Chard van den Berg Columnist Chard van den Berg (22) herlas Dat de wind er geen vat op krijgt (1982) van Richard Brautigan. Bij het lezen van de eerste regel was hij eraan verknocht.
Foto Vrij Nederland
‘Die middag wist ik niet dat de grond klaar lag om een paar korte dagen later het zoveelste graf te worden.’ Deze eerste regel uit Dat de wind er geen vat op krijgt van de Amerikaanse schrijver Richard Brautigan zorgde ervoor dat ik op mijn zestiende weer echt begon met lezen. Ik zat in de derde klas van de middelbare school en bedacht in de afdeling tweedehands van een boekwinkel dat ik al lange tijd geen boek had uitgelezen. Mijn oog viel op dit werk – ik heb een voorkeur voor onmetelijk lelijke covers – en ik bladerde het door. En zo vond ik die omineuze eerste zin.
In Dat de wind er geen vat op krijgt kijkt een verteller terug op zijn jeugd, die abrupt ten einde komt als hij op twaalfjarige leeftijd zijn beste vriend onbedoeld doodschiet. Terwijl de inmiddels volwassen man het verhaal van die tragedie vertelt, neemt hij de lezer aan de hand van allerlei herinneringen mee door zijn kindertijd.
Het ironische is dat hij zich te pletter verveelt; zijn jeugd bestaat voornamelijk uit fantaseren over de personen die hij op bepaalde momenten tegenkomt. Terwijl hij die van een afstand oeverloos gadeslaat, tuigt hij in zijn hoofd enorm gedetailleerde levensverhalen op, zoals voor de twee forsgebouwde personen die aan het vissen zijn in een meer. Daardoor leest Dat de wind er geen vat op krijgt als een aaneenschakeling van korte verhalen over bijna karikaturale figuren.
Bij de eerste lezing had ik met name oog voor de overeenkomsten tussen het hoofdpersonage en mij; als kind verveelde ik me graag. Normaal gesproken heb je niet echt vat op andere mensen, is het lastig om invloed uit te oefenen op je omgeving. Destijds ervoer ik die verveling juist als een manier om door middel van mijn fantasie wél een zekere controle uit te oefenen.
Volgens mij kan de roman ook worden gezien als een moreel appèl van Brautigan op zijn lezer. Het speelt zich af in 1947, in het noordwesten van de Amerikaanse staat Oregon. In die naoorlogse jaren zijn de Verenigde Staten enorm geïndustrialiseerd en verstedelijkt; er was weinig ruimte voor creativiteit. Zo dient speelgoed in een van de verhalen als metafoor voor de teloorgang van de waardering voor fantasie: daarmee worden kinderen in principe gedwongen om te spelen met iets tastbaars, in plaats van hun eigen gedachten het werk te laten doen.
Ik was gefascineerd door de sprookjesachtige manier van vertellen. Wat dat betreft is Brautigan wel van zijn voetstuk geflikkerd. Ik vond bepaalde zinnen nu onhandig geschreven. Neem: ‘Telkens wanneer ik naar de zon kijk, wordt hij weerkaatst als een glinsterend beddesprei dat uit honderden door de wind aangedreven glijbootjes bestaat.’ Het wemelt van dat soort zinnen: klinkt leuk, maar het betekent niets.
De laatste jaren ontbreekt het mij aan de tijd om me te vervelen. Door deze herlezing zag ik in hoe aangenaam het was om met een naïeve bril naar de wereld te kijken, waardoor alle ruimte bestaat om je van alles in te beelden, om je te vervelen. Dat de wind er geen vat op krijgt zorgde voor een hernieuwde waardering van het vervelen van vroeger.”
In de rubriek ‘Teruglezen’ vertellen boekenliefhebbers over een werk dat in het verleden veel indruk op hen heeft gemaakt.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC