column Ondernemers zijn negatief over het investeringsklimaat, klonk in de troonrede. Dat komt eerder door te weinig eisen aan bedrijven dan te veel, ziet Marike Stellinga.
De Koning zei het. Ministers zeiden het. Net als de leiders van bedrijvenverenigingen: Nederland wordt onaantrekkelijker voor bedrijven.
Steeds meer ondernemers zijn negatief over het investeringsklimaat, klonk deze week in de troonrede. Waar Nederland de bakermat was voor veel topbedrijven, dreigen we die positie te verliezen, schreef VVD-minister Eelco Heinen in de Miljoenennota. Er zou zelfs sprake zijn van een stille exodus van investeringen, volgens Ingrid Thijssen van bedrijvenvereniging VNO-NCW. Bedrijven besluiten massaal om niet meer te investeren, zei ze in De Telegraaf.
Dat klinkt omineus. Maar klopt het ook? In de harde cijfers is dat moeilijk te zien. De investeringen van bedrijven gaan op en neer. De winsten groeien harder, investeringen blijven daarbij achter, aldus het CBS. Maar het was vooral die winstgroei die de afgelopen jaren verraste.
Zachtere indicatoren wijzen wel op een verslechtering. De stemming onder bedrijven is de laatste jaren per saldo negatief, meet het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bedrijven zijn somberder dan vorig jaar over de economie en over hun eigen bedrijf, bleek uit de enquête die VNO-NCW hield voor Prinsjesdag. En op internationale ranglijsten die het ondernemersklimaat proberen te vangen, zakt Nederland.
Maar deze indicatoren hebben ook een gouden rand. Nederland zakt, maar staat nog steeds in de toptien. De stemming onder ondernemers krabbelt recent juist weer op, aldus het CBS. En bijna evenveel ondernemers verwachten in dit jaar meer te investeren als er verwachten minder te investeren. In de VNO-NCW-enquête noemt 62 procent van de bedrijven de eigen situatie goed tot zeer goed. Bijna 1 op de 10 bedrijven noemt de eigen situatie slecht.
Dus ja, hoe belabberd is het ondernemersklimaat nou?
Er is een logische verklaring waarom alle indicatoren zo ambivalent zijn: onze problemen zijn een gevolg van economisch succes, niet van ellende. Bedrijven hebben last van een economie die tegen grenzen aanloopt en regeringen die geen knopen doorhakken om ruimte te maken. Het gaat dus goed, maar ruimte om te groeien zien veel bedrijven niet. Ze botsen tegen een muur.
Neem de voornaamste belemmering voor bedrijven in de metingen van het CBS: een tekort aan personeel. Als er meer mensen waren, zouden deze bedrijven harder groeien. Hetzelfde geldt voor de fysieke en ecologische ruimte: die zit vol. Net als het stroomnet. Bouwen wordt gehinderd door het stikstofslot.
„Zo bekeken is er te veel ondernemerschap in Nederland”, zegt hoogleraar ondernemingsfinanciering Arnoud Boot. Hij onderzocht in 2023 het Nederlandse bedrijvenbeleid voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en sprak daarvoor 150 ondernemers. Conclusie: kabinetten moeten veel meer duidelijkheid scheppen voor de langere termijn, minder subsidies uitdelen, en duidelijke eisen stellen aan bedrijven. „Kabinetten zijn geneigd via subsidies en gedogen bestaande bedrijven uit de wind te houden. Daardoor krijgen nieuwe bedrijven weinig kans want er is een tekort aan alles.”
In die overvolle economie sturen regeringen eerder te weinig dan te veel, volgens Boot. „De overheid moet meer normeren en minder meebewegen met bestaande sectoren. Gedogen is toelaten dat bedrijven maatschappelijke kosten elders leggen.” Dat doen bedrijven die veel stikstof uitstoten en de natuur schaden. Of bedrijven die goedkope arbeidsmigranten inhuren zonder behoorlijke huisvesting te regelen.
„Uiteindelijk ondermijnt de overheid hiermee ook de bedrijven zelf. Als de vervuilingsnormen bij Tata Steel eerder waren gehandhaafd, zou het nu niet in zo’n financieel precaire situatie zitten. Hetzelfde geldt voor de agrarische sector. Als de overheid de stikstofuitstoot eerder had genormeerd, stond de sector er nu beter voor.” Eisen stellen aan bedrijven die veel van de maatschappij vragen, schept ruimte voor bedrijven die dat minder doen.
Neem Tata. Het kabinet is in gesprek met Tata om de staalfabriek met subsidies te vergroenen. „Maar het concurrentievoordeel van ons goedkope gas is voorbij. De businesscase is zwak. Tata stoot veel broeikasgas en stikstof uit. En andere bedrijven staan te springen om de goed geschoolde werknemers van Tata. Een afbouw van Tata biedt ruimte voor andere bedrijven. Dat zouden politici zwaar moeten meewegen.”
Boot begrijpt de zorgen van bedrijvenverenigingen heus wel. „De politiek is de laatste jaren buitengewoon grillig. Zo besloot de Tweede Kamer een paar jaar geleden midden in de nacht om drie belastingen voor bedrijven te verhogen. Regelmatig is het sentiment over bedrijven in Den Haag overdreven negatief. Maar over andere landen kan je ook klachten opdreunen. Regeldruk is in elk ontwikkeld land een probleem.”
Wat je ook niet moet doen, zegt Boot, is het ondernemersklimaat verengen tot één gegeven, zoals de energiekosten die hier hoger zijn, en eisen dat die worden verlaagd zoals het bedrijfsleven nu doet. Het vestigingsklimaat is juist een unieke optelsom. De kwaliteit van leven, het onderlinge vertrouwen, een hoogopgeleide bevolking, de infrastructuur, alles hoort erbij. „Ons land is nog steeds geweldig attractief.”
Dus wat moet een nieuw kabinet doen? De uitstoot van stikstof verminderen. Beseffen dat er alleen ruimte voor ondernemers ontstaat als de politiek bedrijven dwingt in te schikken die veel fysieke, ecologische en maatschappelijke ruimte innemen zonder daarvoor de kosten te dragen. Niet in de paniek schieten als een bedrijf sluit of vertrekt. Kiezen voor beter in plaats van meer. En: standvastig beleid maken. Want of het nou linkser of rechtser beleid is, het moet vooral tien jaar grosso modo vaststaan.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC