Toen de Britse actrice Tilda Swinton (64) werd gevraagd een tentoonstelling over zichzelf te maken, was ze stomverbaasd. Tot ze nadacht over wat ze wou zeggen: dat samenwerken een groot goed is. Aan Tilda Swinton – Ongoing, vanaf eind september in Eye Filmmuseum in Amsterdam, hebben dan ook grote kunstenaars meegewerkt. ‘Ik weet ze goed uit te kiezen.’
is filmredacteur van de Volkskrant.
De onderbeenprothese, keurig voorzien van kous en pantoffel, is een fijn objet trouvé. Het ligt uitgestald in bubbeltjesplastic in het Eye Collectiecentrum in Amsterdam, waar enkele medewerkers van het filmmuseum – handschoentjes aan – bezig zijn met het uitpakken, rubriceren en weer opbergen van de inhoud van zes kisten; benodigdheden voor de aanstaande tentoonstelling Tilda Swinton – Ongoing.
Ooit behoorde het been toe aan generaal-majoor John Swinton of Kimmerghame (1925-2018), die zijn echte been verloor nadat hij door de Duitsers van een geallieerde tank was afgeknald. Nu maakt het deel uit van de verzameling kleding en attributen die zijn dochter Tilda – de curator – afgelopen zomer bij het museum heeft afgeleverd.
Daarbij zitten tientallen in films of bij première-aangelegenheden en Oscaruitreikingen gedragen jurken, van exquise modehuizen. Maar ook de witte blouse en zwarte broek uit de op Tilda Swinton geënte modeshow van het ontwerpersduo Viktor & Rolf, wat oude uniformen van haar vader en grootvader, een trui van haar moeder en een doopjurk van bijna anderhalve eeuw oud.
In een volgestouwd busje, bestuurd door haar assistent, reed Swinton van haar familiehuis in de Schotse Hooglanden naar Newcastle, waar ze de veerboot nam naar IJmuiden. De kleding, en mogelijk ook wat objecten, zullen straks figureren in A Biographical Wardrobe, haar modeperformance met de Franse modehistoricus Olivier Saillard, die eind september meermaals live zal worden opgevoerd in Eye. Het werk wordt ook een vast onderdeel van de tentoonstelling in Amsterdam, middels een video-opname en de inrichting van enkele vitrines. De exacte plek voor de prothese van haar vader in dit alles is nu nog ongewis.
‘Maar het zal z’n plek innemen’, zegt Swinton. ‘Het was een voor de hand liggende keuze toen ik met Olivier thuis door alles heen ging. Zo’n prothese heeft iets exotisch, iets waar anderen misschien een beetje bij huiveren, terwijl het voor mij iets heel alledaags is – dat intrigeert me. Ik vind het ook zo mooi dat die pantoffel er nog om zit, het laatste schoeisel dat hij aantrok.’
Misschien, denkt ze hardop, kan ze thuis óók nog de voetprothese van haar grootvader terugvinden: die kan er dan bij als de tentoonstelling volgend jaar doorreist naar Athene. ‘Mijn grootvader verloor zijn voet in de Eerste Wereldoorlog. Na het overlijden van mijn vader vond ik een brief van hem aan zijn moeder, verstuurd vanuit het veldhospitaal in Duitsland. ‘Nu lijk ik tenminste op papa’, schreef hij, de dag na de amputatie. 19 was mijn vader toen – een ongelofelijke brief.’
Tilda Swinton (64) zit in een vertrek in de nok van het Amsterdamse museum, twee weken voor de opening. Blauwgeruit hemd boven een paarse broek. Vlak voor het gesprek met de Volkskrant wandelt haar dochter Honor Byrne naar buiten; een bekend gezicht voor wie de film The Souvenir (deel één en twee) heeft gezien.
Byrne speelde een fijngevoelige hoofdrol in het autobiografische tweeluik van Joanna Hogg, met wie Tilda Swinton als klein meisje op de kostschool al bevriend raakte. Speciaal voor de tentoonstelling bouwt Hogg nu Swintons studentenflat na, op ware schaal – straks kunnen de bezoekers even teleporteren naar het (ingekapselde) Londen van de jaren tachtig.
De expositie, nu nog in aanbouw, vormt een maaswerk van de langdurige samenwerkingen van de beroemde curator met fotografen, (mode)kunstenaars en filmmakers, onder wie de Amerikaanse indiefilmer Jim Jarmusch, de Italiaanse estheet Luca Guadagnino en het Spaanse filmkopstuk Pedro Almodóvar, die Swinton vroeg voor zijn allereerste Engels gesproken (kort)film The Human Voice.
Ieder van hen vervaardigde nieuw werk óf bewerkte oud materiaal tot iets nieuws voor de expositie. En zal op een zeker moment opdraven in Eye, om met Swinton in gesprek te gaan over de aard van hun samenwerking. Zelfs van Derek Jarman, de experimentele filmer die in 1994 overleed aan de gevolgen van aids en in wiens werk (Caravaggio, The Last of England) de jonge Swinton optrad, werd niet eerder vertoond materiaal opgeduikeld.
Natuurlijk, was het eerste wat ik dacht toen ik hoorde dat u gevraagd was om een tentoonstelling in Eye te cureren. Tilda Swinton, goed idee. Maar u aarzelde nog even?
‘Nou, ik had best willen weten wat jij je dan voorstelde bij die tentoonstelling, want ik was stomverbaasd toen Sandra (den Hamer, toenmalig directeur van Eye, red.) mij vroeg. Het was zo’n vijf jaar geleden, na 35 jaar werk – nu zijn dat er 40. En ik zag door de bomen het bos niet meer. Ik dacht: maar waar hebben we het dan over? Gewoon wat fragmenten van oude films, wat kostuums en oude foto’s? Dat interesseert me niet. Misschien klinkt dit wat overdreven, maar ik vroeg me af waartoe ik diende. Wat zou dan de betekenis zijn van een expositie van mijn werk?
‘Ik heb veel gereisd, ook in mijn rol als cultureel ambassadeur voor Chanel, en als ik dan jonge kunstenaars en artiesten ontmoette, viel me altijd op hoezeer die worstelen met sociale angststoornissen. Of je nou naar Taipei gaat of naar Rome: er is een epidemie gaande van sociale angst, die in het bijzonder jonge kunstenaars raakt. Ik denk dat er te veel druk op ze ligt om naam te maken als solo-artiest. Je móét dat eerste album maken, die eerste modeshow, die eerste film.
‘Veel jonge kunstenaars redden dat niet: ze zijn eigenlijk collectieve artiesten, op hun best als ze samenwerken. Maar dat durven ze niet, want ze moeten zichzelf als een ‘merk’ presenteren. Dus ik dacht: wat als ik nou een expositie maak over het feit dat ik zelf, schaamteloos, al veertig jaar een carrière maak van dat samenwerken? Je hóéft die hoogste berg van het narcisme niet altijd te beklimmen. Sommige mensen floreren daar, maar niet zo heel veel.’
En wie in Eye straks filmbeelden verwacht uit ‘het Marvel-universum of zoiets’ (Swinton speelde mee in verschillende megablockbusters, waaronder Doctor Strange, red.), ‘die zal wellicht teleurgesteld zijn, want de route van deze expositie is zeer persoonlijk. Het gaat over mijn relaties met mensen, die nog steeds voortduren. Ook die met Derek. Dat stopt nooit.’
Sommige van die samenwerkers bezochten haar Schotse geboortegrond. Zo trok de Thaise droomcineast Apichatpong Weerasethakul met zijn Bolex-camera door Swintons woning, voor zijn nieuwe en naar verluidt spookachtige installatie. En maakte fotograaf Tim Walker een fotoserie over Tilda en haar voorouders.
‘Ik ben opgegroeid in een huis waar de muren bedekt waren met schilderijen’, zegt ze. ‘Portretten van mensen uit diverse eeuwen, die ieder exact op mij lijken – met dan wat meer snor. Mijn dochter ziet er iets anders uit: wat donkerder, zoals haar vader (de in 2023 overleden toneelschrijver en schilder John Byrne, red.). Mijn zoon en ik lijken op mijn vader. Bleek, rood haar, mager. En weinig wenkbrauw.’
Geen doorsnee filmuiterlijk.
‘Nee, als tiener in de bioscoop zag ik nooit mensen zoals ik in films. Toen ik begon te werken in de filmwereld zag ik ze ook niet. Ik leek gewoon niet op de vrouwen die in films speelden, welke soort vrouwen dan ook. Dat ik wel in films geraakte, kwam enkel door Derek Jarman, die ook een achtergrond had als schilder. Derek vroeg me als het model van Caravaggio (in Swintons speelfilmdebuut Caravaggio). Op schilderijen, niet alleen die van mijn familie, zijn er juist heel veel mensen die op mij lijken. Kijk maar in het Louvre, of in het Rijksmuseum. Botticelli schilderde de hele tijd mensen zoals ik.’
U stamt uit een oude, aristocratische en militaire Schotse familie. Maakte kunst deel uit van de opvoeding?
‘Mijn ouders waren niet bijzonder geïnteresseerd in kunst. Ik denk dat ze er een beetje bang voor waren: het was onbekend en wild terrein voor ze. Maar hoewel mijn ouders mij het idee gaven dat er geen kunstenaars voorkomen in onze familie, ontdekte ik later dat er toch best wat waren. De grootmoeder van mijn vader was een groot zangeres (mezzosopraan Elsie Swinton) met een salon vol artiesten. En er was ook nog de schilder James Swinton. Dus het bestond wel degelijk, alleen was er bij de generatie van mijn ouders een barrière opgetrokken.’
U houdt er niet van om ‘acteur’ of ‘actrice’ te worden genoemd. Waarom is dat?
‘Ik wil graag accuraat zijn. Als ik hoor of lees hoe acteurs over hun werk spreken, denk ik vaak: goh, wat exotisch. Dat is níét hoe ik werk. Alsof er een wereld is voor acteurs die ik kennelijk nooit binnenga. En voor ze allemaal opstaan en zeggen: o, zij is helemaal geen acteur, wil ik dat zélf zeggen. Uit eerlijkheid: ik claim het ook niet.
‘Ik voel me prettig bij de term ‘performer’. Want dat is wat ik doe, als ik voor de camera sta: optreden. Ik heb bij een rol ook nooit het gevoel dat ik iets of iemand ‘interpreteer’. Meestal is er wel iets autobiografisch gaande, iets wat diep verstopt en begraven is, waar niemand van hoeft te weten.
‘Ik weet het niet, dat is alles wat ik je kan vertellen. Ik denk niet na over hoe ik werk, het is een raadsel voor me. Als ik het met Bong Joon-ho over Okja heb bijvoorbeeld: oké, wat als je een tweeling speelt? Dan praten we erover: die ene zus een beetje zo, de ander juist zo. Heel geleidelijk krijgt zo’n tweeling dan vorm. Maar ik zie ze voor me, ik vóél die tweeling niet. Ik hoor acteurs zo vaak praten over wat ze allemaal voelen. Dat herken ik niet.’
U wordt vaak omschreven als ‘androgyne muze’. Wat vindt u van die labels?
‘Het is prima. Maar laten we ze eens los van elkaar beschouwen. Muze is interessant: al meteen toen ik begon te werken met Derek werd ik als ‘zijn muze’ omschreven. De kans daarop is groot, zodra je als vrouw met een gay en mannelijk kunstenaar werkt. Kennelijk bestaat de aanname dat die kunstenaar daartoe slechts één reden kan hebben, namelijk omdat die vrouw hem een passieve vorm van inspiratie biedt. Dus ik raakte al vroeg gewend aan die omschrijving.
‘Al verbaasde het me ook wel, want ik was nooit passief bij Derek. Hij hield van de conversatie, van het samenwerken en gaf mij juist kracht. Zo deed hij dat bij iedereen om zich heen. Dat sterkte mij ook in de gedachte dat het legitiem was om mijn leven te zien als dat van een mitarbeiter, zoals de Duitsers zeggen. Je werkt sámen aan iets.
‘En androgyn, het is waar, als je uitgaat van een ietwat gereduceerde menukaart. En zeker toen ik opkwam was dat menu heel smal, voor een vrouw. Het waren de jaren tachtig: veel mascara, getoupeerd haar, veel rondingen. Niemand leek op mij. Ik geloof dat ik een beetje uit de mal brak, iets waarmee ik zelf verder nooit een probleem heb gehad. Ik had ook niet echt een keuze, dit is hoe ik eruitzie.’
In het fotoboek dat wordt gepresenteerd bij de tentoonstelling zien we u in een enorme variatie aan gedaanten.
‘Ook veel drag! Je verkleden om jezelf te transformeren, dat maakte altijd een groot deel uit van wat ik doe. De afgelopen jaren ben ik in films ook een andere richting ingeslagen. Meer fijndradig, met Apichatpong Weerasethakul (Memoria), Joanna Hogg (The Eternal Daughter) en Pedro Almodóvar (The Room Next Door). Ik kom steeds dichter bij mijn eigen verschijning, dichter bij mijn uiterlijk. Al kan ik nog steeds genieten van wat ik dan barok noem. Een goede pruik, een malle bril. Ook die kant bevalt me.’
Wat opvalt, is dat het co-creëren zich bij u eigenlijk altijd harmonieus voltrekt. Doen er zich ook wel eens meningsverschillen voor, of zelfs ruzies?
‘Hmm, er is niet veel waarover ik wil opscheppen, maar waarover ik wél kan opscheppen, is dat ik mensen goed weet uit te kiezen. Ik kies mensen die bij mijn temperament en impulsen passen. Mensen die nieuwsgierig zijn, op dezelfde wijze waarop ik dat ben. Het is iets onuitgesprokens, dat we niet vastleggen in met bloed getekende contracten of zo.
‘Ik voel dat ook met Bong Joon-Ho en Wes Anderson, die beiden bezig zijn met het draaien van een nieuwe film. Misschien zullen ze in een later stadium nog bijdragen aan de expositie.
‘Je vraag is goed: zijn er ook weleens ruzies? Het korte antwoord is nee. Maar waarom dan niet? Ik denk omdat geen ruzie het waard is om die harmonie aan op te offeren. Het is ook gewoon fijn om te werken als collectief. Dat iemand zegt: wat als we dit doen? En dan duw jij het iets verder: maar waarom kleuren we niet een beetje blauw aan de rand? Oké, maar dan met wat roze stippen. Nou, misschien niet roze, maar wat denk je van oranje?’
Hoe gaat dat in Hollywood?
‘Ik heb een paar uitstapjes gemaakt naar wat je de industriële kant kunt noemen. En ik heb er nooit een slechte ervaring opgedaan.
‘Wat ik wel weet, is dat mijn manier van werken vrij zeldzaam is. De meeste mensen daar gaan van project naar project, van relatie naar relatie. Ze storten zich ergens in, ze maken vrienden of ze maken geen vrienden, misschien mogen ze elkaar niet eens, maar ze doen het werk, ze doen hun best en gaan weer naar huis. Ik zou zo niet kunnen werken. Of nou, ik zou het misschien wel kunnen, maar ik zou er vermoedelijk niet erg van genieten.’
Tilda Swinton - Ongoing. 28/9 t/m 8/2, Eye Filmmuseum, Amsterdam.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant