Home

Het Letterenfonds schrapt en breidt uit en zo wordt de schrijver tot seizoenswerker

‘Oudere en gevestigde schrijvers mogen blij zijn dat ze niet door iemand als Stalin worden vermoord.” Het was een verfrissende relativering, waar Arnon Grunberg mee kwam, gevraagd om een reactie op het nieuwe subsidiebeleid van het Nederlands Letterenfonds. Het NRC-bericht vatte dat beleid als volgt samen: „Gevestigde auteurs gaan inleveren om ruimte te maken voor debutanten en meer diversiteit.”

Toch geloof ik dat hier net iets meer over te zeggen valt dan dit laconieke geginnegap, van iemand uit dat handjevol gezegende collega’s die nu juist wél van hun boekverkoop kunnen leven. Die nooit met klamme handen zo’n brief met de beslissing van het Letterenfonds uit de bus hebben gevist.

Loopbaanondersteuning

Zelf kreeg ik er dit voorjaar eentje: opluchting, ik kon weer vooruit. Ook al bevond ik me nu in een categorie die dit fonds ‘ervaren’ noemt. Het maximale bedrag voor een werkbeurs (15 tot 33 duizend euro) is hiervoor lager dan dat van de ‘oeuvrebouwers’ (15 tot 55 duizend euro), die aan een vierde of vijfde boek werken. Maar dat was prima. Ik kon me goed vinden in de logica achter dit systeem van ‘bandbreedtes’, dat nu wordt losgelaten.

Terwijl: juist in de kwetsbare fase na de eerste twee boeken is deze steun cruciaal. Dáár valt de beslissing. Blijf je een incidentele schrijver, of word je iemand die een heel oeuvre opbouwt? Pas na mijn tweede boek, in 2008, kon ik een vaste baan opzeggen en, met vallen en opstaan, een schrijfpraktijk opbouwen, dankzij wat vaste journalistieke ankers, wat literaire prijzen én zeker ook dankzij werkbeurzen van het Letterenfonds. Inmiddels goedverkopende auteurs als Ilja Pfeijffer of Rob van Essen zijn bijvoorbeeld ook in die cruciale opbouwfase van hun schrijversloopbaan ondersteund.

Het probleem met de nieuwe koers is niet zozeer dat het ‘nieuwe stemmen’ verwelkomt, maar dat het dit onderscheid in categorieën loslaat.

Dat wordt ingeruild voor één generieke regeling, waarin ook makers van graphic novels en debutanten een beurs kunnen aanvragen, en waarin je óf buiten de boot valt, óf 15.000 krijgt (voor projecten van twee jaar of korter), of 30.000 (langduriger projecten).

Dat laatste is hetzelfde bedrag dat in 2013 werd ingesteld voor die ‘ervaren schrijvers’. Als dat was meegegroeid met de inflatie, was dat nu rond de 40.000 geweest. Zeker, dertig mille, dat is royaal. Toch even in perspectief: zelfs de gelukkigen die dit krijgen, moeten hier in de praktijk drie à vier jaar mee doen. Maandelijks betekent dat, na aftrek van de belasting, zo’n 600 euro. Exclusief pensioenopbouw en die straks verplichte AOV.

Breder uitserveren

„Breder uitserveren”, noemt de directeur van het Letterenfonds het nieuwe beleid. Dat klinkt alsof er een vorstelijk buffet klaarstaat. In de praktijk is het vooral: dunner uitsmeren. En hier zit uiteraard het echte probleem. Voortaan ook debuten subsidiëren is op zichzelf een genereus streven, maar je zou dat pas moeten doen als daar extra middelen voor komen. Voor die werkbeurzen, maar ook voor de menskracht die nodig zal zijn bij de schifting.

