Performancekunst Je kunt het tegenkomen in het theater, in het museum en straks in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië, of gewoon op straat: performancekunst. Het genre wint met het jaar aan populariteit. Maar wat is performance eigenlijk?
Lisa Schamlé tijdens haar performance ‘Me, a Depiction’. Foto Elodie Vreeburg
Performance is niet alleen het Engelse woord voor ‘optreden’ – het begrip vertegenwoordigt een compleet eigen tak van kunst, een tak die ieder jaar wel een groter deel van de boom uit lijkt te maken. De kunstvorm vindt zijn oorsprong in de avant-gardebewegingen in het begin van de twintigste eeuw. Met stromingen als het futurisme en het dadaïsme keerden kunstenaars zich radicaal tegen de traditionele vormen van kunst. In de jaren zestig en zeventig kreeg het genre een nieuwe impuls met onder andere de Fluxus-happenings en het fenomeen body art, waarbij kunstenaars hun eigen lichaam als medium gebruikten. Iconische kunstenaars als Marina Abramović en Joseph Beuys legden de basis voor wat we vandaag als performancekunst herkennen: een kunstvorm waarin de kunstenaar vaak live aanwezig is en waarin de grens tussen werk en wereld vaak niet helder te trekken valt.
Performance is hip in Nederland: steeds meer kunstenaars, of ze nu afkomstig zijn uit de dans-, scenografie-, beeldende kunst- of theaterwereld, noemen zich performers en creëren performances. Deze maand heeft de kunstminnende avonturier maar liefst twee aan het genre gewijde festivals om uit te kiezen: het Utrechtse Mime- en Performancefestival ZÉRO en het internationale performancefestival Feeling Curious? in Rotterdam. Tegelijk toont Museum De Pont in Tilburg This youiiyou (2023), een live werk van performance-kunstenaar Tino Sehgal.
Maar wat betekent ‘performance’ eigenlijk?
„Performances zijn voorstellingen waarbij je echt iets meemaakt”, zegt Berith Danse, directeur van het Amsterdamse Plein Theater en juryvoorzitter van de VSCD Mime/Performance Prijs. „Het is altijd een experiment. Je mag ergens aan deelnemen, en je hebt van tevoren geen idee wat je te wachten staat. Dat het zo populair is, heeft ook te maken met het publiek. Dat kan in deze tijd niet meer naar een lang, ouderwets praattoneelstuk kijken. Dat heeft behoefte aan iets spannenders.”
Het experimentele karakter van de kunstvorm zorgt er ook voor dat de jury ieder jaar weer discussieert over de criteria van de prijs, en dus over de definitie van het genre. Danse: „Performance is wars van criteria. Het laat zich niet in een hokje duwen.”
Didi Kreike/ R3LN4CHT op Down The Rabbit Hole met de performance ‘Enforcements’. Foto Isabelle van Putten
Bijna iedereen die over de kunstvorm vertelt, komt op zeker moment met dezelfde boodschap: performance is niet, of heel lastig, te definiëren. Uiteenlopende vormen van kunst worden onder het kopje geschaard: installaties in musea, dansvoorstellingen, interactieve evenementen, happenings in de openbare ruimte, persoonlijke theatersolo’s, sociale experimenten. Wat verbindt al die verschillende kunstuitingen? Of is ‘performance’ misschien niets anders dan een vergaarbak voor alles wat zich niet in traditionele categorieën laat onderverdelen?
„In zekere zin vult iedere student zelf in wat hij onder performance verstaat”, zegt Giovanni Brand, zelf performer en sinds deze maand opleidingscoördinator van de performanceopleiding aan de Toneelacademie Maastricht. Sinds 2000 kunnen studenten zich aan de academie niet alleen tot regisseur of acteur, maar ook tot theatraal performer laten scholen.
Brand begrijpt dat dit niet echt bevredigend is als antwoord, „maar juist die vrijheid is de grote troef van de opleiding. We willen studenten uitdagen zich los te maken van vastgeroeste ideeën over wat theater zou moeten zijn. Niemand gaat je tijdens de opleiding zeggen dat er iets niet mag.” Op één regeltje na dan: „Het is in principe de bedoeling dat de maker zelf aanwezig is in z’n werk. Al is het maar in de vorm van een voice-over.”
De allereerste student die ooit als theatraal performer aan de Toneelacademie afstudeerde, in 2003, is regisseur, actrice en performer Lizzy Timmers. „Aan het einde van het eerste jaar”, vertelt ze, „zeiden de docenten: we hebben een plan, het is nog niet af, maar misschien kunnen we met jou beginnen.” Dat plan was de performance-opleiding. „Het theaterlandschap was aan het veranderen. Postdramatisch theater maakte een opmars; theater waarin niet vanuit een klassieke toneeltekst werd gewerkt, maar vanuit muzikaliteit bijvoorbeeld, of montageprincipes, of samenwerkingen met andere kunstdisciplines. De school wilde studenten de mogelijkheid geven zich ook binnen die ontwikkeling te ontplooien.”
En dus startte Timmers, die zichzelf „toch al niet zag als de volgende Halina Reijn” in het jaar 2000, in haar eentje, een pilot van een opleiding waarvan niemand nog precies wist hoe die vorm moest krijgen. „Ik mocht het curriculum grotendeels zelf vormgeven. Ik had daar veel lol in. Ik gedijde goed bij die vrijheid.” Sommige anderen vonden het experiment maar onzin. Timmers: „Ik herinner me dat ik een soort lecture-performance had gemaakt óver performance. De hele school kwam kijken. Op de eerste rij zat de acteursklas die nu Wunderbaum vormt. Zij waren allemaal supersceptisch. Wij kunnen als acteurs toch net zo goed experimenteren met nieuwe vormen?, vonden zij. Who the fuck needs performance?” Ze lacht. „Zelf zie ik het nog steeds als een verrijking: een opleiding specifiek gericht op het onderzoeken van nieuwe vormen van vertellen.”
Ook op haar plaats op de performanceopleiding was Lisa Schamlé, jaargang 2015, die op de academie de ruimte vond haar interesse in fotografie te integreren in haar werk. Schamlé: „Mensen houden van categoriseren, ook omdat verouderde patriarchale normen dat zo voorschrijven, maar ik vind het grijze gebied interessant, waar disciplines in elkaar overlopen. Een foto bekijken in een fotografiemuseum is een 2D-ervaring. Als er in de ruimte ook een mens aanwezig is, als onderdeel van het werk, wordt de ervaring 3D. Er ontstaat een spanning tussen de kijker en de persoon die zich laat bekijken. Een levend lichaam wint het altijd van een koud object.”
Op het Utrechtse ZÉRO Festival toont Schamlé komende zaterdag haar performance Me, a Depiction, waarin haar eigen lichaam deze spanning veroorzaakt. Schamlé: „De performance gaat over het schoonheidsideaal, en hoe iedereen met een lichaam daarvan slachtoffer is.” Tijdens de performance, die eerder speelde op het documentairefestival IDFA, ligt Schamlé gekleed in een zilverkleurig badpak op een spiegelend object naar zichzelf te kijken. Publiek mag vrij rondlopen. Halverwege de performance maakt Schamlé haar blik los van haar spiegelbeeld en kijkt ze, via de spiegel, naar bezoekers.
„Ik had vooraf niet voorzien hoe indringend de ontmoeting met het publiek zou zijn”, vertelt ze. „Zolang je je blik op je eigen lichaam richt, durven mensen ongegeneerd naar je te kijken, maar zodra je naar hen kijkt, voelen ze zich betrapt. Kwetsbaar. Het is voorgekomen dat iemand moest huilen.” Het is de interactie met het publiek die voor Schamlé de grote kracht van performancekunst uitmaakt. „Daarin zit hem de spanning. In het theater ben je als toeschouwer anoniem aanwezig, als een soort voyeur. In een performance, in de mijne althans, wordt publiek mede-onderdeel van het werk.”
Ook Didi Kreike studeerde performance in Maastricht. In 2018 rondde hen de opleiding af, om vervolgens R3LN4CHT op te richten, een collectief dat werkt op het snijvlak van (queer) nachtleven en kunst. Op het ZÉRO Festival is R3LN4CHT te zien met Enforcements, een drie uur durende happening over het fenomeen gehoorzamen. Eerder werd Enforcements uitgevoerd op dancefestivals als Down The Rabbit Hole en POING Festival. Kreike: „Voor ZÉRO verplaatsen we het experiment naar de theaterzaal. Toeschouwers mogen binnenstappen en blijven zolang ze willen, terwijl zes performers en een dj, vermomd als verkeersregelaars, voortdurend ingrepen doen in de ruimte.”
Duur is een belangrijk element in hun werk, zegt Kreike. „Bij traditionelere vormen van theater legt publiek een tamelijk vaste route af: gezellig aan de bar, dan naar je stoel in het donker, voorstelling, applaus, misschien nog een drankje, en naar huis. Begin en einde van de ervaring zijn duidelijk afgebakend. In mijn werk is dat diffuser. In Safety Sirens (2025) mochten mensen bijvoorbeeld zo lang blijven als ze wilden, omdat het werk werd gespeeld in een loop. We spelen veel op dancefestivals; dan loopt de performance over in een feest. Performance is wat mij betreft echt buiten de lijntjes kleuren.”
Er zijn ook makers die er nadrukkelijk voor kiezen hun werk juist niet onder ‘performance’ te scharen, al heeft het er alle kwalificaties van. Choreograaf Jan Martens bijvoorbeeld. In zijn voorstelling The Dog Days Are Over 2.0, de openingsvoorstelling van performancefestival Feeling Curious?, laat hij zijn dansers zo’n extreem moeilijke, uitputtende choreografie uitvoeren, dat ze het er onmogelijk foutloos vanaf brengen. De voorstelling gaat niet alleen over wat dit met de dansers doet, maar ook over wat het kijken naar performers die op deze manier zwoegen, zweten, afzien, falen, met een publiek doet.
„Ik laat me in mijn werk inspireren door principes uit de performancetraditie”, zegt Martens. „Door Marina Abramović bijvoorbeeld, en haar gebruik van elementen als uitputting, herhaling en transformatie door tijd.” Hij begrijpt dan ook dat zijn werk wordt gelabeld als performance. „Maar liever dan dat, zou ik de grenzen oprekken van wat men verstaat onder dans.”
Het opzoeken, oprekken, doorbreken van grenzen – tussen disciplines, tussen publiek en werk, tussen realiteit en constructie – dat is, zo blijkt uit alle verhalen, het métier van de performer – en steeds meer kunstenaars begeven zich op dat grensgebied. Volgens performer Lisa Schamlé is het de weerslag van een bredere maatschappelijke ontwikkeling: „Ik geloof dat men langzaam begint in te zien dat het tijd wordt om het hokjesdenken te verwerpen.” Mime/Performanceprijsjurylid Berith Danse: „Het genre was z’n tijd gewoon altijd al ver vooruit. Lang leve de vage sector!”
Source: NRC