Antifascisme De Tweede Kamer heeft nipt een motie aangenomen waarin staat dat ‘antifa’ gezien moet worden als een terroristische organisatie. Ook Donald Trump noemt de term vaak, om zo links te belasteren. Maar kan dat wel, een weinig vast omlijnde ideologie aanpakken?
In november 2023 protesteerde protesteerde ‘Antifa’ op de Dam naar aanleiding van de winst van PVV bij de verkiezingen van 2023.
Wordt ‘antifa’ in Nederland en de Verenigde Staten aangemerkt als een terroristische organisatie? Donderdagavond stemde een rechtse meerderheid van VVD, FVD, SGP, PVV, BBB en JA21 voor een motie van Forum voor Democratie om ‘antifa’ als terroristische groep te beschouwen. Die motie volgde een dag na een vergelijkbare aankondiging van de Amerikaanse president Donald Trump, die na de moord op activist Charlie Kirk een bredere aanval op linkse groeperingen heeft aangekondigd.
Niets, en tegelijkertijd alles. ‘Antifa’ is geen centrale organisatie, met een leider en lidmaatschappen, die gecoördineerde acties uitvoert tegen ‘fascisme’. Het is vooral een parapluterm voor een brede verzameling van links activisme dat verder gaat dan alleen demonstraties en zich ook richt op bijvoorbeeld doxing (het verzamelen of openbaar maken van persoonsgegevens) en intimidatie. Het is in die zin vooral een idee of ideologie die mensen mobiliseert, namelijk: opstaan tegen oprukkend fascisme vergt harde politieke strijd, en soms ook geweld.
Daarmee is ‘antifa’ vergelijkbaar met andere ideologische actiebewegingen als wit suprematisme en islamitisch extremisme, zei de Amerikaanse hoogleraar Cynthia Miller-Idriss deze week in The New York Times. Zo’n ideologie staat volgens haar nog los van specifieke groepen die op anti-terreurlijsten worden gezet, zoals Al-Qaida. Tegelijkertijd bestaan er wel groepen die zich ‘Anti-fascistische Actie’ (AFA) noemen, ook in Nederland. Die groep ontstond in 1992 vanuit de krakersbeweging en is vooral een netwerk van doorgaans relatief kleine, en ongeorganiseerde lokale verbanden van activisten.
Dat maakt ‘antifa’ redelijk ongrijpbaar: iedereen kan zich ‘antifa’ noemen, degenen tegen wie deze motie en het decreet van Trump zich richten doen dat soms ook, maar vaak genoeg ook niet.
Belangrijk is vooral: de term ‘antifa’ is met name in de Verenigde Staten een onder Republikeinen geliefd stempel geworden om op allerlei links activisme te plakken, van demonstraties op campussen tot Black Lives Matter. Dat alles ‘antifa’ noemen past in het conservatieve idee dat links protest strak georganiseerd wordt, met een duidelijke structuur van financiering en coördinatie. In die context is ‘antifa’ vooral een stok om tegenstanders mee te slaan. Het komt er dan, voor rechts Amerika, op aan om die structuren bloot te leggen en te ontmantelen.
Zowel de Nederlandse motie als het Amerikaanse decreet lijken op het eerste oog vrij onuitvoerbaar. De bevoegdheid om in Nederland groepen op anti-terreurlijsten te plaatsen, ligt bij de minister van Justitie en Veiligheid, niet bij de Tweede Kamer. Hij hoeft de motie van de Tweede Kamer niet uit te voeren. Het is bovendien maar de vraag welke organisatie(s) precies op welke lijst geplaatst zou moeten worden. In de motie wordt gesproken van „antifa-cellen” en „antifa” die als „terroristische organisatie” moeten worden aangemerkt, wat een organisatie en samenhang tussen demonstraties en activisten veronderstelt die er niet per se is.
In de Verenigde Staten speelt iets vergelijkbaars. Er is daar namelijk geen wet om binnenlandse terreurgroepen, zoals Trump ‘antifa’ deze week aanduidde, te verbieden. Dat verklaart wellicht ook waarom Trump na een vergelijkbare aankondiging in 2020 niet doorpakte: de wettelijke grondslag ontbreekt simpelweg.
Maar dat maakt de motie en Trumps aankondiging niet onbelangrijk. Ze hebben symbolische waarde: ze proberen activisme van politieke tegenstanders te criminaliseren. In de Verenigde Staten kan Trump zich een grote macht toe-eigenen om strafonderzoeken te openen tegen tal van linkse organisaties die onder ‘antifa’ zouden vallen – juist door de vage parapluterm kan het breed toegepast worden. En zoals bij zoveel dat Trump zegt en doet is het niet zozeer de vraag meer of het volgens de wet mag, maar of het negeren van die wetten consequenties heeft.
Als partijen dertig jaar eerder met deze motie waren gekomen, hadden ze nog recht van spreken gehad, zegt oud-AIVD’er Berrie Hanselman. Hij luisterde decennialang linkse extremisten af en promoveerde na zijn pensioen aan de Universiteit Leiden op links-extremisme en de aanpak daarvan door de overheid. Hij herinnert zich uit 1986 de chaos in een hotel in Kedichem, waar de Centrumpartij en de Centrumdemocraten bijeenkwamen. Tientallen antifascisten gooiden rookbommen naar binnen. Een gordijn vatte vlam en het hotel brandde tot de bodem af. Partijleider Hans Janmaat moest via aan elkaar geknoopte lakens uit het raam klimmen, zijn vriendin raakte dusdanig ernstig gewond dat haar been geamputeerd moest worden.
Zelfs in die tijd bleef antifa aangemerkt als links-extremisme en niet als terrorisme. Het ontbrak volgens Hanselman aan twee belangrijke criteria voor dat stempel: de intentie om menselijke slachtoffers te maken en grootschalige schade aan de democratische rechtsorde. „En nu is het gevaar van antifa nog veel minder groot”, zegt Hanselman. „Ze hebben nog wel de intentie om extreemrechts, bijvoorbeeld, van de straat af te meppen, maar niet meer de potentie. De aantallen zijn te klein.” De minderjarige jongen die in 2023 FVD’er Thierry Baudet sloeg met een bierflesje, ziet hij als de laatste écht gewelddadige actie van AFA Nederland.
In het laatste jaarrapport schrijft de NCTV dat links-extremisme „gefragmenteerd, klein qua aantal personen en divers qua ideologieën” is. Er is wel sprake van groei, maar „links-extremisme vormt op dit moment een beperkte geweldsdreiging”. In het jaarverslag van 2024 noteerde de AIVD „geen grotere bereidheid” bij links-extremisten tot geweld. „Wel zijn enkele acties harder geworden, er was daarbij sprake van vernielingen, intimidatie en doxing.”
Source: NRC