Home

‘Ik durfde niet te zeggen dat ik kunstenaar was. Dat vond ik zo serieus’

Mark Manders Beeldend kunstenaar Mark Manders is inmiddels wereldberoemd. Met name zijn raadselachtige, figuratieve hoofden van brons zijn in bijna alle grote musea te zien, vooral buiten Nederland. Zaterdag opent een overzicht van zijn werk in museum Voorlinden in Wassenaar.

Mark Manders exposeert de komende vier maanden in museum Voorlinden in Wassenaar.

We lopen, zeg maar, door Mark Manders’ brein. Dat brein vertakt zich over verschillende ruimtes in een ateliercomplex – denk aan formaat Ikea, maar dan tot in de puntjes ontworpen door het Belgische architectenbureau Coussée en Goris. Het gebouw ligt aan de rand van het kleine Belgische stadje Ronse, op de taalgrens van Vlaanderen en Wallonië.

Mark Manders’ brein is de derde persoon enkelvoud. Dat is ‘hij’, over wie hij weleens schrijft. Degene die aan de knoppen zit, spreekt in de eerste persoon enkelvoud. Dat is ‘ik’, de echte Mark Manders die – zo blijkt tijdens de drie uur durende tour die ik van hem krijg – regelmatig zegt: „Ja maar dat ben ik als kunstenaar, hè. Dat is heel iets anders dan ik als mens.” Soepel schakelt hij tijdens ons gesprek van feit naar fictie. En net zo soepel trap ik in wat hij vertelt. Dan moet hij lachen. „Het komt allemaal uit de mouw, hè.”

Ik spreek de in 1968 in het Brabantse Volkel geboren, internationale topkunstenaar twee weken voor de opening van zijn solotentoonstelling Mindstudy in museum Voorlinden in Wassenaar. Daar zullen de ruimtes worden ingericht met werken uit de afgelopen veertig jaar: groot, klein, bekend en onbekend. „Och, wat vind ik het jammer dat je er nu pas bent”, zegt Manders, terwijl we voortstappen door houtzagerij, werkhal, keramiekatelier, tekenkamer (formaat dansstudio), ideeënkamer en kantoor. „Het is een slagveld nu. Maar hier stond een beeld dat prachtig was op deze plek.”

Na Voorlinden staan een tentoonstelling in New York op stapel en een solo in Londen, in het hoofdkantoor van Michael Bloomberg, de miljardenfilantroop en oud-burgemeester van New York. Vroeger was hij tot elf uur ’s avonds aan het werk. Tegenwoordig is hij tot half zes in zijn atelier. „Ik ben ook papa, hè.” Dus gaat hij naar huis. Maar de vraag is of het brein Mark Manders daar op pauze gaat.

Op verzoek van Mark Manders zijn bij museum Voorlinden geen tekstpanelen bij de werken geplaatst.

Wonderkind

Mark Manders is een wonderkind in de beeldende kunst. Na zijn afstuderen aan de academie in Arnhem in 1992 staan tien Nederlandse galerieën te trappelen om met hem te werken. „Ik dacht: wat is dat nou in één keer? Ik besloot tegen iedereen ‘nee’ te zeggen.” Pas na jaren vriendschap met de Belgische Frank Demaegd komt hij in diens beroemde Antwerpse galerie Zeno X terecht, tussen grootheden als Marlene Dumas en Luc Tuymans. Zijn internationale carrière gaat van start op de Biënnale van Venetië in 2001 en de Documenta in Kassel in 2002.

Het vervolg? Denk aan een raket die opstijgt. Tentoonstellingen over de hele wereld. Figuratieve en letterlijk beklemmende beelden van gezichten vinden onderdak in musea van de VS tot Japan, van Noorwegen tot Brazilië. Opdrachten in de openbare ruimte: van Central Park in New York tot het Amsterdamse Rokin. Maar ook: lastiger verkoopbare conceptuele installaties, gebouwen „als zelfportret”, kranten met alle woorden die er bestaan maar onzichtbaar zijn gemaakt.

Na de mavo gaat Manders naar de Grafische School in Eindhoven om „een echt vak te leren”. Maar het ambachtelijke is niets voor hem. Al snel vertrekt hij naar de kunstacademie in Arnhem. Ook daar probeert hij het eerst bij grafische vormgeving. Na een paar dagen weet hij: ‘niks voor mij’.

„Ik was eigenlijk al voor de kunstacademie met eigen werk bezig. Als kind lag ik graag onder de tafel dingen te verzinnen. De wereld ging door en ondertussen maakte ik dingen waarvan ik dacht dat niemand anders het kon maken. Niemand zag wat ik maakte, maar voor mij was het magisch mooi.

„Ik durfde niet te zeggen dat ik kunstenaar was. Dat vond ik zo serieus klinken. Ik wist dat er kunstenaars bestaan die geweldig goed waren – Mark Rothko, Carl André, de Renaissance-schilder Piero della Francesca. Om hun werk kun je niet heen. Je staat ervoor en er is gewoon geen wereld meer denkbaar zonder hun werk. Ik dacht: daar kun je toch helemaal niet voor studeren?”

Baby’s van klei

Toch meldt hij zich bij de afdeling die dan nog Vrije Kunst heet. Hij toont aan hoofddocent Jan Willem Smeets wat hij vanaf zijn achttiende heeft gemaakt. „Smeets wierp een blik op mijn werk en zei: ‘Ik hoef je niet meer te spreken of te zien.’ Ik schrok. Maar toen zei hij: ‘Je mag van mij meteen afstuderen. Je mag ook over vier jaar afstuderen. Mij maakt het niet uit. Ik kan jou niets leren. Je bent aangenomen en ja – kijk maar wat je doet.’”

In Arnhem stelt Manders voor zichzelf regels en opdrachten op, waaraan hij zich moet houden. Zo moet hij zich bekwamen in elke technische afdeling, mag hij van zichzelf geen kleur en geen sokkels gebruiken. Veel van zijn werk ligt of staat inderdaad op de grond – net als dat van zijn grote voorbeeld Carl Andre. Intussen zijn de sokkels toch z’n werk in geslopen, in de vorm van tafels, opgetaste boeken, houten stellages. Ook kleur wordt spaarzaam toegepast. „Die kleur en die sokkels”, zegt hij, „dat heeft me jaren gekost.”

In vergelijking met vroeger is er weinig veranderd. „Ik ben nog met exact hetzelfde bezig. Ik had op de academie al een plan en dat plan voer ik uit. Ik wil een zelfportret als gebouw maken en ik wil schrijven met voorwerpen. Ik wil ruimtes bouwen waar je als toeschouwer in kunt, maar die net verlaten lijken. De beelden daarin functioneren als een driedimensionaal boek, maar ze zijn ook een eindpunt in zichzelf.”

In het laatste jaar in Arnhem stelt Manders zich de vraag: wat is het meest fundamentele dat ik in klei kan maken? Hij denkt aan een homp klei waarmee hij een woord kan maken: hond bijvoorbeeld. Of een vos en een muis, en die met een riem aan elkaar binden (Fox/Mouse/Belt 1992). Maar daarvóór maakt hij al baby’s van klei.

„Ik nam een schilderij van Lucas Cranach en maakte een baby met de vrouw uit een schilderij van Cranach. Daarna maakte ik een baby met een vrouw uit een schilderij van de Vlaamse kunstenaar Petrus Christus. De baby’s die ik maakte met de vrouwen op de schilderijen, zijn ontstaan binnen de wereld van de kunst, ze zijn denkbeeldig. Maar echt.”

Rouw

We staan voor een tweepersoonsbed in de enorme hal op de begane grond van het ateliercomplex. Eén kant van het bed is onbeslapen en leeg. De andere kant ligt vol zorgvuldig uitgestalde objecten: foto’s, voorstudies van grote beelden, stapels boeken onder plastic, stukken gebakken klei. My Bed komt in Voorlinden in een huiskamer te staan.

„Ik zag ooit een tweepersoonsbed, met slechts aan één kant slaapruimte voor een persoon. De rest van het matras was in beslag genomen door stapels papieren en krantenknipsels. Voor de echtgenoot was geen plaats in dit bed. Hij sliep elders. Met dat beeld wilde ik iets doen. En dit is het geworden, twintig jaar later.”

Op My Bed ligt, niet te missen, een naakte baby van klei. De armpjes zijn beschermend gebogen voor het borstkasje, de vingertoppen raken elkaar net. Het is een onderwerp waar hij veel mee bezig is – het verlies van een kind. Niet omdat Manders zelf een kind heeft verloren. Zijn ouders wel. Hun eerste zoontje heeft maar drie dagen geleefd en stierf in het ziekenhuis.

Zijn moeder – zo vertelde zijn vader hem – mocht de kerkelijke begrafenis niet bijwonen, omdat ze zo kort na de bevalling nog als ‘onrein’ werd gezien en zich niet buitenshuis mocht begeven. Zijn vader ijverde er moedig voor dat het kindje thuis mocht worden opgebaard: „Dat was toen helemaal niet evident. Daarna werd er weinig over het verlies gesproken. Ook niet in het dorp. „Iedereen ging door. Alle babyspulletjes werden weggehaald. Mijn papa moest weer snel aan het werk. Men deed alsof er niets was gebeurd.”

Het verlies van dat kindje heeft hem „sterk beïnvloed”. „Mijn ouders waren bijvoorbeeld vaak bang dat ik dood zou gaan.” Zijn moeder ontwikkelde een angststoornis en kreeg last van psychoses, waarvoor ze regelmatig werd opgenomen.

Manders’ vrouw is als psychotherapeut gespecialiseerd in ‘schaduwverlies’. Die term verwijst naar verlieservaringen die vaak in de schaduw worden beleefd, omdat ze maatschappelijk minder of geen erkenning krijgen, of omdat er taboe op rust. „Het verliezen van hun eerste kind werd voor mijn ouders een schaduwverlies. Omdat er zo weinig ruimte, verbinding en gezamenlijke gedragenheid was voor hun intense verdriet.

„Als kind”, zegt hij, „lette ik goed op wat er om me heen gebeurde, ook toen mijn mama psychotische periodes had. Al vroeg dacht ik: wat speelt zich toch af in haar hoofd? Nu kan ik dat, vanuit grotere kennis over rouw en geblokkeerde rouw, veel beter begrijpen. Het klinkt paradoxaal, maar het disfunctionele is soms bijna logisch en functioneel. Mijn vrouw is vanuit haar professie met die materie bezig, ik als kunstenaar. Ik onderzoek de kracht en kwetsbaarheid van het menselijk brein, omdat ik denk dat er iets belangrijks te vinden is in de ragfijne grens tussen functioneren en vastlopen.

„My Bed is een van de manieren om die grens te onderzoeken. Veel mensen zullen het niet opmerken: die lopen aan dit bed voorbij. Dat mag. Ik maak het uiteindelijk omdat ik het wil en goed vind. En omdat het misschien toch mensen kan bewegen.”

Mindstudy – een overzicht met werk van Mark Manders is van 20 sept t/m 18 jan 2026 te zien in museum Voorlinden, Wassenaar. Info: voorlinden.nl

CV

Mark Manders – Volkel, 1968. Woont en werkt sinds 2008 in Ronse, Be. Manders is getrouwd en heeft twee zonen.

Opleiding: Grafische School Eindhoven. Kunstacademie Arnhem.

Prijzen (o.a.) Prix de Rome (1992), A.F. Heinekenprijs (2010).

Manders heeft tientallen solo’s gehad in musea in o.a. Nederland, Frankrijk, de VS, Brazilië, Mexico, Duitsland, Noorwegen, Spanje, Japan. Het aantal groepstentoonstellingen loopt inmiddels in de honderden, verspreid over de hele wereld.

Zijn werk is aangekocht door musea in o.a. New York, Los Angeles, Tokyo, Gent, Londen, Eindhoven, München, Parijs, Wassenaar en Zürich.

Uitgeverij Roma Publications, sinds 1998, met Roger Willems en Marc Nagtzaam.

Source: NRC

Previous

Next