Iedereen zou eens moeten ervaren hoe het is om een ander in je lichaam toe te laten. Dan leer je pas echt wat ontspanning en overgave zijn – in de slaapkamer, de politiek, het leven.
Ik heb een appartement verbouwd. Dat deed ik alleen en ik had het nooit eerder gedaan. Na een paar maanden was ik zo moe dat ik geen woord meer op papier kreeg.
Een vriendin gaf me een T-shirt met de opdruk ‘TOO TIRED TO FUCK’, en hoewel dat niet helemaal waar was, voelde ik me voor het eerst thuis in de relatief passieve rol die ik als vrouw heb in heteroseks.
Natuurlijk: ja ja, ik kan van alles ondernemen in bed met een man, maar in veel gevallen lig ik toch ook ten minste een tijdje redelijk stil, terwijl mijn partner aan het zwoegen is.
En als ik dan weer eens zweetdruppels van het lieve voorhoofd veeg, voel ik me lichtelijk schuldig dat ik hem het zware werk laat doen.
Maar, zo besefte ik laatst, toen ik na het leggen van de vloer zo veel spierpijn had dat ik zelfs de binnenkant van mijn lichaam nauwgezet voelde: eigenlijk klopt er niks van dat idee. Bij wat ík doe in bed komen evenveel spieren kijken. Heel veel spieren, die allemaal in beweging moeten komen, niet om zich te spannen, maar om zich te ontspannen. Anders gaat het helemaal niet. Inspannen is de rol van degene die erin wil.
En – zo ging de postcoïtale mijmering verder – de meeste mannen realiseren zich veel te weinig dat heteroseks voor een vrouw bijna altijd betekent dat ze een ander in haar lichaam moet toelaten. En dan ook nog eens iemand die waarschijnlijk groter, zwaarder en sterker is.
Bregje Hofstede is schrijver. In non-fictieboeken boog ze zich over burn-out en slapeloosheid. In haar meest recente roman, Oersoep, onderzocht ze de mystieke kanten van bevallen, seks en drugs.
Na een paar maanden op datingapps weet ik het meteen als een man hier nog nooit over heeft nagedacht. Zo’n man komt naar je toe met een duidelijk scenario (gezien in duizend pornofilmpjes, en nu heeft hij de juiste props nodig om het na te spelen, waaronder: een vagina), en hij kijkt een beetje wezenloos naar je, want dat jij, afgezien van begeerlijke lichaamsholten, misschien ook nog een ander soort binnenwereld hebt, komt niet echt bij hem op.
Als ik niet zeker ben dat een ander mij ziet als mens (een bezield wezen met gevoelens en gedachten), en niet als instrument, zal ik altijd nee verkopen.
Gratis snelcursus goede seks: mannen, denk je even in wat moet er gebeuren voor jij je genoeg op je gemak zou voelen om een andere persoon binnen in je lichaam toe te laten. Wat zou er nodig zijn voor je bepaalde spieren genoeg kon ontspannen om dat te laten gebeuren?
Stel je voor dat er, voor elke spier die jij aanspant om te stoten, er minstens één spier moet worden ontspannen om die stoot zonder pijn en met plezier te kunnen ontvangen. En besef even de omvang van de opdracht waar die ander voor staat.
Als je erin wilt, maak jezelf dan vertrouwd met iemands binnenwereld. Toon iets van jezelf. En niet de stoere bullshit, dat werkt niet; toon de zachte en warme stukjes, zorg dat iemand ruimte voor je wil maken, sterker nog, je gretig naar binnen trekt. Een kut kán dat, heb je dat nooit meegemaakt? Een kut is geen gat, het is een actief gebied vol zenuwen en spieren.
Dit is een beetje een hard sell, dat geef ik toe, maar wat zou heteroseks erop vooruitgaan als alle mannen ervaring zouden opdoen met anale seks. En dan het ontvangen ervan, niet het toedienen. Wat zou het heerlijk zijn als al die penisdragers ten minste eenmaal hadden ervaren hoe het is om zo weerloos te zijn, en wat ervoor nodig is om een kringspier te ontspannen die aanvankelijk koppig, woordeloos nee verkoopt; een kringspier waarmee niet valt te onderhandelen, en die zich alleen geduldig laat geruststellen.
Ik denk dat de seks veel beter zou zijn. En trouwens ook dat geen man meer zou klagen dat alleen híj ‘iets deed’ in bed.
Passief is echt het woord niet voor het scheppen van zo’n zachte, warme binnenruimte. De woorden zijn eerder: moed, vertrouwen, overgave, ontspanning.
Ik ben nog steeds niet helemaal klaar met die verbouwing, en terwijl ik mijn nestje vormgeef, denk ik aan alles wat ik op dit moment niet onderneem. Het activisme dat ik niet ontplooi, de manifestaties tegen fascisme en tegen genocide die ik heb gemist.
Online zie ik de ellende onophoudelijk passeren, maar ik heb mijn telefoon zo vaak laten vallen dat de bovenkant van het scherm niet meer reageert, zodat ik geen stories of berichten kan aanklikken op Instagram.
Ik zie alleen het rode cijfertje in de hoek oplopen, en als ik daarnaar kijk, voel ik vooral mijn eigen uitputting.
Uiteindelijk gooi ik de hele app van mijn telefoon.
Wat ik het meest nadrukkelijk nalaat, is het schrijven van een boek. Ik wil wel, ik zou ook moeten, maar zelfs al had ik geen klushuis, dan nog zou ik niet kunnen. Ik moet nog langer braakliggen, blijkbaar.
Het afgelopen decennium ben ik al drie keer te vroeg begonnen, en ik heb al drie keer het resulterende boek weggegooid. Forceren, verkrampen levert niets op, weet ik nu eindelijk wel. Ik kan alleen proberen om me open te stellen en zo te leven dat het boek naar mij toe kan komen.
De enige manier om iets te schrijven dat ik zelf waardevol vind, is om te wachten tot ik ruggelings een boek binnenstruikel. Het is net als met zwanger worden: je kunt het niet afdwingen, hoeveel zaad je ook rondstrooit. Je kunt alleen proberen om de juiste omstandigheden te scheppen, maar eigenlijk moet je vooral wachten bij een lege ruimte, wachten of er iets ontkiemt.
Ik krijg weleens complimenten voor mijn werk, maar hard werken is het probleem niet. Het allermoeilijkste, waar niemand me ooit mee heeft gecomplimenteerd, is lang genoeg niet werken, en de onrust van het wachten ondergaan.
Ik vind dat vreselijk moeilijk. Bijna niet te doen. Net als ieder ander ben ik afgericht om productief te zijn, actief, bezig, geneigd om de lege bladzijde meteen te vullen; en anders voel ik me nerveus en schuldig, waardeloos vooral.
Dus zoek ik steun. Heidegger bijvoorbeeld schrijft (in de vertaling van H.M. Berghs) dat wie iets wil be-denken, de ‘te denken zaak’ niet kan dwingen om naar zich toe te komen. We kunnen alleen ‘wachten tot de te denken zaak zich aan ons te kennen geeft. Maar wachten zegt hier geenszins dat we het denken voorlopig nog uitstellen. Wachten betekent hier: binnen het reeds gedachte uitkijken naar het ongedachte dat zich in het reeds gedachte nog verbergt. Door zulk wachten zijn we reeds denkend op gang gekomen en naar de te denken zaak onderweg.’
Zie je!
Op z’n heideggeriaans ben ik keihard op gang.
En als ik dan toch nog onrustig ben, lees ik voor extra steun de filosoof Simone Weil. ‘Aandacht’, schreef zij, ‘betekent: je denken opschorten, zodat het onthecht is, leeg, en klaar om te worden gepenetreerd door het object... Ons denken moet bovenal leeg zijn, wachtend, nergens naar op zoek, maar klaar om de naakte waarheid te ontvangen van dat wat ons denken zal binnendringen. Alle verkeerde vertalingen, alle foutieve wiskundige berekeningen, alle stilistische missers en alle manke gedachtesprongen (...) gebeuren wanneer we te actief willen zijn, wanneer we een zoektocht ondernemen.’
Het werk van schrijven zit ook in klaar zijn om de naakte waarheid te laten binnendringen. Klaar zijn om te worden gepenetreerd.
De ‘passieve’ kant ervan wordt zo makkelijk onderschat, en is zo cruciaal.
Na het leggen van de vloer zit mijn onderrug helemaal vast. Ik ga naar een sportmasseur om die los te laten maken. Als hij in mijn rug duwt, begint mijn voet te flapperen, zo veel spanning staat erop.
Ik moet op mijn buik liggen, terwijl hij mijn benen tegen de grond duwt en me vraagt om ze een voor een op te tillen. Het rechterbeen komt ondanks de tegendruk nog wel een stukje omhoog, het linker- nauwelijks; er zit geen kracht in.
‘Als de spieren zo verkleefd zijn, hebben ze weinig functie’, zegt de masseur, en hij begint hardhandig op de kabels langs mijn ruggengraat en in mijn bilspier te duwen om die verkleving los te maken.
