Home

Wie in deze stoel gaat zitten wordt gekieteld in naam van de wetenschap

Neurowetenschap In Nijmegen staat een kietelrobot. Wie erop gaat zitten, doet dat voor de wetenschap. Wat gebeurt er in de hersenen bij iemand die gekieteld wordt? En heeft kietelen nut?

Het apparaat achter in een kelderruimte in het Maria Montessorigebouw van de Radboud Universiteit in Nijmegen doet aan een martelwerktuig denken, een martelstoel. Dat is het niet, natuurlijk. Het is een kietelrobot. En ik mag erin. Drie onderzoekers kijken me vrolijk aan: Konstantina Kilteni, hoofd van het Nijmeegse Touch & Tickle Lab, postdoc Tilman Stephani, die onderzoekt hoe gekieteld worden in de hersenen verwerkt wordt, en postdoc Anne Hoffmann, die onderzoekt waarom mensen zichzelf niet kunnen kietelen. De kietelwetenschap telt vele onbeantwoorde vragen.

Vrijwel iedereen heeft ervaring met gekieteld worden – de spierstuipen die je krijgt, het verstijven, het moeten lachen zonder dat je dat wilt, merken dat dat lachen huilen kan worden als het gekietel te lang aanhoudt. Kietelen zou nog in de Tweede Wereldoorlog gebruikt zijn als martelmethode.

We weten dat kietelen een belangrijk onderdeel is van spel tussen ouders en kinderen, dat gekieteld worden een van de eerste dingen is waar baby’s om lachen, en dat kinderen anders gaan reageren als ze ouder worden. We weten dat onder meer de oksels, voetzolen, buik en zij kietelgevoelige plekken zijn. Maar we weten nog vrijwel niets over hoe kietelen werkt in lichaam en geest of waartoe het dient. Wat mensen zeggen over wat ze voelen als ze gekieteld worden, komt niet altijd overeen met hun gezichtsuitdrukking of lachreactie. Hersenonderzoek is vooral gedaan naar de breinactiviteit tijdens het vooruitzicht van gekieteld worden en tijdens lachen. Een gestandaardiseerde onderzoeksmethode ontbreekt.

Labhoofd Kilteni publiceerde eerder dit jaar een artikel over alle openstaande vragen in het kietelonderzoek in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances. Vragen waar mensen als Socrates, Aristoteles, Bacon, Galilei, Descartes en Darwin zich al vergeefs het hoofd over hebben gebroken.

Waarom, bijvoorbeeld, zijn sommige plekken op het lichaam kietelgevoeliger dan andere? Kietelgevoelige plekken zijn niet per se in het algemeen het gevoeligst: in je vingertop zitten meer zenuwen dan in je oksel. Waarom zijn sommige mensen kietelgevoeliger dan andere? En waarom moet iemand die het vervelend vindt om gekieteld te worden lachen, al is het dan vreugdeloos? Is dat misschien een primitieve vorm van lachen die later bij mensen geëvolueerd is tot allerlei complexe sociale soorten lachen? We weten het niet precies.

Oksel, zij, voetzool, buik of kruis

Een probleem in het bestaande kietelonderzoek, schrijft Kilteni, is dat kietelen en kriebelen vaak door elkaar worden gehaald. Kriebelen is een lichte, oppervlakkige aanraking, waar dan ook op de huid, die een beetje kan irriteren en waar je kippenvel en jeuk van kunt krijgen, maar geen lach-impuls. Kriebelen kan bij jezelf, kietelen (meestal) niet. Iemand die een ander kietelt, oefent een vrij sterke, repetitieve druk uit op een specifiek kietelgevoelige plek, bijvoorbeeld op de oksel, de zij, de voetzool, de buik of in het kruis. Dat leidt bij de gekietelde tot samentrekking van de spieren, wild wegtrekken, lachen of glimlachen en ongemak. Kietelen is dus iets heel anders dan kriebelen, maar goed vergelijkend onderzoek tussen die twee verschijnselen is er niet. „Of het een altijd veel vervelender en intenser voelt dan het ander weten we niet”, zegt Kilteni.

Omdat ik haar kietelartikel zo interessant vond, sta ik nu hier, naast de martelstoel – nee, het apparaat dat mensen onder de voetzolen kan kietelen. Heeft de kietelrobot een naam, vraag ik voordat ik erin plaatsneem.

Dilys Eikelboom zit in de kietelstoel van de Radboud Universiteit.

En inderdaad, hij heeft een naam, hij heet Hector. Kilteni is geboren in Griekenland. Dus toen de technische afdeling haar vroeg de robot een naam te geven (de Radboudse techmensen vinden dat alle onderzoeksapparaten een eigennaam moeten hebben), koos ze er een uit de Griekse mythologie: de kietelstoel is genoemd naar de prins van Troje uit de Ilias van Homerus. „Ik werk ook in Zweden”, zegt Kilteni, „en daar heb ik twee aanraakrobotjes die Achilles en Patroclus heten.” Genoemd naar twee vrienden (misschien zelfs geliefden) die in de Trojaanse oorlog aan de andere kant vochten: nadat Hector Patroclus vermoord had, doodde Achilles Hector. „Uiteindelijk gingen ze allemaal dood”, merkt Hoffmann opgewekt op.

Maar dit is tijd rekken; ik moet die stoel in als ik wil weten hoe kietelonderzoek voelt.

Het is een grijze fauteuil met een wijnrood kussentje erin. Het geheel staat op een plateau op wieltjes. De stoel zit opvallend lekker. Ervoor staat, als een soort voetenbankje, een witte plaat met metalen onderstel, met twee gaten erin die afgedekt kunnen worden tot net iets kleiner dan voetgroot, om het te bekietelen voetzoolgebied te standaardiseren. Daaronder een dikke, omhoog stekende, afgeronde metalen pin. Die gaat tegen mijn voetzool aan bewegen, heen en weer, sneller en langzamer, harder en zachter duwend.

De onderzoekers gebruiken een apparaat om het kietelen te standaardiseren. „Als mensen elkáár kietelen, heb je in onderzoek geen controle over met welke kracht ze dat doen en hoe snel ze bewegen”, zegt Stephani.

„Mensen passen hun kietelen misschien ook aan als ze iemands reactie merken”, voegt Hoffmann toe. „Je moet altijd een evenwicht vinden tussen een zo natuurlijk mogelijke setting en wetenschappelijke precisie.”

„Als we eenmaal weten wat precies een stimulus kietelend maakt”, zegt Kilteni, „en wat de hersenactiviteit is tijdens het kietelen, kunnen we onderzoek gaan doen in natuurlijker situaties. Maar met een robot kun je eerst de snelheid en kracht zoeken waarvan mensen over het algemeen zeggen: dat kietelt. En natuurlijk ook een niet-kietelende controleaanraking.”

Nou, laat het maar gebeuren. De onderzoekers leggen een plastic plaatje over het gat in het voetenbankje. Ze fixeren mijn dijen met kussentjes en stellen plankjes zo af dat ik mijn voeten op hun plek houd, al kan ik ze wel terugtrekken als ik dat wil. Omdat ik geen echte proefpersoon ben, maar alleen wil voelen hoe Hector kietelt, hoef ik niet drie kwartier tot een uur te blijven zitten om door de robot gekieteld en aangeraakt te worden. De onderzoekers slaan ook veel over wat ze in echte experimenten wél met hun proefpersonen doen: meten hoeveel iemand zweet, hoe de beenspieren samentrekken, of ademhaling en hartslag versnellen, hoe de hersenactiviteit verandert. Verder kunnen ze filmen wat er met iemands gezichtsuitdrukking gebeurt, dus welke gezichtsspieren actief zijn, en opnemen wat voor geluiden iemand maakt. „Deelnemers zijn echt flink bekabeld”, zegt Kilteni. „We proberen zoveel mogelijk data te verzamelen.” Die kunnen ze dan allemaal relateren aan het subjectieve gevoel van gekieteld worden.

Ik krijg een koptelefoon met witte ruis op en dan verdwijnen de drie onderzoekers discreet achter een blauw scherm. Een piepje kondigt aan dat ik binnen een paar seconden zal worden aangeraakt; onder mijn voeten hoor ik een mechanisch geluid. Dan voel ik Hectors metalen kietelpin. Hij beweegt langzaam van achter naar midden onder mijn rechtervoet. Het is niet prettig. Maar, zeg ik tegen mezelf: het is ook niet heel vreselijk. Het is gek. Ik wil niet dat het kietelt en heb het gevoel dat ik het niet toesta, maar ik heb geen idee of dat kan. Daarna beweegt een pin snel van voor naar achter bij de hiel onder mijn linkervoet. En daarna in het midden van die voetzool. Dat kietelt, maar ik wil niet lachen en het went best snel. Dat ik mijn voet niet terugtrek, zoals (hoor ik later) gemiddeld twee of drie van de dertig deelnemers aan kietelonderzoek doen, voelt gek genoeg als een prestatie.

De pin van de robot waarmee onder de voeten gekieteld wordt.

Onderzoekers Tilman Stephani en postdoc Anne Hoffmann in de controleruimte.

Of ik nog meer wil, vragen de onderzoekers van achter hun scherm. Nou, liever niet. Deze ervaring bevestigt wat ik al dacht: ik vind het vervelend om gekieteld te worden. Alleen het wóórd kietelen klinkt leuk. De wetenschappelijke term voor kietelen die Kilteni en haar collega’s gebruiken, heeft een klank die beter bij de activiteit past: gargalesis, een woord dat aan Gargamel doet denken, de enge tovenaar uit de Smurfen-verhalen. Kilteni’s Touch & Tickle Lab heet dan ook officieel het Somatosensation and Gargalesis Lab. De wetenschappelijke term voor kriebelen klinkt iets knusser: knismesis.