Jaarlijks verschijnen er zo’n vijftig romandebuten. Straks moeten commissies gaan beoordelen welke daarvan steun krijgen. Dat doen ze op basis van werkplannen, aangevuld met mogelijk wat publicaties in literaire tijdschriften, voor zover die nog bestaan. Voor debutanten in het Caribisch gebied ligt de lat kennelijk net ietsjes lager, en is zelfs geen uitgeefcontract nodig, als eerste kwaliteitsfilter. Ik mag hopen dat het Letterenfonds nog steeds een van de weinigen plekken in de cultuurwereld blijft waar wát er wordt geschreven belangrijker is dan wíé het schrijft.

Vanzelfsprekend is er nieuwe aanwas nodig. Als criticus voor De Groene Amsterdammer breek ik geregeld lansen voor sterke, verrassende debuten en ander werk van jonge (en ja, ook ‘diverse’) schrijvers, ik zit sinds kort in de jury van de Anton Wachterprijs (voor romandebuten), en waar het maar kan, draaf ik op als een missionaris voor die heilige ‘leesbevordering’. Het zou jammer zijn als dit beleid een tegenstelling laat ontstaan tussen ‘gevestigden’ en ‘debutanten’, tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ stemmen. Dat zou namelijk het werkelijke obstakel maskeren. Dat het budget veel te krap is: 3,8 miljoen op die hele beroepsgroep van schrijvers en dichters is karig.

Dat is nog altijd een erfenis van de desastreuze bezuinigingsslag van Halbe Zijlstra, die in 2012 verordonneerde dat er 20 procent van de werkbeurzen af moest. Daarvóór was het maximale subsidiebedrag ruim zestigduizend euro. Onder leiding van toenmalig directeur Pieter Steinz deed het fonds wat je tegenover zoveel blinde vernielzucht nog kón doen: een billijk verdeelmodel ontwerpen, dat rekening hield met de praktijk, en waarin het zwaartepunt dus kwam te liggen op die ‘oeuvrebouwers’. Ook bij de beoordelingen van ervaren schrijvers woog het oeuvre als geheel sterk mee.

De nieuwe koers ziet vooral nog afzonderlijke titels. „Bij een minder geslaagd boek gaat de subsidie niet omlaag, zoals voorheen het geval was, maar komt er überhaupt geen subsidie meer”, vatte NRC samen.

Meest recente werk

Het is een bredere tendens in het hele cultuurbestel. Podiumartiesten, gezelschappen, beeldend kunstenaars: ze worden er steeds meer afgerekend op hun meest recente werk of voorstelling. Van oeuvrebouwers naar seizoenswerkers, die zo goed zijn als hun laatste kunstje.

Dit is een van de redenen dat de Raad voor Cultuur en belangenvereniging Kunsten ’92 ervoor pleiten om de landelijke vierjaarlijkse subsidiecyclus te vervangen voor eentje van acht jaar. Continuïteit, duurzame carrières: zo maak je artistieke verdieping mogelijk. Ook het Letterenfonds dreigt het grotere geheel uit het oog te verliezen, door te nivelleren in een sector die toch al krimpt. Veel uitgevers zijn minder scheutig met een nieuw contract na een ‘titel’ die het wat minder ‘doet’. Titelreductie, teruglopende verkoopcijfers van Nederlandstalige fictie en slinkende ruimte voor literaire kritieken. Het gevaar is dat dit zorgt voor een zekere voorzichtigheid bij de schrijver, kunstenaar of andere ‘maker’. Die gaat mikken op de vermeende smaak van het grote publiek, in de hoop ook eens iets ‘breed uit te serveren’. Zie daar het absolute tegendeel van de vernieuwing waar het Letterenfonds op uit is.

Cultuurfondsen horen een buffer te zijn tegen de wispelturigheid van markt en politiek. Niet tegen een Stalin die auteurs uit de weg ruimt, maar tegen het gestaag verdwijnen van schrijvers, omdat hun werk wordt beoordeeld als seizoenswaar.

Source: NRC

Previous

Next