Een halfuur afzien is het, dan mag ik nog eens beurtelings mijn benen optillen. Ze vliegen omhoog. ‘Kijk nou!’, zegt mijn beul tevreden. ‘In de ontspanning ligt de kracht.’
Dat zegt iedereen ook steeds over hardloopwonder Femke Bol: dat ze zo snel is omdat ze rent ‘vanuit de ontspanning’. Hoe werkt dat dan? Dit schrijft Runner’s World:
‘Slowmotionbeelden van sprinters tonen hun flubberende wangen, lillende lippen en losse kaken. Met af en toe uitzicht op veel tandvlees en een goed onderhouden gebit. Hun ontspanning zorgt ervoor dat de voorwaartse sprintbeweging optimaal verloopt en lang genoeg in een zo hoog mogelijk tempo kan plaatsvinden. En dat alle energie gaat naar de spieren die er wel toe doen.’
In de ontspanning ligt de kracht.
Ze zeggen dat je anderen het best onderwijst wat je zelf het liefst zou leren. Simone Weil – daar is ze weer – kon nog slechter ontspannen dan ik, en misschien hamerde ze juist daarom op het belang ervan.
Ze wist het, van die ontspanning, zelfs al was de frêle Frans-Joodse filosoof met de uilenbril eerder geneigd tot afzien en inspanningen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, zo zegt men, weigerde ze om méér te eten dan het rantsoen van de mensen in bezet gebied. Ze stierf in 1943, nog geen 35 jaar, totaal verzwakt, aan een longontsteking.
Maar vóór die tijd zag ze kans om schitterende teksten te schrijven, deels in opdracht van de Franse regering in ballingschap onder leiding van generaal De Gaulle, bij wie ze zich in Londen had gemeld. Hij zei: ga maar uittekenen hoe ons land er na de oorlog moet uitzien. Het trotse Frankrijk was ongelooflijk snel onder de voet gelopen door de nazi’s: hoe moest het straks weer op krachten komen?
De Gaulle verwachtte waarschijnlijk iets praktisch van Weil. Ze schrééf ook over arbeidsomstandigheden en andere praktische zaken, maar ze bouwde haar antwoord op vanaf het fundament. Wat is van waarde, en hoe bescherm je dat?
De twee populaire antwoorden op die vraag wees ze af. De waarde lag niet in het individu (zoals de liberalen meenden) en ook niet in het collectief (zoals in nazi-Duitsland). Sterker nog: ‘Het is een vergissing om het collectief heilig te verklaren, en die vergissing heet afgoderij; dit is altijd en overal de meest gangbare misdaad. [Maar] ook de mens voor wie persoonlijke ontwikkeling het hoogste goed is, is elk gevoel voor het heilige kwijt; en het is lastig te zeggen welk van deze twee vergissingen erger is.’
Groep noch individu, dus. Maar waarop baseer je een samenleving dan wél?
Als vrouw had Weil geen stemrecht; als Joodse werd haar zelfs het bestaansrecht ontzegd. ‘Recht’ vond ze een flinterdunne notie, want elk verschil tussen mensen zal worden aangegrepen om bepaalde groepen rechten te ontzeggen. In plaats van rechten zijn we ieder mens respect verplicht, helemaal los van diens persoonlijke eigenschappen, maar juist omwille van het onpersoonlijke in ons.
Want ieder mens, zonder uitzondering, heeft in diens kern (of ziel) ‘het verlangen naar het goede’, schreef Weil; de verwachting, tegen alle aanwijzingen in, ‘dat men hem goed, niet kwaad, zal behandelen’.
Deze onpersoonlijke band met het goede is de enige mogelijke basis voor universeel respect voor anderen. Het is ook onze grootste bron van kracht.
‘Een mens kan alleen ontsnappen aan het collectief door zich boven het persoonlijke te verheffen tot het onpersoonlijke. Zodra hij dat doet, is er iets in hem, een klein deel van zijn ziel, waar het collectief helemaal geen vat meer op heeft. Als hij weet te wortelen in het onpersoonlijke, zodat hij dáár zijn energie aan kan ontlenen, dan is hij in staat (...) om zonder enige hulp van buitenaf, en tegenover welke groep dan ook, een kleine maar reële kracht te doen gelden.’ Deze kleine tegenkrachten bieden opgeteld de mogelijkheid om het collectief te sturen.
Dit, schreef Weil, is het enige mogelijke antwoord op brute kracht dat niet zelf ook op brute kracht berust, het enige mogelijke antwoord dat écht ontsnapt aan Hitlers logica: je energie ontlenen aan de ziel, aan het kernachtige (verlangen naar het) Goede dat daar huist.