Er bestaan mensen die het prettig vinden om gekieteld te worden, maar de drie kietelonderzoekers houden er zelf ook niet van, vertellen ze even later als we de ruimte met Hector verlaten hebben en in een van de zitjes in een openbare ruimte hebben plaatsgenomen. „Ik reageer er heftig op”, zegt Hoffmann. „En dat wil iemand die kietelt misschien ook graag.” „Het is interessant wat er gebeurt”, zegt Stephani, „als je dénkt dat iemand het leuk vindt om gekieteld te worden. Misschien kietelen ouders hun kinderen graag omdat die dan lachen, maar vinden die kinderen dat eigenlijk wel leuk?” „Aan de andere kant”, zegt Kilteni, „zijn veel kinderen wel sensatiezoekers.” Het verschil tussen kinderen en volwassenen, dat zouden ze ook nog wel willen onderzoeken. En zo stuitert het vierpersoonsgesprek rond allerlei openstaande kietelvragen.

Waarom is het belangrijk om onderzoek te doen naar kietelen en gekieteld worden? „Wij doen hier fundamenteel, dus niet toegepast onderzoek”, zegt Kilteni. In feite willen de onderzoekers weten hoe mensen ‘van binnen bekabeld’ zijn: hoe kietelstimuli precies worden verwerkt. „Maar onderzoek naar kietelen kan ook klinische implicaties hebben. We weten bijvoorbeeld dat mensen op het autistisch spectrum hypergevoelig lijken voor aanrakingen in het algemeen. En dat mensen met schizofrenie hun eigen aanrakingen als kietelender ervaren, dus dat ze aanrakingen door zichzelf en een ander even intens vinden.” Als je weet hoe kietelen bij mensen zonder psychische aandoening én bij deze mensen werkt, dan weet je dus meer over hoe die aandoening werkt.

Precies voorspellen

Over het algemeen ervaren mensen gekietel door zichzelf niet als kietelen. Veel kietelonderzoekers denken dat de hersenen bij een aanraking door jezelf precies kunnen voorspellen hoe die zal voelen, en dat het brein de reactie daarop dan onderdrukt.

„Bij het bepalen of een aanraking van een ander afkomstig is of van jezelf, is het cerebellum betrokken”, vertelt Hoffmann. De kleine hersenen. Hoffmann zou graag cerebellar ataxia-patiënten onderzoeken: mensen met een bewegingsstoornis die zijn oorsprong heeft in het cerebellum. „De hypothese is dat deze mensen minder goed aanvoelen of een aanraking van henzelf afkomstig is.” Ook zulke vragen zijn met Hector te onderzoeken: „Met een tablet kunnen we mensen controle geven over Hector.” Dan kun je dus jezelf proberen te kietelen via de robot.

Het verschil tussen proberen gekieteld te worden door jezelf en een ander (of een robot) is een extreem voorbeeld van het idee dat dezelfde aanraking soms kan voelen als gekieteld worden, en soms niet, zegt Stephani. „Het gaat dus niet louter om de zintuiglijke input, er is ook topdowninvloed vanuit het brein. Het kan ook van de situatie afhangen of iets voelt als kietelen of niet. Bijvoorbeeld van iemands arousal, mentale alertheid.” „Of van de sociale context”, vult Hoffmann aan. „Of een vriend, een ouder of kind je kietelt.” „In een sociale context kan kietelen sowieso heviger voelen”, denkt Kilteni. „Daarom houden we de sociale interactie met de experimentator minimaal en staan wij achter een scherm.”

Waarom de sociale context ertoe doet, is niet bekend. Het zou helpen als we wisten wat de functie was van kietelen, waarom het überhaupt bestaat. „Maar dat weten we niet”, zegt Kilteni. Er zijn in de loop der eeuwen verschillende mogelijkheden geopperd; ze beschreef er al een aantal in haar artikel. Misschien helpt gekieteld worden om te oefenen met seks, of met vechten, of met de ontsnappingsreflex. Misschien helpt het om sociale relaties te verstevigen of humor te ontwikkelen.

Lachen bij gekieteld worden is trouwens niet uniek menselijk. Chimpansees, bonobo’s, gorilla’s en orang-oetans reageren ook op gekieteld worden, en maken dan ook geluiden die op lachen lijken. En niet alleen primaten doen dat: ook bij ratten is geconstateerd dat ze lijken te ‘lachen’ om kietelige aanrakingen door mensen: ze maken dan een hoog tjirpend geluid.

Dat verschillende diersoorten kietelgevoelig zijn, lijkt te suggereren dat kietelen enig evolutionair nut heeft. „Maar het is altijd heel moeilijk om te onderzoeken waarom iets in de evolutie is ontstaan”, zegt Stephani. „Heeft het geholpen in de strijd om te overleven of maakte het gewoon geen verschil?” Misschien, denkt hij, heeft het een rol bij het leren om jezelf te onderscheiden van de buitenwereld en van anderen. „Bij het leren hoe je je lichaam moet gebruiken, en dat het heel anders is wanneer je jezelf op je voetzool aanraakt of wanneer een ander dat doet.”

Maar waarom speelt dan juist je voetzool daar een rol in? Of je oksel – waarom bepaalde gebieden op je lichaam?

„Tja”, zegt Stephani. „Goede vraag.”

En zo zijn er dus nog heel veel vragen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Source: NRC

Previous

Next