Home

Eindelijk, Peter Buwalda’s ‘De jaknikker’ is af: nog ambitieuzer dan ‘Otmars zonen’. Is het ook net zo goed?

Het (zeer) langverwachte vervolg op Otmars zonen bevat alles waarom deel één al werd bejubeld: De jaknikker is venijnig, gewaagd, elegant geschreven. Onderweg kreeg Peter Buwalda een ‘epifane inval’, waarna hij de boel nog eens grondig vertimmerde. Heeft dat de roman goed gedaan?

is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Peter Buwalda, waar waren we gebleven?
Oh ja, de Vatersuche die geen Vatersuche mocht heten: ‘Wat psychiaters tegen fikse tarieven een Vatersuche noemen, is niet aan de orde.’
Zo begon, in 2019, Buwalda’s Otmars zonen, het eerste deel van wat een trilogie zou moeten worden. Het boek waar lezers na Buwalda’s kaskrakersdebuut Bonita Avenue negen jaar met smart op moesten wachten.

Dat wachten was niet voor niets: Otmars zonen was een belevenis. Díép kropen we in het hoofd van de obsessief twijfelende Ludwig Smit (stiefzoon van Otmar Smit), opererend in de marge van de oliebusiness, ingesneeuwd op het onbarmhartige Russische eiland Sakhalin, alwaar hij voor het eerst in zijn leven tegenover zijn verwekker Johan Tromp, CEO van Sakhalin Energy, komt te zitten.

Op Ludwigs hotelkamer de onderzoeksjournalist Isabelle Orthel, die Ludwig nog uit zijn studententijd kent (die fles absint!), maar die nu op Sakhalin is om de grote Tromp ten val te brengen.

En vergeet dat intrigerende zijlijntje niet: Ludwigs stiefbroertje Dolf Appelqvist (zoon van Otmar), een gestoorde maar briljante pianist die beweert een onbekend pianosonatedeel van Beethoven te hebben gevonden.

Groots en meeslepend

Otmars zonen werd jubelend ontvangen. Besteller, nominaties. Buwalda werd geprezen om zijn grootse inzet; van benauwende innerlijke monologen tot talloze anekdotes voor de kraak en smaak, van spitsvondige metaforen tot schitterende landschapsbeschrijvingen, van inzoomen op de kleinste details tot het leggen van grote verbanden.

Het lef ook: aan het begin van Otmars zonen zit Ludwig in een taxi naar het vliegveld en aan het eind, zeshonderd pagina’s later, is-ie nog steeds niet thuis. En de legendarische, tergend lang uitgesponnen oordopjes-scène mag absoluut tot een van de beste uit de Nederlandse canon worden gerekend.

Toch, hoe groots en meeslepend ook, was dit eerste deel vooral een begín. De lijnen werden uitgezet, de personages voorzien van een uitgebreide, smeuïg beschreven achtergrond, iedereen op zijn plaats, klaar voor de start.

De grote vragen waarmee we het boek dichtsloegen: wat is er waar van Dolfs Beethoven-verhaal? Lukt het Isabelle haar bewijsmateriaal tegen de corrupte Tromp te verzilveren? Weet Ludwig zeker dat Tromp zijn vader is? Heeft Tromp enig idee? En bovenal: weten ze van elkaar wat ze weten?

Op de antwoorden zouden we niet al te lang hoeven wachten, stelde Buwalda indertijd gerust: hij had hij het volgende deel, De jaknikker, al bijna af. Twee jaar later vertelde hij in een interview met Onno Blom dat hij de vierhonderd reeds geschreven pagina’s had weggegooid en helemaal opnieuw was begonnen. Het jaar daarop bekende Buwalda dat hij onder de douche een ‘epifane inval’ had gekregen waardoor toch de bijl er weer in moest.

Weer een jaar later, 2024 nu: ‘Inmiddels heb ik de hele zaak als dr. Frankenstein uit elkaar getrokken en weer vastgenaaid.’

De Volkskrant bleef zich verheugen:

2021: Onno Blom verheugt zich op De jaknikker van Peter Buwalda, het vervolg op Otmars zonen. Of dat zin heeft, is een tweede
2022: Onno Blom vraagt Peter Buwalda (nog maar weer eens) hoe het staat met zijn nieuwe roman: ‘2023? Dat gaat niet lukken’
2023: Net als vorig jaar belt Onno Blom met Peter Buwalda om hem te vragen of komend jaar dan toch De jaknikker, deel 2 van zijn romantryptiek, zal verschijnen
2024: De Volkskrant vraagt Peter Buwalda voor de vierde keer hoe het met zijn nieuwe roman staat: ‘Laat ik eens gek doen, waarom ook niet. De jaknikker verschijnt in de herfst van 2024’
2025: De Volkskrant vraagt Peter Buwalda voor de vijfde (en laatste?) keer hoe zijn roman ‘De jaknikker’ vordert

Dan, begin 2025, weer bericht van de Buwalda-burelen: ‘Het wordt een drieluik, maar ook een tweeluik.’ Tijdens zijn inmiddels traditionele evaluatiegesprekje met Blom vertelde de schrijver dat Otmars zonen en De jaknikker een afgerond geheel zouden vormen. ‘Samen zijn ze kogelrond. Ik zou het erbij kunnen laten. Maar een derde deel is tegelijkertijd aanlokkelijk en logisch.’

Vertellen, dat kan Buwalda

De hele voorgeschiedenis heeft de verwachtingen over dit boek onder hoogspanning gezet. Neutraal aan deze roman beginnen kán bijna niet. En toch moeten we dat proberen.

Allereerst moet gezegd worden dat De jaknikker alles bevat waarvoor Otmars zonen al werd bejubeld. Alles wat ik eerder noemde en meer: de heerlijk venijnige beschrijvingen van uiterlijkheden (over een pianist met een overhangend voorhoofd: ‘qua uitzicht leeft hij in een grot’) en eigenschappen (‘Margot heeft het gemoed van een klaproosje, je kucht er zo een blaadje af’), de gewaagde achteruitkijkende vertelwijze (bijna alles is een flashback), het elegante overstappen van het ene naar het andere neurotische hoofd – ja vertellen, dat kan Buwalda.

Maar hoe zit het met de plot, waarop met al die lijnen en geheimen toch ook wel hard werd ingezet?

De jaknikker begint precies daar waar Otmars zonen ophield: in de Sakhalinse villa van Johan Tromp, waar hij zojuist door Isabelle Orthel is geconfronteerd met haar ronduit explosieve conclusies van haar onderzoek naar hem. Ze heeft opnamen van alles wat hij haar heeft verteld tijdens hun sadomasochistische weekje in Nigeria – en dat is ruim voldoende om zowel zijn carrière als zijn huwelijk te slopen.

Johan is getrouwd met Barbara, een belezen Afro-Amerikaanse die aan het eind van Otmars zonen nietsvermoedend kwam binnenwandelen, maar in De jaknikker een rol van grote betekenis zal gaan spelen.

Terwijl Tromp met Orthel in z’n maag zit, deelt Ludwig nog steeds een hotelkamer met haar; hij blijft langer op Sakhalin omdat Tromp hem heeft gevraagd zijn persoonlijk assistent te worden – een behoorlijk prestigieuze baan.

Ludwig moet er, zoals over alles, eerst lang en hard over nadenken. Vraagt Tromp dit omdat hij weet dat hij zijn zoon is? Maar waarom zegt hij dan niks? Kan hij de baan aannemen zonder zelf iets te zeggen?

Friend with benefits

Hij kiest voor dat laatste en dan maakt het verhaal een grote sprong naar anderhalf jaar later: Ludwig woont op Sakhalin en doet het wonderwel als rechterhand van de CEO. Hij is een huisvriend van de Trompjes geworden, Barbara heeft hem zelfs gevraagd als meelezer van de roman waaraan ze werkt.

In zijn vrije tijd bezoekt Ludwig Isabelle in Moskou als ‘friend with benefits’. Naast haar nog steeds lopende onderzoek naar Tromp werkt Isabelle inmiddels aan een documentaire over Dolf Appelqvist en zijn Beethoven-schat. Ondertussen zoekt Ludwig in opdracht van Tromp in Isabelles appartement stiekem naar de belastende geluidsopnamen.

Voor de goede orde: Tromp weet nog steeds niet dat Ludwig zijn zoon is, Ludwig weet niets van de straffe seksweek die Tromp en Isabelle in Nigeria beleefden en Isabelle weet niet dat Ludwig de tassendrager van Tromp is. Of weet iedereen alles maar laat niemand wat merken?

Het moet een van Buwalda’s oorspronkelijke ideeën zijn geweest voor dit twee-/drieluik: wat als je voor je pa gaat werken zonder dat die weet wie je bent?

Je hóórt het hem pitchen bij z’n redacteur: ‘Een beetje Bordewijk, weet je wel, een beetje Karakter, roman van zoon en vader’ – en verdomd, dat klinkt goed. (Zoals ook Bonita Avenue uit zo’n soort ideetje ontsprongen lijkt: wat als je je eigen dochter in een pornofilmpje tegenkomt?)

‘Wat als?’ Maar ja, als het dan eindelijk zover is, ja, wát dan eigenlijk?

Droste-effect

De schrijver lijkt zelf het antwoord in elk geval niet te weten; steeds verder draait hij vast in het gekonkel, gelieg en gedraal van zijn personages, zó dat het zoetjesaan begint te vervelen. En sympathie voor die lui krijg je er ook al niet van: werkelijk niemand gunt elkaar iets, het is een en al achterdocht, slechte gedachten en bitterheid – je wordt er mies van. Het kan je steeds minder schelen wat er van deze figuren terechtkomt. Tromp van zijn troon? Ludwig ontmaskerd? Isabelle toch geen scoop? So what.

Buwalda is niet gek, die heeft zelf ook wel aangevoeld dat de boel spaak loopt. En daarom haalt hij op een derde van de roman de voornoemde bijl tevoorschijn. Ludwig slaat het manuscript van Barbara open en húh? We lezen ineens over de ontmoeting tussen Tromp en Isabelle in Nigeria, precies zoals het in Otmars zonen door Buwalda is beschreven – letterlijk. Alleen heet Tromp nu Clock.

Dit moet Buwalda’s ‘epifane inval’ zijn geweest: een droste-effect om de boel weer op scherp te zetten.

We hebben nu dus te maken met een Barbara die een alwetende verteller blijkt en Ludwig via haar manuscript laat blijken dat ze weet hoe het tussen hem en zijn vader zit. Op twee derde smeert Buwalda er nog een laag overheen (‘het lijkt wel spekkoek’) door ene Hein Bakker te introduceren. Hij is, je gelooft het niet, de voormalige rechterhand van de Sakhalin Energy-CEO genaamd Clock, en leest het manuscript van ene Diamond.

Dat is dus wonderlijk genoeg precies dát wat wij, argeloze lezertjes, ook al de hele tijd aan het lezen zijn: over Ludwig en Tromp dus. En over Dolf, Tosca en Ulrike, die ‘in het echt’ Heintje, Norma en Gertrude heten en geen stuk van Beethoven maar van Schumann hebben ontdekt.

Zoals Ludwig via het manuscript van Barbara iets duidelijk wordt gemaakt, zo moet Hein via het manuscript van Diamond ook iets worden verteld. Omslachtig allemaal, denkt de lezer, chagrijnig door het bijhouden van deze hele alter-egoboekhouding, kunnen ze niet gewoon even allemaal bij elkaar gaan zitten en alles op tafel gooien? Waar is Bert van Leeuwen als je hem nodig hebt?

Ironisch: Buwalda’s bijl heeft het verhaal niet opengebroken, maar dubbel zo hard klemgezet. Nu zitten we niet op één, maar op twéé niveaus te pietepeuten over wie wat over wie wel/niet niet weet.

Verstrikt

Terwijl: zó vreselijk belangrijk zijn hun geheimpjes nou ook weer niet. Buwalda neemt alvast een voorschot op deze kritiek door Hein met groeiende weerzin het manuscript te laten lezen en er metacommentaar op te laten leveren. ‘Amusant trapezewerk’, ‘de leesclubs zullen er blij mee zijn’. ‘Hang ze maar op, wat extra spiegels in het spiegelpaleis, maak het maar bont.’ ‘Vind je het niet grappig dat Ludwig een boek over Hein moet lezen? En dat hij niet weet wie dat is? Een glimlach, een kleintje?’

Ondertussen raken we verstrikt in de uitleggerige passages die ons duidelijk moeten maken waar en op welke tijdlijn we ons bevinden (‘ik wist toen dus nog niet hoe de vork in de steel zat’), de personages – steeds minder mens, steeds meer pion – worden woest over die lijnen heen en weer geschoven. ‘Ik blader terug. Was Tromp niet in Leiden? Klinkt alsof we weer terug zijn op Sakhalin.’

Buwalda’s ambitie om het boeiend én begrijpelijk te houden heeft een woekerend epos opgeleverd waar hij zelf, meen ik tussen de regels te lezen, onderhand ook wel klaar mee is. Ik denk niet dat deel drie er gaat komen.

Peter Buwalda: De jaknikker. De Bezige Bij; 696 pagina’s; € 35.

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next