Home

Hoe zijn we in de huidige ‘post-truth world’ terecht gekomen? Een historicus en een filosoof zoeken naar antwoord

Ideeëngeschiedenis Historicus Piet de Rooy onderneemt een soms ironische ‘zwerftocht’ langs de begrippen tijd, waarheid en geschiedenis in een veelomvattend boek. Filosoof Maarten Boudry moet weinig hebben van zijwegen en omwegen. Hij gaat de barricade op voor geloof in verlichting en vooruitgang.

Francisco Goya: ‘La Verdad, el Tiempo y la Historia’ (1804-1808).

Er zijn landen waar belangrijke mensen aan het eind van een bedrijvig leven hun memoires schrijven. Alles wat ze hebben gedaan en beleefd wordt ondergebracht in een persoonlijk verhaal, van de wieg tot aan de rand van het graf. In Nederland gebeurt het zelden. Gelukkig worden er tegenwoordig wel veel biografieën geschreven, wat het ontbreken van zelfgeschreven memoires enigszins compenseert. Maar veel biografieën van historici bestaan er niet, net zomin als memoires. Wat doet een historicus dan na het pensioen? De meesten gaan gewoon door met hun werk. En publiceren soms hun beste boeken, eindelijk verlost van alle academische rompslomp.

Piet de Rooy, jarenlang hoogleraar aan de UvA, doet in De tijd, de waarheid & de geschiedenis. Hoe onze wereld in elkaar zit iets anders. Hij denkt hardop na over zijn vak, of beter gezegd niet zozeer over alleen zijn vak (hij heeft geen strikt historiografisch betoog geschreven) als wel over de moeilijk grijpbare materie waarmee dat vak zich bezighoudt. Tegelijkertijd laat hij zich kennen aan zijn lezers: door een anekdote hier en daar, maar vooral door zijn manier van vertellen, zijn ietwat ironische stijl, zijn ingehouden humor. Zo ontstaat een reflexief zelfportret, waarvan de lezer ook nog eens het nodige opsteekt.

De Rooy stelt zich niet op als een alwetende geleerde, eerder als een nieuwsgierig mens die zijn kennis haalt uit boeken (uiteraard!), maar ook van een website of uit de krant. Hij onderneemt een ‘zwerftocht’, zonder de discipline van een streng afgebakend onderwerp. De drie grote begrippen uit de titel fungeren in de drie delen waaruit het boek bestaat eerder als magneten die hij door het historische ijzervijlsel haalt om te zien wat eraan blijft kleven. Om totale willekeur te vermijden is er wel een soort leidraad, namelijk de vraag hoe we in de huidige ‘post-truth world’ terecht zijn gekomen. Vandaar ongetwijfeld de royale aandacht voor oude en nieuwe wanen, voor de vervolging van ketters, joden en heksen, voor complotdenkers toen en nu, voor zaken als astrologie, occultisme, spiritisme, theosofie, antroposofie, platte aarde en vliegende schotels. Wie zich nu zorgen maakt over de teloorgang van ‘de waarheid’, krijgt van De Rooy de misschien geruststellende mededeling, dat er op dit punt niet veel nieuw is onder de zon.

Interessanter wordt het wanneer hij ook de geschiedschrijving in dit verband betrekt. Niet dat historici complotdenkers zijn, maar er zijn meer overeenkomsten dan menigeen lief zal zijn. Ook historici vertellen graag een samenhangend verhaal. De Rooy demonstreert dat aardig in zijn introductie door de lezer op het verkeerde been te zetten. Hij doet alsof hij tijdens een historisch congres in Madrid spijbelt en dan in het Prado Goya’s schilderij La Verdad, el Tiempo y la Historia ziet, dat het boek zijn titel heeft gegeven. In werkelijkheid hangt het in Stockholm en is De Rooy naar eigen zeggen pas geleidelijk op zijn drievoudige thematiek gekomen. Maar als verhaal is de fictie natuurlijk mooier. Zo gaan wij mensen nu eenmaal te werk, ook de historici onder ons. Onze werkelijkheid bestaat voor een belangrijk deel uit ficties, die onwillekeurig ‘waar’ worden zodra we erin gaan geloven.

Aan de historicus de taak om daar achteraf orde in aan te brengen. Hierin lijkt hij niet alleen op een complotdenker, maar ook op een schrijver van detectiveromans. Met dit grote verschil dat de beide laatsten hun verhaal liefst zo sluitend mogelijk maken en toeval uitbannen, terwijl de historicus maar al te goed weet dat zoiets zelden mogelijk is. Zelf geeft De Rooy het goede voorbeeld door op zijn ‘zwerftocht’ het toeval, evenals het zijpad en de uitweiding, alle kansen te gunnen. Op een boekenmarkt stuit hij bij voorbeeld op een boekje met de intrigerende titel Roomsch bakken en braden uit 1925, geschreven door een doopsgezinde predikant, dat goed te pas komt bij zijn behandeling van de kettervervolging door de katholieke kerk. Ook onthoudt hij ons niet wie zijn favoriete heilige is: de heilige Rita de Cascia, de ‘heilige der onmogelijke dingen’, die te hulp moet worden geroepen bij ‘hopeloze gevallen’. Enzovoorts.

Ondanks het onvermijdelijke toeval blijkt geschiedschrijving toch geen hopeloos geval te zijn, maar eerder een zaak van constructie, net zoals dat het geval is met de tijd, waarvan De Rooy uitvoerig laat zien hoe de mensheid die in de loop der eeuwen heeft gemeten, door middel van zonnewijzers, zandlopers, klokken, kalenders en jaartellingen.

Losse genealogie

In het derde deel komt De Rooy met een losse genealogie van de geschiedschrijving, beginnend met Herodotus en Thucydides, waarbij de eerste staat voor het goede verhaal, de laatste voor de betrouwbaarheid. Beide zijn onmisbaar, ook na de professionalisering van het vak door Leopold von Ranke in de negentiende eeuw. De Rooys eigen voorkeur lijkt intussen uit te gaan naar de mentaliteitsgeschiedenis, zoals bedreven door de Franse Annales-school, met historici als Lucien Febvre, Marc Bloch en Fernand Braudel, die heeft gezorgd voor de ‘invloedrijkste vernieuwing van het vak’. Tegelijkertijd worden ook Nederlandse historici als Huizinga en Romein meer dan eens met instemming aangehaald, net zoals De Rooy in dit boek geregeld inzoomt op het Nederlandse verleden, waarover hij in zijn professionele leven voornamelijk heeft geschreven.

Uit dit rijke, maar ook nogal diffuse geheel een duidelijke boodschap destilleren, valt niet mee. De Rooy pleit voor ‘twijfel’, want hoewel ‘leugens’ in de geschiedschrijving niet thuishoren, is daarin voor ‘overmatige zekerheden’ evenmin plaats. Een zeker relativisme is dus onvermijdelijk, maar dat kan wellicht worden gecompenseerd door het ‘begrijpen’, dat De Rooy met dank aan Marc Bloch en diens Apologie pour l’histoire in de slotzin van zijn boek onderstreept. Aan Romein heeft hij dan al het inzicht ontleend dat ‘mensenkennis’ misschien wel de meest noodzakelijke eigenschap is van de historicus.

Het is na honderden alle kanten opschietende bladzijden misschien een wat al te matte, al te obligate slotsom. Wie er zeker geen genoegen mee zal nemen, is de jonge Vlaamse filosoof Maarten Boudry. In zijn nieuwe boek Het verraad aan de verlichting klaagt hij erover dat je zo weinig hebt aan de historici met hun scepsis – ze onderzoeken de Verlichting wel, maar niet vanuit een ‘robuust’ geloof in de vooruitgang, laat staan met de intentie die een handje te helpen. Piet de Rooy bedient hem op zijn wenken, niet door de Verlichting te steunen maar door die juist te relativeren. Toevallig noemt hij Steven Pinkers boek Enlightenment Now als een voorbeeld van ‘een relatief simpel beeld van de Verlichting’, waarbij alles enkel draait om reason, science, humanism and progress. Dat beeld is inmiddels danig ‘vergruisd’, om nogmaals met Romein te spreken, dat wil zeggen: bij de historici, niet bij Boudry, die het voor honderd procent eens is met Pinker, zijn grote voorbeeld.

Uit de hand gelopen

De Rooy maakt het nog erger door met een citaat uit Bellows Mr. Sammler’s Planet te stellen dat de Verlichting wellicht „wat uit de hand is gelopen”. Vervolgens ziet hij de opkomst van grote complottheorieën (waarbij onder andere de Franse revolutie aan een samenzwering van vrijmetselaars en joden werd toegeschreven) als een gevolg van het verlichte pleidooi (Kants sapere aude) om zelf te denken: zodra mensen echt zelf gaan denken en geen enkele autoriteit meer vertrouwen, kunnen er de gekste dingen uit voortkomen. Blijft de vraag of je die uitkomst de Verlichting mag aanrekenen. Zijn de mensen niet in de eerste plaats zelf verantwoordelijk en volgt dat niet eveneens uit de verlichte principes?

