Home

Voor wie blijft leren, is er altijd werk te doen

Foto Getty Images

Koopkrachtplaatjes domineren deze weken weer het politieke debat. Zowel in de Miljoenennota als bij de doorrekening van verkiezingsprogramma’s worden cijfers zó gemasseerd dat electoraal gewichtige groepen er op papier op vooruitgaan. Daarnaast stelt de politiek het koopkrachtbeeld hardnekkig negatiever voor dan de cijfers rechtvaardigen: terwijl de doorsnee koopkrachtstijging vorig jaar het hoogste was in twintig jaar, blijft de indruk bestaan dat het besteedbaar inkomen onder druk staat.

Barbara Baarsma is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam en hoofdeconoom bij PwC.

Bovendien is koopkracht niet alles. Voor levenstevredenheid weegt ervaren grip op het eigen leven ruim 7,5 keer zwaarder. Meer dan één op de tien Nederlanders ervaart weinig tot geen regie. De vraag is dus niet hoe we hun inkomen kunnen laten stijgen, maar vooral hoe ze meer grip op hun leven kunnen krijgen. Voor het versterken van grip op het leven bestaat geen kant-en-klare methode. Grip hangt samen met persoonlijkheidskenmerken, die slechts beperkt beïnvloedbaar zijn door beleid.

Toch is er een effectief recept: investeer in werkzekerheid en een leven lang leren. Dat biedt houvast in tijden van technologisering, flexibilisering en internationalisering van werk. Het recept kent een aantal ingrediënten.

Ten eerste het besef dat baanzekerheid een illusie is. Een opleiding aan het begin van je loopbaan volstaat niet meer tot aan je pensioen. Door technologische ontwikkelingen en een stijgende AOW-leeftijd zullen mensen vaker van baan moeten wisselen en langer moeten doorwerken. Een mbo’er die op zijn 21ste begint, werkt ruim vijftig jaar. In gesprekken met mbo-studenten stelde ik voor: vraag je grootouders welke beroepen er vijftig jaar geleden bestonden. Veel zijn verdwenen, zoals telegrambesteller, dienstbode en kolenboer. De opleidingen van hun opa’s en oma’s zouden nauwelijks aansluiten bij de banen van nu, zoals cybersecurity-expert of zorg-op-afstand-specialist. Net zoals onze huidige opleidingen niet voorbereiden op de beroepen van 2075.

Verzekering

Voor werkzekerheid is het ook van belang als werkenden worden aangespoord hun vaardigheden op peil te houden. Tegelijk moeten werkgevers ertoe worden aangezet daar tijd en middelen voor beschikbaar te stellen.

Wat zulke bijscholing betreft, is het belangrijk dat daarvoor een verzekering tegen kennisveroudering komt – verplicht voor alle werkenden. Wie zich immers niet kan aanpassen of omscholen, raakt achterop bij de technologische ontwikkelingen en zou daardoor werkloos kunnen worden. Omdat niet iedereen de middelen heeft om te investeren in scholing, en werkgevers niet standaard in iedereen investeren, is collectieve dekking noodzakelijk. Zo voorkomen we dat bijvoorbeeld ouderen en langdurig werklozen tussen wal en schip vallen.

Zo’n verzekering zou de huidige versnipperde scholingsfaciliteiten vervangen, waar zzp’ers en flexwerkers vaak buiten vallen. We kunnen haar betalen met het geld uit de ruim duizend subsidiepotten en honderd Opleidings-en Ontwikkelingsfondsen, waarvan volgens werkgeversvereniging AWVN slechts 55 procent wordt benut. Bovendien sluiten deze sectorale regelingen onvoldoende aan bij moderne loopbanen.

Een andere noodzakelijke maatregel die activerend werkt: het verkorten van de WW-duur. Die bedraagt nu maximaal twee jaar, maar is voor ruim een kwart van de werknemers via cao’s opgerekt tot 38 maanden. Beter zou een standaardduur van één jaar zijn, met verlenging tot twee jaar bij actieve deelname aan omscholing. Nu de werkloosheid historisch laag is, kan deze wijziging zonder veel transitiepijn worden ingevoerd.

Daarnaast is een belastinghervorming nodig om werken aantrekkelijker te maken. Wie een uitkering verruilt voor werk, moet daar financieel duidelijk op vooruitgaan. Ook moet de kloof tussen bruto- en nettoloon kleiner worden, zodat werkenden meer profiteren van hun inspanning en arbeid minder duur is voor de werkgever.

Verder maakt de doorgeschoten risicoverdeling arbeid te duur. Hoe meer werkgevers opdraaien voor ziekte en arbeidsongeschiktheid, hoe groter de prikkel om uit te wijken naar flexconstructies ten koste van zekerheid voor werkenden. Verminder daarom de stapeling van loondoorbetaling bij ziekte en de zware re-integratieverplichtingen. Zo wordt het vaste contract weer een reële optie.

Daartegenover staat dat werkgevers juist méér verantwoordelijkheid zouden moeten nemen voor de scholing van hun werknemers. Dat geldt ook voor de overheid en de werkende zelf. Elke werkende en werkloze moet een persoonlijke leerrekening krijgen, met daarop een leerbudget en leerrechten. Op de leerrekening kunnen mensen fiscaal aantrekkelijk sparen, en kunnen overheid en werkgevers onbelast bijdragen. Dat leerrecht bestaat nu al, maar is nauwelijks bekend. Iedereen mag tot en met masterniveau een bekostigde opleiding volgen. Wie na mbo-4 gaat werken, behoudt het recht om later een bachelor of master te doen. Ook wie al een master heeft, kan een mbo-opleiding volgen mits in de voorafgaande drie jaar geen mbo-opleiding is gevolgd. Door deze rechten zichtbaar te maken op de loonstrook, wordt gebruik laagdrempeliger.

Het saldo aan budget en rechten op de leerrekening zou maandelijks bijgewerkt moeten worden, net als het vakantiegeld en -dagen. Zo wordt leren een concreet recht. Om werknemers te stimuleren jaarlijks in hun ontwikkeling te investeren, vervalt na enkele jaren het ongebruikt leergeld dat door de overheid of werkgevers is gestort, net zoals bij niet-opgenomen vakantiedagen. En wie structureel geen gebruik maakt van de leerrekening, zou minder dekking via de verzekering tegen kennisveroudering kunnen krijgen of een lagere ontslagvergoeding.

Vaag beleid

Veel partijen onderstrepen in hun programma’s het belang van een leven lang leren, maar slechts drie doen concrete voorstellen (CDA, GL/PvdA en D66). Pas na de CPB-doorrekening van de partijprogramma’s wordt duidelijk welke partijen daadwerkelijk bereid zijn te investeren.

In Den Haag wordt al jaren gesproken over een stimulerende leercultuur, maar het beleid blijft vaag. Kamerbrieven erkennen dat werkenden minder scholing volgen en dat informeel leren afneemt. In 2019 was al sprake van individuele leerrekeningen, maar sindsdien is vooral onderzoek gedaan. Intussen is ‘een leven lang leren’ omgedoopt tot ‘een leven lang ontwikkelen’; een terminologische verschuiving die weinig oplevert. Voor velen klinkt het nog steeds als ‘levenslang’: een straf, geen kans. Terwijl leren juist vrijheid en regie biedt op een veranderende arbeidsmarkt.

Uitgelichte artikelen

Source: NRC

Previous

Next