Joke Bruijs (1952-2025), zangeres en comédienne Joke Bruijs hield ervan om in de wereld van het theater te staan. In alles wat ze deed, als zangeres van jazz-repertoire tot kritisch cabaret, als actrice van theater en film tot televisieseries als ‘Toen was geluk heel gewoon’, streefde ze grote vakmanschap na.
Zangeres en comédienne Joke Bruijs. Foto Frank Ruiter
Zelf dacht zangeres en comédienne Joke Bruijs dat haar lage stem kwam doordat ze opgroeide in een mannenwereld. Zij was de enige en jongste dochter van een gezin met drie jongens boven haar. Haar vader werkte als kraanmachinist in de Rotterdamse haven en was muzikaal; hij maakte voor de Tweede Wereldoorlog deel uit van The Four Dutch Serenaders. Haar moeder zat in de mode en had belangstelling voor kunst en muziek.
Gevoileerd heette de stem van Bruijs ook wel, of hees. In elk geval: perfect voor jazz en tal van Amerikaanse songklassiekers. Afgelopen dinsdag 16 september 2025 overleed Joke Bruijs in Wassenaar, op 73-jarige leeftijd. Al geruime tijd leed ze aan de ziekte van Parkinson en had ze last van geheugenverlies. Haar overlijden kwam drie dagen na de dood van haar grote held en haar ex-man, Gerard Cox (1940-2025). Met hem leefde ze veertien jaar samen waarvan tien jaar getrouwd.
Johanna Maria Bruijs werd in 1952 geboren in de Rotterdamse Tarwewijk en groeide op in Rotterdam-Zuid. Ze volgde verschillende opleidingen, waaronder de huishoudschool, de mulo en de school voor detailhandel. Ze maakte de laatste twee niet af, ze wilde van jongs af aan op het podium staan en zingen. In haar eigen woorden: „Op school was er geen redden meer aan.”
Als dertienjarige werd ze ontdekt tijdens een talentenjacht, gepresenteerd door Jos Brink. Ze won, maar de arbeidsinspectie verhinderde haar verder op te treden, al zong ze wel op schoolavonden en trad ze toe tot de Rotterdamse popgroep The Spitfires. Op haar vijftiende kwam ze in dienst van het Vara-dansorkest, dat hedendaags repertoire speelde en ook jazz, dansliedjes en hits. Elke woensdagmiddag reed ze met haar moeder naar Hilversum voor de opnames. Ook zong ze voor radio-orkesten als The Skymasters en The Ramblers. Zelf had ze een jazzband, Terrific. Eigenlijk deed ze dat het liefste, zingen.
Ze stond op het podium in de cabaretvoorstellingen en shows van Jan Blaaser, Don Quishocking, Mini & Maxi en De Mounties. Ook werkte ze samen met komiek André van Duin. Haar aandeel in het links georiënteerde, intellectueel-kritische cabaret van Don Quishocking wekte veel verbazing, zeker in Amsterdamse kunstkringen. Maar Bruijs had beslist chic en stijl. Van haar moeder had ze geleerd er altijd goed uit te zien. Vileine maar perfecte literaire samenzang was een van de kenmerken van de groep. Taboes werden doorbroken. Bruijs paste daarin wonderwel.
De grootste bekendheid dankt Bruijs aan haar spel met Gerard Cox in de komedieserie Vreemde praktijken, die tussen 1989 en 1993 53 keer werd uitgezonden. Cox speelt hierin een rasechte Rotterdammer die wat sjoemelt met occasions. In het vervolg hierop, Toen was geluk heel gewoon (1994-2009), vertolkte zij de rol van Nel Kooiman, eega van Jaap Kooiman, eveneens gespeeld door Cox. Hun televisiehuwelijk, zoals Bruijs het later benoemde, „duurde langer dan hun echte huwelijk”. Ze waren „onafscheidelijk gescheiden”.
Na haar tweede huwelijk met de Haagse vastgoedmagnaat Boris Bayer trouwde Bruijs in 2004 met arrangeur, pianist en vibrafoonspeler Frits Landesbergen. Met hem nam ze het album Young at Heart (2017) op, geïnspireerd door de songs van onder anderen Frank Sinatra, een van haar idolen. De titelsong wilde Bruijs zelf langzaam en getemperd zingen, maar volgens Landesbergen moest het juist vrolijk en up-tempo zijn. Zo klinkt het ook. Toch is de melancholieke ondertoon terug te horen.
Er was ook tegenslag in het leven van Bruijs, maar ze bleef altijd trouw aan haar motto de schouders eronder te zetten, al heb je geen diploma’s. Toen de zestienjarige Bruijs de middelbare school verliet, zei de directrice tegen haar ouders: „Die komt er wel”, zoals ze vertelde in een lunchinterview in NRC.
Als achttienjarige verzorgde Bruijs haar zieke vader, die aan nierkanker leed. Ze was overdag alleen met hem; haar moeder en de tweede oudste broers werkten, de jongste zat nog op school. ’s Avonds trad ze op. De dood van haar vader maakte haar in één keer volwassen.
In 2007 werd bij haar borstkanker geconstateerd. Niemand liet ze iets merken van de operatie en de daaropvolgende bestralingen; elke avond stond ze in die periode op het toneel in de André van Duin Revue. Ook gaf ze onvermoeid jazzconcerten. Ze hield ervan om als comédienne en vocaliste in die andere wereld, die van het theater, te staan. Behalve in het theater en op de televisie was ze ook in de bioscoop te zien, in films als De zeemeermin (1996), de filmversie van Toen was geluk heel gewoon (2014) en Casa Coco uit 2022.
Stoer noemde ze dit alles zelf niet, wel „overleven”. Ze was nieuwsgierig en wilde altijd zichzelf verbeteren. Van Cox leerde ze tekstanalyse, terwijl zijzelf aanvankelijk als zangeres op klank zong; daar was ze hem erkentelijk voor. Ook van de groep van Don Quishocking leerde ze veel. „Daar kan geen academie tegenop. Ik heb het vak echt op het biljart geleerd”, zei ze hierover. In alle veelzijdigheid die ze tentoonspreidde, van het jazz-repertoire tot kritisch cabaret, van sentimental journey-songs tot een onsterfelijke Nederlandse lied als ‘Toen was geluk heel gewoon’, streefde ze groot vakmanschap na. In haar solovoorstelling Gepeperd (1990) vervlocht ze jeugdherinneringen met liedjes en conferences, waarin het vaak over mannen ging. Want, zo stelde ze, „Ik heb me jarenlang moeten handhaven in een mannenwereld.”
Source: NRC