Opmerkelijk genoeg meent ook Boudry dat de Verlichting kan ontsporen met haar kritiek op alle overgeleverde waarden en waarheden. Als zodanig ziet hij bijvoorbeeld het postmodernisme, dat het hele begrip van waarheid en objectiviteit op losse schroeven heeft gezet. Een vorm van verraad in de ogen van Boudry, verraad aan een moderniteit die de wereld sinds 1800 zoveel welvaart en voorspoed heeft gebracht dankzij wetenschap en liberale democratie. Uitgerekend degenen die zich nog altijd ‘progressief’ noemen, keren zich nu tegen de moderne vooruitgang (die een ongekende toename van de wereldbevolking heeft veroorzaakt), terwijl zelfverklaarde hedendaagse ‘conservatieven’ haar verdedigen.

Onbegrijpelijk, vindt Boudry, die het in zijn boek desondanks probeert te begrijpen. Maar begrip gaat bij hem al snel over in een aanklacht, tegen postmoderne denkers als Foucault (die het zelfs bestond om het regime van ayatollah Khomeiny geestdriftig te verwelkomen) of Derrida (wiens ‘woordenbrij’ Boudry „een van de ergste beproevingen uit mijn studententijd” noemt), tegen een postkoloniaal denken dat in de wereld nog alleen blanke onderdrukkers en zwarte slachtoffers kan zien, en tegen een ‘groen denken’ dat groei zou willen inwisselen voor degrowth.

Het is niet voor het eerst dat Boudry op dit aambeeld hamert. Het hoofdstuk over het ecologische verzet tegen de ‘onbegrensde groei’ waarvoor Boudry pleit, is in feite een samenvatting van zijn vorige boek Waarom ons klimaat niet naar de knopen gaat (2021). De nadruk ligt nu alleen op het ‘verraad’ van links, dat tot pakweg 1970 nog de Vooruitgang omarmde en zich daar vervolgens, onder invloed van opeenvolgende crises van milieu en klimaat, heeft afgekeerd.

Gestrekt been

Boudry gaat er met gestrekt been in, het is vaak van dik hout zaagt men planken. Maar hij strijdt met open vizier. Zijn verdediging van Israël als ‘enige liberale democratie in het Midden-Oosten’ en zijn verzet tegen de academische boycot van dat land hebben hem veel vijanden opgeleverd. Begrijpelijk, maar dat hem vanwege zijn ‘zionistische ideeën’ door vier collega’s aan de Gentse universiteit een gebrek aan ‘objectiviteit’ wordt verweten, is bespottelijk bij zo’n omstreden kwestie. Het bewijst zijn stelling dat aan de huidige universiteiten, daar waar een ‘linkse ideologie’ domineert, voor dissidente opvattingen geen plaats meer is. Het zou me overigens niet verbazen als Boudry zich inmiddels (een jaar na het schrijven van zijn manuscript) toch ook even achter de oren krabt over het Israëlische optreden in Gaza. Maar sommige van zijn argumenten snijden nog altijd hout, zoals het argument dat critici van Israël in het veilige, comfortabele West-Europa geen idee meer hebben wat een ‘existentiële bedreiging’ inhoudt. De ironie wil dat nu hetzelfde kan worden gezegd met betrekking tot de Palestijnen. Israël is de sterkste en doet wat het wil, maar je hoeft je geen enkele illusie te maken over wat Hamas met de Israëli’s zou doen als de rollen omgekeerd waren.

Het interessantste vind ik in Boudry’s boek (dat uitmondt in een even gedreven als onbesuisd pleidooi voor een nieuw vooruitgangsdenken) het moment waarop hij zich realiseert dat hij als verlichtingsdenker eigenlijk blij moet zijn met alle kritiek. Dat gebeurt nadat hij zich heeft afgevraagd waar al die kritiek op de Verlichting vandaan komt. Zijn antwoord luidt: de Verlichting lokt de kritiek zelf uit door deze ongestraft toe te laten. Een volgende stap zou kunnen zijn: je moet de critici dus wèl bestraffen. Maar die stap zet Boudry uitdrukkelijk niet (in tegenstelling tot zijn belagers die bij het Gentse universiteitsbestuur zijn gaan klagen) vanuit het inzicht dat ‘het vermogen tot zelfkritiek [...] de sleutel tot het succes van de Verlichting’ uitmaakt.

Aangezien die zelfkritiek er al van meet af aan was, met Rousseau als startpunt (over wie zowel Boudry als De Rooy zich onvriendelijk uitlaat, hoewel hij misschien wel de meest complexe en daardoor in mijn ogen interessantste verlichtingsdenker was), zou je ook kunnen zeggen dat de westerse moderne cultuur per definitie een fundamenteel verdeelde cultuur is, waar nooit alle neuzen dezelfde kant op staan. Met als gevolg strijd, debat, permanente onenigheid. Boudry doet daar volop aan mee, met een niet gering polemisch talent – anders dan de ietwat afstandelijke historicus De Rooy, die met zijn bezonnen, essayistische meditaties veel minder tegenspraak zal uitlokken. Een levende cultuur heeft behoefte aan beiden.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next