Laatst las ik in De Groene Amsterdammer over een dorp in Israël waarin Joden en Palestijnen samenleven, uit idealisme, om te tonen dat dat kan. Er kwam een Palestijnse man aan het woord, Sari Nashef, die zei: ‘Zelfs als ik Israëlische narratieven hoor waarmee ik het niet eens ben, moet ik die een plaats geven en de pijn van de ander zien, want (...) we moeten een oplossing vinden om in vrede te kunnen leven. Dit komt bij mij van een stille vredige plek van binnenuit.’
Die stille vredige plek is precies waar Weil op doelde. Je zou het kunnen vertalen als: niet hard tegen hard, maar hart tegen hard.
Vandaar dat Weil schreef dat het allereerste wat het vrije Westen nu moest doen, en ‘het belangrijkste probleem van deze tijd’, was: uitzoeken welke dingen essentieel zijn voor het leven van de ziel, zoals voedsel, warmte en slaap essentieel zijn voor het lichaam.
En met de zielenzorg was het ernstig gesteld, vond Weil.
Om te zorgen dat de ziel van een mens haar weg vindt naar het universele en het goede, heeft die twee dingen nodig: rust en warmte. Dat betekent: vrije en prikkelarme tijd. En warmte van andere mensen, omdat iemand zich anders voor troost wendt tot de valse god van het collectief.
Maar de moderne wereld biedt ons geen rust en warmte. In plaats daarvan krijgen we ‘een ijzig pandemonium’, zag Weil. En dan zat ze nog niet eens op X.
De Gaulle verklaarde haar voor gek. Maar ik denk vaak aan Weil, als bij het lezen van het nieuws blijkt dat het oprukkende fascisme weer een nieuwe stap heeft gezet, hier of elders. In Amerika is de wet al niet zo veel meer waard; steeds meer regeert het recht van de sterkste. In Nederland ben ik er ook niet gerust op dat mensenrechten heel sterk staan. Wat kunnen we doen?
Weil was een verzetsvrouw – ze reisde als vrijwilliger af naar de Spaanse burgeroorlog, werkte tijdens de Franse bezetting voor een verzetskrant – en dus neem ik het van haar aan als ze midden in de oorlog schrijft dat het allereerste dat het vrije Westen nu moet doen, ‘het belangrijkste probleem van deze tijd’, is om uit te zoeken welke dingen essentieel zijn voor het leven van de ziel.
Ik herhaal het essentiële: warmte en rust. Een lege, behaaglijke plek in de dag, met ruimte voor de ziel om te groeien.
Een lege plek lijkt een ijl houvast. Maar dat is het niet. Weil: ‘Het is het licht dat voortdurend uit de hemel valt dat een boom de energie geeft om sterke wortels diep in de aarde te sturen. Eigenlijk wortelt een boom in de lucht.’
Warmte en rust?
De afgelopen tijd heb ik pijn in mijn kaken van het lezen van het nieuws. Ik bal zonder het te merken mijn vuisten, en dan laten mijn nagels rode halvemaantjes achter in mijn handpalm. Ik wil samenballen, schrap zetten. Maar dan kom ik dus niet bij het licht. Een knop die nooit uitloopt, kan geen zonlicht vangen.
En dus denk ik zo vaak ik kan aan die vreemde paradox. In de ontspanning ligt de kracht, zei mijn sportmasseur. Zei Femke Bol. Zei Heidegger. Zei de literatuur. Zei mijn kut.
Een bepaalde ontspanning en overgave zijn nodig om tot iets moois en sterks te komen.
Als dat zo is, dan is het beste dat we nu kunnen doen – wij gutmenschen, wij die ons zorgen maken over het afglijden van onze democratieën richting fascisme – niet: verstijven, ons schrap zetten, in de stress en paniek en verkramping om ons heen gaan slaan, verbeten worden en hard, maar juist, geheel tegenintuïtief: ons volledig ontspannen.
Plooien en ergernis gladstrijken, zelfhaat in het licht slepen, de tijd nemen voor een loom ontbijt in de zon, en de croissantkruimels van elkaars T-shirt eten. Nestjes bouwen. Gulle seks hebben (mannen: anaal!). Kortom, zo vaak als we maar kunnen tijd maken voor wat misschien frivool en overbodig lijkt; voor warmte en rust.
Alle knopen in onszelf en tussen ons wegmasseren. Zorg dragen voor onze ziel, zodat we een kracht ontwikkelen die niet berust op een variant van ‘het recht van de sterkste’. Zorg dragen voor onze ziel, zodat we stevig wortelen in het licht. En dán kracht zetten.
Het gaat nodig zijn.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant