is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
De koopkracht voor het volgende jaar laat zich even moeilijk voorspellen als de uitslag van een Champions League-wedstrijd tussen de Nederlandse en Belgische voetbalkampioenen. Het Centraal Planbureau (CPB), dat dinsdag tegelijkertijd met de miljoenennota zijn macro-economische verkenning (MEV) publiceerde, heeft geen glazen bol waarmee feilloze voorspellingen kunnen worden gedaan. Niettemin slaan politici elkaar om de oren met deze voorspellingen – het CPB spreekt zelf van ramingen – omdat iedereen in de MEV wel iets van zijn of haar gading kan vinden.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het idee van het CPB als allesweter dateert nog uit de tijd dat oprichter Jan Tinbergen daar de scepter zwaaide. Hij was aanhanger van de centraal geleide planeconomie en had een onwrikbaar geloof in de maakbare samenleving. Omdat de rooms-rode coalities in de wederopbouwjaren met ijzeren vuist de economie – geleide loonpolitiek en centraal prijsbeleid voor basisvoorzieningen als brood, melk, suiker en de postzegel – reguleerden, konden tamelijk goede voorspellingen worden gedaan. Nadat Tinbergen in 1969 de Nobelprijs voor economie had gewonnen, kreeg het CPB een bijna mythische status.
Maar de werkwijze verschilt niet zoveel van die van professionele voetbalvoorspellers. Zoals die op grond van blessures, transfers, resultaten uit het verleden en transferwaarde van spelers inschattingen doen, baseert het CPB zich in de ramingen op allerlei economisch data zoals groei, productiviteit, investeringen, rente, koopkrachtontwikkeling, werkloosheid en inflatie. Die worden met wiskundige formules in een model gebracht. Al die factoren beïnvloeden elkaar. Daar rolt een cijfer uit. Maar hoe consciëntieus het werk ook is, het blijft nattevingerwerk.
De wereld wordt nu eenmaal geteisterd door onzekerheden. Zo is bekend dat er Tweede Kamerverkiezingen komen, maar de uitslag is uiterst onzeker, net als het moment dat er weer een echt kabinet zit. Maar daar kunnen nog scenario’s op worden losgelaten.
Van grotere invloed op de cijfers zijn totaal onverwachte gebeurtenissen – een tsunami, een pandemie, een revolutie, een bankencrisis of een handelsoorlog – die alle berekeningen in de war schoppen. De unknown unknowns, de onbekende onbekenden, waarvan geen inschatting mogelijk is. En eigenlijk gebeurt er altijd wel iets onverwachts, zodat de CPB-ramingen nooit uitkomen.
Toen de centraal geleide economie vijftien jaar na de bevrijding stapje voor stapje werd geliberaliseerd, werd het steeds moeilijker om een goede raming te doen. VVD-leider Frits Bolkestein wilde het CPB in de jaren negentig helemaal opheffen.
Er zijn ook mensen geweest die dachten het beter te kunnen dan het CPB. Zo werd in 1995 door de econoom Eduard Bomhoff – nog even minister in Balkenende I – het bureau Nyfer opgericht, dat het CPB wel even een poepje zou laten ruiken. Acht jaar later was Nyfer alweer ter ziele. Tegenwoordig kan Bomhoff voor zijn bespiegelingen alleen nog bij Harry Mens terecht.
Voor het CPB is er geen alternatief. Er moet toch een onafhankelijke instantie zijn die het marketingverhaal van de troonrede kan doorprikken. Vorig jaar concludeerde de Europese Commissie dat de Nederlandse ramingen tot de drie meest accurate in de EU hoorden.
In het voetbal zouden ze voor zo’n goede voorspeller een moord doen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.