Home

‘We denken onterecht dat we de boel op orde hebben’

Opinie-interview Nederland kent een ongekende periode van bewustwording rond geweld tegen vrouwen. Tegelijkertijd worden woorden om dit geweld te bestrijden uit beleid geschrapt, ziet Renée Römkens.

Sinds de moord op de 17-jarige Lisa beleeft Nederland een ongekende periode van bewustwording rond geweld tegen vrouwen: van landelijke acties tegen femicide en straatintimidatie tot gemeenten die onderzoek doen naar het herontwerpen van de publieke ruimte en een kabinet dat pepperspray wil legaliseren. Paradoxaal genoeg worden tegelijkertijd woorden om dit geweld te kunnen duiden, en dus effectief te kunnen aanpakken, uit overheidsstukken geschrapt. Begin september legden De Groene Amsterdammer en Investico bloot hoe ambtenaren de opdracht krijgen bepaalde termen, waaronder gendergelijkheid, non-binair en inclusie, in beleidsstukken te vermijden. Een minister bleek zelfs antwoorden op Kamervragen aan te passen door meermaals het woord gender te schrappen.

CV

Renée Römkens (1953) is emeritus hoogleraar gendergerelateerd geweld aan de Universiteit van Amsterdam en was van 2012-2019 directeur van kennisinstituut Atria. In 1992 promoveerde zij cum laude aan de UvA op het proefschrift Gewoon geweld? – het eerste representatieve Europese bevolkingsonderzoek naar de omvang, achtergronden en gevolgen van geweld in man-vrouwrelaties.

Eerder was zij hoogleraar Interpersoonlijk Geweld aan Tilburg University en gastonderzoeker aan onder meer Columbia University en New York University. Ze publiceerde verschillende boeken, waaronder Het omstreden slachtoffer (1996) en was medesamensteller van de essaybundel Voorbij de verbijstering (2023).

Römkens was expert-adviseur voor het European Institute on Gender Equality en was wetenschappelijk adviseur voor de Istanbul Conventie van de Raad van Europa.

Voor Renée Römkens komt dit niet als verrassing. De emeritus hoogleraar deed begin jaren negentig het eerste representatieve bevolkingsonderzoek in Europa naar geweld tegen vrouwen en zag in haar carrière hoe onderzoek naar genderaspecten onder druk kwam te staan. Ze spreekt van een „paradoxaal verschijnsel”: juist nu de aard en omvang van geweld tegen vrouwen zichtbaarder wordt, ontstaat er ook een tegenbeweging.

De pogingen tot censuur in beleidsstukken komt voor u niet als verrassing. Wat herkent u precies in die berichtgeving?

„Het is onderdeel van een ontwikkeling die al langer gaande is, al is het wel nieuw dat het nu zo openlijk wordt gezegd. Zo geeft vertrokken minister Klever (PVV) aan dat er bewust is gekozen voor neutraler taalgebruik. Mijn ervaring is dat het eerder meer verhullend gebeurde. Ik herinner me een voorval uit 2016 toen ik directeur was van Atria, het kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis. Er kwam een ambtenaar langs die in de loop van ons gesprek vroeg of ik wilde meedenken over de aanpak van gendersensitief beleid rond geweld tegen vrouwen. Hij mocht het woord gender alleen niet opschrijven, want de bewindspersoon vond het „een jeukwoord”.’

Waarom is het problematisch als woorden als ‘gender’ en ‘gendergelijkheid’ uit beleidsstukken verdwijnen?

„Die neutralisering zorgt ervoor dat je voorbijgaat aan de realiteit dat vrouwen een veel groter risico lopen om slachtoffer te worden van ernstig partnergeweld. Het is een misvatting om te denken dat als je mensen gelijk behandelt, je daardoor neutraal bent en dat dat een goede zaak is. Als je doet alsof mannen en vrouwen in gelijke mate slachtoffer en dader zijn, kun je ook geen effectief beleid maken. De aard, ernst en context van geweld tussen beide groepen verschilt, waardoor een andere aanpak nodig is.

„Internationaal worden we daar ook regelmatig op gewezen. Zo kregen we in 2020 kritiek van een groep deskundigen die onderzoekt of landen de Istanbul Conventie naleven, het verdrag van de Raad van Europa over de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. In het Nederlandse actieplan Geweld hoort nergens thuis werden vrouwen niet specifiek als risicogroep benoemd. Er werd gesproken over „geweld in afhankelijkheidsrelaties”, dat was in zekere zin ook al een vorm van het bewust vermijden van genderspecifieke taal.”

In de nieuwe emancipatienota (het kabinetsbeleid voor de rechten en emancipatie van vrouwen en LHBTIQ+ personen) verdween het woord gender bijna volledig: van 40 naar twee vermeldingen. Woorden als genderdiversiteit en intersectionaliteit verdwenen helemaal. Wat vindt u daarvan?

„Dit is naar mijn mening een illustratie van de conservatieve backlash die al een tijd gaande is. Dit soort ontwikkelingen gaan vaak in golfbewegingen. In de jaren zeventig en tachtig zette de vrouwenbeweging geweld tegen vrouwen expliciet op de agenda – het eerste blijf-van-mijn-lijfhuis dateert uit 1974. Maar vanaf de jaren negentig begon een tegenbeweging naar genderneutralisering. Die kreeg in 2002 haar beslag met de eerste kabinetsnota over huiselijk geweld: Privé geweld, publieke zaak. Dat was historisch, omdat het kabinet voor het eerst zei: wij hebben hier een taak in. Maar geweld werd gepresenteerd als een probleem van „mannen, vrouwen en kinderen in gezinnen”, alsof iedereen in gelijke mate slachtoffer en dader is. Het woord „vrouwen” komt in die nota heel weinig voor. Sinds ongeveer 2010 kwamen genderspecifieke termen terug en raakte bijvoorbeeld „intersectionaliteit” ingeburgerd. Nu slaat de pendule voor het eerst nadrukkelijk om naar pogingen tot censuur.”

Het doet ook denken aan Trumps verboden woordenlijst, die The New York Times publiceerde. Ook op die lijst komen woorden als ‘gender’, ‘non-binair’, ‘biologisch vrouw’ of ‘feminisme’ voor. Is dit een voorbode?

„Het verschil met de VS is dat er hier nog geen concrete lijst met taboewoorden lijkt te zijn, maar de druk is er wel degelijk. De VS zijn ons vaker voorgegaan, en als je ziet hoe het daar begon in februari, en waar ze nu staan: dat is dramatisch. Een voorbeeld: een promovendus aan Columbia University kreeg begin maart plots te horen dat haar onderzoek naar baarmoederfibromen werd stopgezet, een aandoening die 77 procent van de vrouwen treft naarmate ze ouder worden. Onderzoek dat zich richt op vrouwen, gender of diversiteit lijkt systematisch onder vuur te liggen of te worden stopgezet. Dit is slechts een van de voorbeelden weet ik uit gesprekken met Amerikaanse collega’s, er dringt hier echt nog maar een fractie door van wat daar gaande is.”

Hoe groot is de druk op mensen die wél deze woorden willen blijven gebruiken?

„Mijn zorg is dat weinig ambtenaren in de positie zijn om zich hiertegen te verzetten. Als ambtenaar moet je gewoon het beleid uitvoeren van jouw minister. Je ziet het nu met ambtenaren die stilzwijgend protesteren door op de stoep te gaan zitten, maar verder zijn je mogelijkheden beperkt. Welke mensen kunnen het zich veroorloven om ontslag te nemen? Het is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is niet iedereen gegeven om te zeggen ‘ik doe hier niet aan mee’. Als dit soort taboes gevolgen hebben voor financiering van onderzoek of voor posities van mensen, zet dat de vrijheid van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek onder druk en daarmee sluipt censuur de wetenschap in. Dat is wat we nu in de VS zien gebeuren.”

Hebben we in Nederland te lang weggekeken van dit soort conservatieve, deels populistische tendensen?

„Ja, en als we niet oppassen zullen we hiervoor een hoge prijs moeten betalen. Wat er nu gebeurt is een uitholling van de bestuurlijke mores, die ertoe leidt dat afspraken en wetten terzijde worden geschoven. Je ziet hoe rechts-conservatieve, populistische politici vatbaar zijn gebleken voor een ontwikkeling die door het Vaticaan in gang is gezet: gender als ideologie betitelen, terwijl dat het niet is.’

Wat is het dan wel?

„Gender verwijst naar hoe mensen zich voelen en identificeren qua positie op het continuüm van vrouwelijkheid en mannelijkheid en alles daartussen, de psychologische, sociale en culturele kant, los van biologische kenmerken. Er zijn uit onderzoek voldoende aanwijzingen dat er geen strikte tweedeling bestaat tussen man en vrouw, maar dat het een schaal is waarop mensen op verschillende posities kunnen staan. Dit komt historisch consistent voor door verschillende culturen heen. Politici die zeggen ‘gender is flauwekul, je hebt mannen en vrouwen en verder niks’, ontkennen deze empirische realiteit van verschillen.’

Waarom is Nederland zo vatbaar voor dit soort tendensen?

„We hebben al jaren een vertekend zelfbeeld over hoe geëmancipeerd we zijn. Nederland heeft zijn pr internationaal ontzettend goed op orde. Toen ik eens in Japan een lezing gaf over geweld tegen vrouwen in Nederland, waren ze stomverbaasd: ‘Hoezo is er in Nederland zoveel geweld, het is daar toch zo progressief?’ Ons vooruitstrevende imago is met name gelinkt aan seks en drugs, en wordt ten onrechte gekoppeld aan emancipatie. De realiteit: op emancipatiegebied behoren we tot de middenmoot, vergeleken met onze buurlanden bungelen we zelfs onderaan lijstjes. Dit jaar zijn we op de internationale Gender Gap Index nog verder gezakt, van plaats 28 naar 43. Die zelfgenoegzaamheid zorgt ervoor dat we onterecht aannemen dat we de boel hier op orde hebben, en dus ook kwesties als genderongelijkheid al hebben opgelost.”

Wat is het gevolg?

„Als dit doorgezet wordt langs de lijn die we in de VS zien, krijg je directe censuur en een aanval op de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek. Als bewindspersonen ambtenaren zo aan de leiband leggen dat bepaalde woorden niet meer gebruikt mogen worden op gronden die aanvechtbaar zijn, dan ga je niet meer in dialoog. Het is bovendien in strijd met de vrijheid van onderwijs en internationaal vastgelegde afspraken. Dat zou ons grote zorgen moeten baren.”

Hoe kunnen we dit tegengaan?

„Gewoon doorgaan met het aan de kaak stellen hiervan. Vasthouden aan een onafhankelijke, soevereine onderzoekshouding, juist in tijden waarin de kneveling toeneemt. Ook is het nodig elkaar collectief te steunen, zoals op het terrein van gendergerelateerd geweld. De groeiende Dolle Mina-beweging bijvoorbeeld toont het besef dat er collectief, politiek gedragen respons nodig is. En dat mannen daar ook aan meedoen. Want dit moet breder gedragen worden. Geweld tegen vrouwen is niet alleen een probleem van vrouwen, net zoals racisme niet alleen een probleem is van zwarte mensen.

We hebben nu eindelijk momentum, na de moord op Lisa zijn mensen wakker geschud. Er is breed maatschappelijk onbehagen over het feit dat vrouwen niet veilig over straat kunnen. Dat moet zich nu vertalen in concrete maatregelen: wetswijzigingen, andere prioriteiten, structurele veranderingen. We mogen dit momentum niet verspillen door weer terug te vallen in onverschilligheid.”

Source: NRC

Previous

Next