Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Ik ben zes jaar niet op vakantie geweest, dus ik wilde rustig opbouwen. We begonnen in eigen stad, een ontspannen vakantiedag. Gewoon kalm beginnen, geen boten, geen douane. Breda.
We liepen de straat uit, voor het eerst zonder boodschappentas. Een sensatie van vrijheid en avontuur beving me. Ik spreidde mijn armen uit naar de bewolking en begon te... jodelen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Natuurlijk niet. Als je iets niet verleert, oreerde ik, is het op vakantie gaan. Echt iedere oen beheerst de kunst. Prompt liep ik de verkeerde kant op, richting de supermarkt, gehypnotiseerd zakken rucola halen, jonagolds en een biokomkommer.
We namen lijn 5 naar het station. Hoewel er geen dakterras op de bus zat, genoot ik met volle teugen. Op het kolossale station met zijn schuddende, gillende perrons, kioskjes en mensenmassa’s, namen we een tweede bus met een waanzinnig hoog nummer, 371. ‘Respect’, mompelde ik tegen de chauffeur.
We scheurden de binnenlanden in. Collega Victor Hugo heeft een der eerste treinreizen beschreven, hij werd miserabel (knipoog geven) van het wegdraaiende uitzicht, dichtbij schoten de koeien als loeiende strepen aan zijn ogen voorbij, verderop boerderijen als trage scheepjes, hij vomeerde zich een bochel (knipoogje), gelukkig in de pet van de allereerste conducteur.
Geen last van. We stapten uit bij een bos, er moest gewandeld worden, de queeste van A naar A, waarheen voert de reis, nergens naar, eens in de zes jaar vind ik dat een goed idee.
‘Is het nog ver’, vroeg ik aan grote smurf. En: ‘Hadden we nu maar een biokomkommer.’ Ook, om als een leuke, uitgeklokte man over te komen, vakantiegeld op zak, verlost van de draaibank der letteren, merkte ik op dat bossen nooit veranderen, je kon bossen gerust zes jaar links laten liggen, een bos trok zich weinig aan van de internationale ratsmodee, sinds boomplantdag 1978 was er niet veel ver...
‘Volgend jaar fikt het hier af.’
We stonden inmiddels voor een enorme abdij. De vakantiedag in eigen streek dreigde los te komen, het was namelijk Open Monumentendag.
‘Geweest’, zei een mannetje in de abdij-shop. ‘Gisteren. De zusters zijn weer aan het werk.’
‘Des te authentieker’, zei ik, en ik knikte naar een authentiek vat waarin opmerkelijk genoeg Japanse sojasaus bleek te zitten, weliswaar van Brabantse kunne. Op een tafel ernaast zes smaken in flessen, theelepeltjes erbij.
‘Nummer één in Japan’, wist het ventje. Ook hij maakte een authentieke indruk, ik denk dat hij een Laaf was, Kaatsheuvel was niet ver weg.
‘Proef gerust’, zei hij met een uitnodigend armgebaar. Als een bus Japanners viel ik aan. Na twaalf theelepels verbood ik mijn vriendin Jet een fles te kopen. Ik zou constant van de bank komen, een theelepel volschenken, gaan zitten, de theelepel schoonlikken, en weer opstaan voor een nieuwe – totdat ze met een ziekenwagen een kunstnier kwamen voorrijden.
‘Komt deze nectar’, vroeg ik aan de kleine pretparkbewoner, ‘uit jullie Sprookjesbos? Je snoept er zeker de hele dag van?’
Hij trok een vies gezicht. ‘Nee’, zei hij, ‘hoef ik niet. Niks voor mij.’
‘Maar beste man’, zei ik, ‘deze sojasaus staat op één in Japan.’ Ik stak hem een gevulde theelepel toe. ‘Nee’, zei hij wegspringend, ‘blief ik niet. Vies, nee, bah. Ook niet proberen, nee, bah, hoef ik niet.’
Weer buiten vroegen we ons af wat ze dan wel zopen in het Sprookjesbos, Fristi, verder kwamen we niet.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.