Ooit lachte ze als een boer met kiespijn om de harde grappen die haar mannelijke collega’s maakten over vrouwen, met hun ‘vage klachten’. In 1991 kreeg cardioloog Angela Maas een nieuw inzicht, waarna ze zich specialiseerde in cardiologische zorg voor vrouwen. ‘Mannelijke cardiologen zagen het vooral als mijn hobby.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Ik heb vrouwen uitgelachen, ik heb hun verhalen gebagatelliseerd. ‘U heeft geen hartklachten, hoor’, dat soort opmerkingen heb ik wel gemaakt. Daar schaam ik me nog altijd voor. Tijdens mijn opleiding zei ik iets dergelijks tegen een vrouw die een week later naar het ziekenhuis werd gebracht waar ze tijdens een reanimatie overleed. Daar heb ik weken slecht van geslapen. Ik wist dat ik iets had gemist, maar ik had geen idee wat dat kon zijn.’
Tot een kritische kijk op zichzelf blijkt de 69-jarige Angela Maas volop bereid. Drie jaar na haar pensionering is ze nog altijd actief als cardioloog. Ze ziet weliswaar geen patiënten meer, ‘maar ik moet nog vijf hoofdstukken voor vijf boeken schrijven’.
Sinds 1991 vormen hart- en vaatziekten bij vrouwen haar specialisatie, wat tot een proefschrift, tal van publicaties en een hoogleraarschap in Nijmegen heeft geleid. Dat stemt haar tevreden, maar aan de positie van vrouwen is in haar ogen te weinig verbeterd. ‘Waarom vrouwen nog steeds op achterstand staan’, luidt de ondertitel van haar vorig jaar verschenen boek De gezondheidskloof, geschreven met journalist Els Quaegebeur.
In de eerste vijftien jaar van haar specialisatie voerde ze een eenzame strijd. ‘Ik was vanaf 1991 een roepende in de woestijn, maar heb mezelf ook in die positie gemanoeuvreerd. Ik heb onvoldoende geprobeerd medestanders te krijgen’, merkt ze – opnieuw zelfkritisch – op.
In de afgelopen twintig jaar is de positie van vrouwelijke patiënten wel verbeterd, met dank vooral aan hun toegenomen mondigheid, voortschrijdend wetenschappelijk inzicht en beeldtechnieken die de specifieke hartproblemen van vrouwen zichtbaar kunnen maken. Ook het toenemende aantal vrouwelijke cardiologen én meer vrouwen in de farmaceutische industrie hebben geholpen, maar nog altijd ‘is er een achterstand in de kwaliteit van de zorg ten opzichte van mannen’.
Maas noemt zichzelf ‘cardiofeminist’, een eigen vondst: ‘Als je de term googelt, kom je alleen bij mij uit, dus wat dat betreft ben ik nog altijd een beetje eenzaam’, zegt ze met een glimlach, in haar statige herenhuis in Apeldoorn.
Haar belangstelling voor de geneeskunde voert ze terug op haar vader, die in Utrecht een huisartsenpraktijk had. Die praktijk was aan huis, waardoor ‘er dag en nacht bij ons werd aangebeld’. Waar haar drie zussen en broer vooral een aversie tegen de praktijk voelden, ging de jonge Angela met haar vader (‘ik was dol op hem’) mee visites rijden: ‘We kwamen bij Turkse gastarbeiders die in grote huizen met tientallen bij elkaar sliepen, bij bejaarden in hun tehuizen en bij studenten in hun flats. Als achtjarige vond ik het allemaal even spannend.’
Als middelbare scholier raakt ze aan het begin van de jaren zeventig in de ban van de vrouwenstrijd: ‘Ik las de complete feministische bibliotheek, van Anja Meulenbelt tot Simone de Beauvoir.’ Van het studentencorps moet ze tijdens haar Groningse studietijd niets hebben (‘net als een groot deel van mijn generatie’), wel wordt ze lid van een ‘Fem-Soc-groep’, een onderdeel van de socialistische vrouwenbeweging. Wanneer ze eind jaren zeventig aan haar opleiding tot cardioloog begint, weet ze zich alsnog door leden van het studentencorps omringd.
Begon u met idealen aan uw opleiding?
‘Zeker! Tegen het einde van mijn studie stelde ik mezelf geregeld de vraag: wat voor dokter wil ik worden? Dat hield me vooral bezig tijdens een maandenlange trektocht door Griekenland. Die deed ik in mijn eentje, dan kom je jezelf wel tegen. Ik herinner me hoe ik met Pasen op een muurtje zat te huilen, toen een oud mannetje naar me toekwam. Kom maar mee, zei hij. Hij maakte een bed voor me op, zette water en wat vijgen neer en ging zelf elders slapen. Na enkele dagen was ik tot rust gekomen en kon ik verder. Dat leerde me dat het contact van mens tot mens het belangrijkst is. Het gaf me antwoord op de vraag wat voor arts ik wilde worden. Ik bedacht dat ik er vooral wilde zijn voor mijn kwetsbare medemens, wat een patiënt per definitie is. Zoals dat oude mannetje er voor mij was geweest. Gaandeweg heb ik ondervonden dat je ook professionele afstand tot patiënten nodig hebt om je werk te kunnen doen. Hel je te veel over naar het medemenselijke, dan hou je het niet vol, is mijn ervaring. Je moet dus wel iets van je medemenselijkheid verliezen. Ik heb dit altijd als een enorm spanningsveld ervaren.’
U kwam uit de feministische hoek en moest samenwerken met corporale cardiologen. Hoe pakte dat uit?
‘Om me in hun wereld te handhaven heb ik me moeten aanpassen. Ik werd netter: spijkerbroek uit, rokje aan, een keurig meisje. Er waren acht opleidingsplekken, ik was de enige vrouw, dat maakte kwetsbaar. Er overheerste een machocultuur. De cardiologie is een vakgebied waarin veel geld en prestige omgaat, anders dan bijvoorbeeld de gynaecologie. Het trekt mannen die graag hoog op de apenrots zitten en die het bepaald niet gaat om het medemenselijke contact dat mij voor ogen stond, ze willen vooral klussen klaren. Tegenover patiënten is hun houding: je moet vooral niet met ze meehuilen. Vrouwen werden vaak als lastig gezien vanwege hun vage klachten. Er werden harde, seksistische grappen over ze gemaakt. ‘Die moet eens een goede beurt krijgen, dan piept ze wel anders’, dat soort uitspraken. Ik lachte dan mee, als een boer met kiespijn. Alles om maar om niet uit de boot te vallen.’
Waren de klachten van vrouwen inderdaad vaag?
‘Het probleem was dat hun symptomen niet beantwoordden aan wat er in onze handboeken stond beschreven. We hadden geleerd: hartklachten doen zich voor bij inspanning, bijvoorbeeld als je in de ochtend sneeuw ruimt en spanning op de borst voelt. Maar vrouwen zeiden vaak: ik voel het midden in de nacht of als ik een vervelend telefoontje krijg. Dan wuifden wij dat weg: ‘Oh, maar dat zijn geen hartklachten, dat zit tussen de oren, dat is stress. Misschien moet u eens naar een psycholoog’. Inmiddels weten we dat hartklachten bij vrouwen veel vaker door stress worden veroorzaakt. Een ander verschil met mannen is dat vrouwen tussen 40 en 70 jaar vaker last hebben van vaatkrampen dan van vernauwingen van bloedvaten. Dat wisten we toen nog niet, dus spanden we ons zeer in om met hartkatheterisaties vernauwingen te vinden. Als die er niet waren, voelden we ons bij de neus genomen. We raakten dan vaak bozig en gefrustreerd, we lachten vrouwelijke patiënten uit.’
Waardoor bent u er anders naar gaan kijken?
‘In 1991 kreeg ik een assertieve dame van in de zestig in mijn spreekkamer die ik de deur uit wilde werken, omdat ik niks bij haar had kunnen vinden: ‘Doet u het maar wat rustiger aan’, zei ik, wat een kletsverhaal was, ik stond gewoon met lege handen. Toen werd zij ontzettend kwaad, sloeg keihard op mijn bureau en riep: ‘Ik heb pijn op mijn borst en wil weten wat er aan de hand is’. Ik schrok enorm en bedacht naderhand: ‘Ik kan toch niet de rest van mijn loopbaan tegen al die vrouwen met kletsverhalen blijven aankomen’. Toen ben ik gaan zoeken. Toevallig bleken er net twee artikelen over hartproblemen van vrouwen in The New England Journal of Medicine te zijn verschenen. Vanaf dat moment werd ik in het land der blinden Koning eenoog.’
Hoe reageerden uw collega’s?
‘Mannelijke cardiologen zagen het vooral als mijn hobby. Zij vonden dotteren veel spannender, omdat je daarmee de doorbloeding van het hart verbetert. Of pacemakers inbrengen om een traag hart weer aan de gang te krijgen. Dat is natuurlijk ook machtig, daar spraken ze liever over dan over vrouwenklachten. Gelukkig kreeg ik internationaal wel steun. In de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zweden trof ik vrouwen die ook pionierden en zich eveneens niet begrepen voelden. In 2000 bezocht ik in Canada een eerste wereldcongres over cardiologie voor vrouwen, dat was voor mij echt een walhalla. Terug in Zwolle, waar ik toen in het ziekenhuis werkte, stelde ik een apart vrouwenspreekuur voor. ‘Doe dat maar op onze buitenpoli in Kampen’, kreeg ik te horen. Ik kreeg ook van huisartsen veel tegenwind, die vonden het maar een hype. Bij hen zat ingebakken dat hart- en vaatziekten iets voor mannen was. Vrouwelijke patiënten die hun cholesterolniveau wilden weten, kregen als antwoord: dat hoeft bij jullie niet.’
Waardoor is die houding veranderd?
‘Dankzij internet werd het voor vrouwelijke patiënten mogelijk zich te informeren, waardoor ze gerichte vragen aan huisartsen en cardiologen konden stellen. Werden ze dan niet serieus genomen, dan zochten ze de media op of dienden ze klachten in bij ziekenhuizen. Door die toegenomen mondigheid werd de beroepsgroep gedwongen in beweging te komen. Hoe groot de interesse van vrouwen voor hun hartproblemen was, bleek me in 2003 toen ik in het lokale krantje van Kampen een oproep plaatste; vrouwen konden hun cholesterol en bloeddruk bij onze buitenpoli laten meten. Om acht uur ’s ochtends zouden we opengaan, om zeven uur stond het plein al vol. Er kwamen maar liefst zevenhonderd vrouwen opdagen, terwijl wij met zijn drieën waren. Chaos natuurlijk, maar vanaf die dag is die poli als een trein gaan lopen.’
Wordt de vrouwelijke patiënt inmiddels serieus genomen?
‘Een cardioloog uit het bestuur van de beroepsgroep zei vorig jaar tegen me: ‘We hebben ons altijd voor vrouwen geïnteresseerd’. Nou, was het maar waar. De machocultuur is nog altijd niet verdwenen, ook al maken vrouwen inmiddels 40 procent van alle cardiologen uit. Het zijn nog altijd de haantjes die de machtsposities bekleden: van de afdelingshoofden bij ziekenhuizen is er niet één vrouw; van de hoogleraren is het 8 procent en het aantal vrouwelijke opleiders is minder dan 10 procent. Ook in de kwaliteit van de zorg is er nog altijd een achterstand. Terwijl het dotteren – dat vooral bij mannen gebeurt – is uitgekristalliseerd, hebben we nog geen optimale medicijnstrategie voor de vaatspasmes die bij vrouwen vooral voorkomen.’
‘Bovendien vrees ik een achteruitgang, nu de regering van Trump studies met ‘gender’ als onderwerp verdacht maakt. Met name farmaceutische bedrijven zouden wel eens bang kunnen worden in dit soort onderzoek te investeren. Ook de integriteit van wetenschappelijke tijdschriften staat op het spel door deze politieke druk. Als cardiologen zullen we lef moeten tonen om te voorkomen dat zaken worden teruggedraaid.’
Is dat een reëel gevaar?
‘Ik ben bang van wel, als we niet activistischer worden. Gelukkig zijn er ook serieuze tegenkrachten. In Europa moeten onderzoeksvoorstellen juist aan gender aandacht besteden, anders worden ze van tafel geveegd. Hopelijk wordt ‘sekse en gender’ een vast onderdeel van cardiologische opleidingen, ik vind het beschamend dat dat nog niet zo is. Het is een serieus vakgebied, iedere cardioloog moet het belang ervan worden ingepeperd.
Wat ik nog altijd in ons vak mis, is dat cardiologen tijd nemen voor reflectie op hun werk. Iedereen stoomt maar door in de waan van de dag, ondertussen klagen de patiënten dat ze zich te weinig gezien en gehoord voelen. Ik besef dat ik op dat vlak ook ben tekortgeschoten. Hopelijk gaan de komende generaties daarin verandering brengen.’
Boekentip: The Awakening van Kate Chopin
‘Dit boek gaat over een vrouw die gevangen zit in haar huwelijk, waardoor ze niet aan haar idealen toekomt. Het eindigt dramatisch: ze loopt de zee in en verdrinkt. Als boodschap aan nieuwe generaties vrouwen, haal ik uit dit verhaal de overtuiging dat je je idealen altijd moet blijven koesteren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant