er voor nodig is om lokaal iets van de grond te krijgen. Er gaat geld komen, zegt Gautier opgewerkt, waarna z’n gelaat betrekt: „Dat is ook gif. Want als er geld is, gebeuren er gekke dingen. Dus de vraag is: hoe snel willen we groeien? Willen we in één stap naar tweehonderd huizen van actief burgerschap? Of beginnen we met deze club? Hoe gaan we besluiten nemen?” Ziegler: „Als er grote begrotingen zijn, gaan mensen plannen maken omdat er geld is. Hoe maken wij de inhoud leidend?” De lokale pioniers kijken de camera in. Zij dóen dat allemaal al, lijken ze te denken, juist door hun kleinschaligheid.
Er ontstaat wat discussie: moeten de lokale ‘huizen’ niet vooral blijven doen wat ze al doen, in plaats van in een landelijke mal gegoten worden? Het is juist interessant, zegt Marieke van het Wijkpaleis in Rotterdam, „als we allemaal de ruimte hebben om zelf actief burgerschap vorm te geven”. Gautier: „Op veel plekken is al geoefend. Het gaat er nu om een merger [fusie] te maken.”
In die ‘huizen van actief burgerschap’ zouden wat Gautier en Ziegler betreft overal in Nederland lokale initiatieven moeten kunnen samenkomen. Het is dan een plek waar mensen die een energiecoöperatie starten of een park aanleggen terecht kunnen. Wie moeten ze hebben bij de gemeente? Welke potjes zijn er? En: hoe zorgen ze dat de overheid niet in de weg staat?
Een dag na de Zoom-bijeenkomst zitten in een zaaltje van de Utrechtse bibliotheek aan het Neude zo’n dertig mensen. De ruimte, direct naast de ingang van de bieb, is het landelijke Huis van Actief Burgerschap, en de mensen aan de tafel zijn precies dat: actieve burgers die zich elke dag inzetten voor de gemeenschappen waarin ze wonen en die actief zijn in landelijke netwerken van bewonersinitiatieven. Ze vormen de ‘We doen het samen-coalitie’, zoals Ziegler haar initiatief.
Ze delen ervaringen en problemen. Bijvoorbeeld over het Didam-arrest, waardoor gemeentes niet meer zomaar een lokaal pand aan een lokale partij kunnen gunnen, maar openbaar moeten verkopen. Hoe, vraagt een man, „kunnen we een plek redden die anders aan de markt verkocht wordt?”
In ‘huizen van actief burgerschap’ zouden volgens de aanjagers overal in Nederland lokale initiatieven moeten kunnen samenkomen.
Dan pakt Edwin Velzel een zeepkist op. De topman van pensioenfonds PGGM zou eigenlijk óp die kist moeten gaan staan, dat is het hele concept, maar hij zet ‘em op de tafel en plaatst daarop zijn laptop. Bij de maandelijkse bijeenkomsten van de coalitie, is het idee, stapt er elke keer iemand uit het bedrijfsleven of de overheid op de kist met een vraag aan de samenleving. Zo kan de samenleving helpen zo’n probleem op te lossen en wordt, hopen ze, de ‘driehoek’ hersteld. Velzel brengt vooral kennis en laat een reeks grafieken zien. Dat eenzaamheid bijvoorbeeld ongezonder is dan roken. Maar ook dat vrijwilligerswerk doen beter werkt tegen die eenzaamheid dan sporten. „Door gemeenschappen te bouwen zijn mensen minder eenzaam”, zegt hij.
Dat geloof in gemeenschappen is één reden waarom Ziegler en Gautier een landelijk netwerk van ‘huizen’ willen opbouwen. Een andere reden is dit: dat ze geloven dat de samenleving veel problemen beter kan oplossen dan de overheid, zeker als ze beter samenwerken. Het was zo, zegt Ziegler, „dat mensen zelf een kopje soep brachten naar de buren, maar de overheid heeft dat overgenomen”. Het welzijnswerk professionaliseerde, later kwam de marktwerking. Gautier begint over de wijk Delfshaven in Rotterdam, waar een lokale ‘coalitie’ van burgerinitiatieven het welzijnswerk wilde gaan uitvoeren. „Maar dan beland je in een aanbesteding, en die verlies je. In dit geval van een bedrijf dat gespecialiseerd is in schoonmaak en beveiliging.”
Te vaak, denken zij, vindt de overheid zichzelf degene die problemen moet oplossen, zonder oog te hebben voor de „kracht” die er in de samenleving en lokale gemeenschappen zou bestaan. Tijdens de bijeenkomst in Utrecht stapt ook een ambtenaar van Binnenlandse Zaken de zeepkist op die precies dat zegt en toevoegt: „De cultuur binnen het ministerie staat gemeenschapskracht niet toe.”
Hoe kan dat veranderen? Velzel van PGGM zegt dat „de systeemwereld” aansluiting moet vinden bij „de gemeenschappen”. Hij noemt het zijn „persoonlijke missie” dat die wereld bijvoorbeeld weet wíe ze moeten hebben in die gemeenschappen als ze iets willen. Sommige aanwezigen vinden dat alsnog teveel vanuit de systeemwereld gedacht. Ze beginnen over ambtenaren die vragen hoe een probleem opgelost moet worden, of die namens „de burger” zeggen te spreken. „Maar waarom zit de burger niet zélf aan tafel?”, vraagt een van hen.
Ideeën voor een florerende democratie
Hoe meer lokale ‘huizen’ er ontstaan, hopen Ziegler en Gautier, hoe beter die aansluiting ontstaat. Maar groei brengt ook risico’s met zich mee, blijkt uit een verhaal van de Wageningse Elsje. Ze stapt op de zeepkist. In tien jaar tijd heeft zij met anderen een „superdiverse gemeenschap opgebouwd”, het ontmoetingscentrum Thuis Wageningen waar bijvoorbeeld eten wordt gedeeld, kleding wordt gemaakt en spelletjes worden gespeeld. Maar nu staan ze op een „kantelpunt”. Het dreigt té groot te worden, er ontstaat bureaucratie.
Ziegler knikt. Een dag eerder was het in de Zoom-bijeenkomst ook al over dit dilemma gegaan. Lokale initatieven vinden elkaar, samenkomsten als die in Utrecht moeten als vliegwiel dienen, het geld van Binnenlandse Zaken helpt. Maar te snel groeien is een gevaar. De initiatieven moeten een „zwerm van netwerken” blijven, zegt Ziegler. „Als het systemisch wordt, dreig je het contact met de gemeenschap weer te verliezen.”
De landelijke politiek beloofde de laatste jaren grote hervormingen, maar die kwamen amper tot stand. Op tal van vlakken namen burgers zelf het initiatief om veranderingen teweeg te brengen. In de aanloop naar de verkiezingen toont NRC in een serie, ‘De doorbrekers’, de mensen die – nu Nederland ‘stilstaat’ – het heft in handen nemen.
Deel 1: Een regeneratieve burgerboerderij in Millingen aan de RijnDeel 2: Met slimme laadpalen en auto’s als buurtbatterijen wil Robin Berg de energietransitie versnellenDeel 3: Veendam gooide de marktwerking overboord in de jeugdhulp en zie: de wachtlijsten verdwenenDeel 4: De democratische balans herstellen: ‘De samenleving kan veel problemen beter oplossen dan de overheid’
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC