Home

In de biografie van Renate Dorrestein mag het eindelijk over de journalist en schrijver zelf gaan

‘Stel je voor dat je na je dood een biográáf achter je aan krijgt’, zei Renate Dorrestein eens. Nu is het zover. Altijd te paard laat een nieuwe kant zien van deze vrouw die zonder morren opklom in een mannenwereld.

schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.

Twee keer heb ik Renate Dorrestein (1954-2018) geïnterviewd, in haar villa in Aerdenhout, en beide keren nam zij de leiding van het gesprek over.

Zodra het ging over de achtergronden van haar werk, haar steeds terugkerende thema’s als de gevangenis van het gezin, het juk van het moederschap, grote familiegeheimen en de grote loyaliteit van kinderen aan hun ouders – zouden die iets met haar jeugd te maken hebben? – kaatste zij de vragen behendig terug.

‘Uit wat voor gezin kom jij?’, vroeg ze. ‘Heb jij kinderen? Waar worstel jij mee? Zou jij daar niet eens een roman over schrijven?’

Ze omzeilde zo een pijnlijk onderwerp: het gezin waarin ze opgroeide, met twee zussen en een broer. Voor interviewers schetste ze een beeld van een oerburgerlijk, oersaai rooms-katholiek gezin in Amstelveen. Vader advocaat, moeder huisvrouw. Wie haar werk kende, kon vermoeden dat daar het een en ander scheef was gelopen. Maar dat ging ons niet aan; het was haar ‘innerlijke druipsteengrot’.

Nee, haar romans waren níét autobiografisch, verzekerde ze in elk zaaltje met gretig publiek.

Niet zeuren, maar gáán

Tegelijk realiseerde ik me tijdens die interviews dat er nog een reden was voor die rolwisseling. Dorrestein, al jarenlang bestsellerauteur, was nog altijd een journalist. Zo was het schrijven voor haar begonnen, begin jaren zeventig, toen ze reportages maakte voor Panorama. Ze was nieuwsgierig naar de levens van anderen, ze wilde begrijpen waarom ze zich zo gedroegen, wat hen dreef.

Ook als romanschrijver vond ze dat haar lezers moesten meeleven met haar personages, niet met haar. Ze was een doorgeefluik. Over dat schrijverschap, hoe verhalen ‘haar uitkozen om verteld te worden’, kon ze wél uren praten. En ze was apetrots op die schitterende villa, waarvan ze iedere steen zelf had verdiend, met de verkoop van haar boeken. Met haar verbeelding.

Autonomie, altijd zelf de regie houden, dat typeert haar. Daarom is Altijd te paard, de titel van de biografie die Iris Pronk over haar schreef, goed gekozen. Een amazone, stoer en onvervaard, dat was ze. Niet zeuren, maar hop, gáán. Ten aanval! Maar ook: verdedig je fort tegen aanvallers.

Toen Renate Dorrestein de dood aangezegd had gekregen – ze had een ongeneeslijke vorm van slokdarmkanker – gebruikte ze de tijd die haar restte om door al haar verspreide en ongepubliceerde stukken en correspondentie te gaan. Het beste daaruit bundelde ze in Dagelijks werk, als haar nalatenschap. Maar ze vond het ook fijn om alles weg te gooien wat niet voor vreemde ogen was bedoeld, schrijft Pronk in de inleiding van Altijd te paard.

Ze had gezegd: ‘Stel je voor dat je na je dood, als je je niet meer kunt verweren, een biográáf achter je aan krijgt.’

Labiele moeder

Toch durfde Pronk, redacteur bij Trouw, het aan.

In haar biografie komen we veel, maar niet alles te weten. De eerste zeven hoofdstukken vond ik het interessantst. Niet omdat ze beter zijn dan de zeventien erna; het hele levensverhaal is goed geschreven en Pronk heeft haar bronnen goed op orde. Maar het is nu eenmaal leuker om te lezen over dat deel van iemands leven dat onbekend is, vóór het debuut, de publieke optredens, de columns, de recensies, de interviews – het succes.

Nee, een warm, vrolijk gezinnetje was het niet, daar in Amstelveen in de jaren zestig en zeventig. Renates moeder was een labiele, opvliegende onberekenbare vrouw, die luidkeels klaagde over haar leven als huisvrouw en moeder, met een echtgenoot die alles aan háár overliet. Vooral haar drie dochters moesten het bezuren, de enige jongen was haar lieveling, een prinsje.

Het huwelijk was slecht. Vader Dorrestein was een erudiete en grappige man, die scherpe pleidooien kon schrijven – die talenten had Renate van hem – maar hij kon niet tegen zijn vrouw op en nam zijn kinderen niet in bescherming. Hij zette het op een drinken, zij ging aan de tran­quil­li­zers.

Miss Magic

Voor de kinderen was er geen ontsnappen aan deze ‘griezelige peristaltiek van het gezin’, die Dorresteins inktzwarte beeld van ‘het gezin’ en ‘het huwelijk’ bepaalde. Het zou haar belangrijkste thema worden: het gezin als gevangenis. Gezinnen met een pijnlijk geheim.

Hartverscheurend is wat ze ooit schreef over de 6-jarige die ze was. Op de dag voor de zomervakantie sloot zij zich op in de wc op school; daar wilde ze de hele vakantie blijven. ‘Zo bang was ik om die hele periode dag in dag uit thuis aan mijn moeder overgeleverd te moeten zijn.’

Gelukkig kon ze in haar puberteit terecht bij de begripvolle ouders van een vriendinnetje. En ze zocht ontsnapping door zichzelf te leren goochelen. Ze bezocht nationale goochelcongressen en gaf al haar zakgeld uit aan trucs, zoals de ‘Ulah‑Ulah’, een toverkleedje waaruit een duif tevoorschijn komt. Als Miss Magic trad ze op voor kinderen.

Zodra het kon, na haar eindexamen gymnasium, vluchtte ze het huis uit. Niet studeren, want dan bleef ze afhankelijk van haar ouders. Algauw woonde ze samen met haar vriendje, een conservatoriumstudent. Ze werd in 1972 leerling-journalist bij Panorama, toen een publieksblad met hoge oplage. Een mannenblad. Volgens Dorrestein waren voor vrouwen bij Panorama twee rollen weggelegd: ‘die van blote en die van domme’.

One of the guys

Toch was het een uitstekende leerschool, laat Pronk zien. Dorrestein leerde er schrijven voor een groot publiek. Ook later zou ze nooit haar neus optrekken voor ‘de gewone lezer’. Ze deed aan participerende journalistiek, ging undercover als sollicitant bij een bordeel (ze werd aangenomen maar bleef weg), ze reisde de halve wereld rond met een fotografe, gokte in het casino en danste met dronken matrozen.

De hoofdredactie liep met haar weg, want ze schreef uitstekende, spannende verhalen, met mooie observaties en een groot inlevingsvermogen. Ze leerde zich staande te houden in een mannenwereld, met humor, lef en een grote mond; ze was one of the guys.

Juist in die mannenwereld ontwikkelde ze een scherp oog voor seksisme en ongelijkheid. En ze leerde dat hard werken en kwaliteit leveren goed beloond moesten worden; ze vroeg vaak om loonsverhoging.

In haar vrije tijd schreef ze aan verhalen en romans, die ze opstuurde naar literaire uitgeverijen. Ze kreeg afwijzing op afwijzing, tot haar verdriet. In de jaren tachtig werkte ze bij Opzij, als redacteur en columnist. Daar ontwikkelde ze zich tot een scherpe en geestige columnist, die graag choqueerde.

Ze noemde getrouwde vrouwen ‘moffenhoeren’, fulmineerde tegen mannen die zich aftrokken bij meisjesstemmen op 06-lijnen. Maar ze maakte ook ‘de Johanna’s’ belachelijk, haar zijige feministische zusters die alles ophemelden wat vrouwelijk was – Dorrestein wist beter.

Schuldgevoel

Al jong besloot ze dat ze geen kinderen wilde. Op haar 26ste liet ze zich steriliseren, al kostte het moeite een arts te overtuigen van de ernst van haar wens. Pronk laat zien dat Dorrestein ook als feminist eigenzinnig was: ze verafschuwde slachtoffergedrag, groepsdruk, een kuddementaliteit en deed niet mee aan mannenhaat. Ze bleef dol op mannen en had langdurige relaties. Samenwonen wilde ze niet.

Net toen het allemaal op rolletjes liep, gebeurde er iets verschrikkelijks. Haar jongste zus, Annemarie, net 20, was depressief en pleegde zelfmoord. Ze sprong van een flatgebouw. Jarenlang worstelde Dorrestein met een schuldgevoel; ze had haar zusje niet kunnen redden.

Toen ze in 1983 debuteerde met de roman Buitenstaanders, trok de rouw een schaduw over die langverwachte gebeurtenis: ook Annemarie had schrijftalent en had willen publiceren. En toen ze goed op stoom begon te komen met haar boeken, werd Dorrestein getroffen door de vermoeidheidsziekte ME. Ze schreef er een boek over, Heden ik (1993).

Religieuze kant

Pronk schrijft het allemaal goed en leesbaar op; Dorresteins leven ontrolt zich als een ongebruikelijk maar geloofwaardig verhaal, met pieken en dalen, dat je niet wilt wegleggen. Het gaat vooral over Dorresteins leven, en minder over het werk – al behandelt ze alle 35 boeken.

Wat jammer is, is dat Pronk die niet in het literaire landschap van haar tijd plaatst. Ze maakt duidelijk dat Dorrestein een auteur is die verhalen schrijft over actuele onderwerpen, met een kop en een staart en een spannende plot, waarbij ze niet terugdeinst voor enig moralisme. Maar waarom dit niet paste in de Nederlandse literaire cultuur tussen 1980 en 2018, waarom veel literaire critici (maar niet allemaal) haar werk te ‘licht’ vonden, maakt ze niet duidelijk. Want Dorrestein was een missionaris voor ‘haar’ type literatuur. Ze kwam graag op scholen waar ze leerlingen enthousiast wist te maken, vooral meisjes. Zelfs degenen die een hekel hadden aan lezen.

Ook voor Dorresteins religieuze kant is weinig aandacht. Het onderwerp ligt haar niet zo, schrijft Pronk, en ze hoopt dat ‘anderen zich nog eens verdiepen in Renates verhouding tot het katholicisme en de invloed daarvan op haar werk’. Maar zo kun je een belangrijk deel van iemands levensbeschouwing niet terzijde schuiven. Dorrestein had een spirituele kant en beschouwde het schrijven als een mystiek proces. Hoe serieus was ze daarin? Was haar Mariaverering echt of kitsch, of beide? Vertrouwde ze er werkelijk op dat ze naar de hemel ging? Ik had het graag willen weten.

Ik ontdekte nog iets, die keren dat ik bij Renate Dorrestein thuis was (en haar grote Mariabeeld bewonderde). De schrijver, bekend om haar scherpe tong, haar woede, haar veroordeling van ‘theemutsen’, seksistische en narcistische mannen, ‘fallocratische’ artsen en de ‘horzelkoppen’ van de literaire kritiek, bleek aan haar eigen eettafel ontzettend lief.

Oprechte belangstelling

Niet alleen was ze oprecht belangstellend, ze sprak met veel warmte over haar geliefde, haar hartsvriendinnen, haar ‘leasedochters’, en over door haar bewonderde collega-schrijvers. Haar ouders had ze vergeven.

Toen ik haar, kort voor haar dood, zag op een feest, schrok ik. Ze was broodmager, en droeg een pompje waarmee ze zichzelf pijnstilling toediende. In paniek zocht ik naar woorden, me realiserend dat dit de laatste keer was dat ik haar zag. Maar zij was me voor: ze kwam op me af, begroette me hartelijk, maakte een grapje over haar pomp en vroeg hoe het met me ging. Altijd het ongemak wegnemen, met een glimlach. Het ging niet om haar, maar om de ander.

Het ging om de lezer, uiteindelijk. Die kon sidderen en beven om de gruwelen en wreedheden waartoe mensen in staat zijn, maar mocht ook bevrijd lachen en werd soepel door haar naar een bevredigende ontknoping geleid. Zulke schrijvers, die ruiterlijk een stap opzij doen voor hun werk, zijn zeldzaam.

Iris Pronk: Altijd te paard – Renate Dorrestein, 1954-2018. Querido; 528 pagina’s; € 34,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next