Home

‘Agree to disagree’ is niet voldoende

Ik zag haar op tv, 10 september in het praatprogramma Pauw en De Wit, en kreeg onmiddellijk heimwee: naar haar en haar stem, serieus en toch bereid te lachen als de lach geen farce was. De beste premier die we nooit hebben gehad – zo iemand is in Nederland meteen een première.

Wat als zij was vermoord, en niet de Amerikaanse radicaal-conservatieve activist Charlie Kirk, van wie ik voor zijn dood nog nooit had gehoord, en die post mortem door de Amerikaanse president onmiddellijk heilig werd verklaard?

Ik wist pas na die dodelijke schietpartij wat de denkbeelden waren van Kirk, die hij zo enthousiast had uitgevent, een hele reeks standpunten tegen abortus, tegen Martin Luther King, „an awful person”, tegen lhb-plus en tegen transgenders in het bijzonder, vóór een vrij, onbeschroomd wapenbezit. Niet bepaald mijn gedroomde politieke programma, integendeel. Maar de shock en de woede die daarop volgden, waren er niet alleen bij Kirks aanhang. De Democratische kopstukken spraken onmiddellijk hun afschuw uit en de oudste zoon van Martin Luther King, die uiteraard ook bekend was met de belastende woorden van Kirk over zijn vader, vermande zich en zei: „We must learn non-violence, or we may face non-existence” (de noodzaak dus om geweldloosheid te leren, of anders de kans te lopen compleet te verdwijnen.)

Politiek geweld zoals dat hoogstwaarschijnlijk tegen Kirk werd gebruikt, wist het slachtoffer uit op twee manieren: het lichaam wordt uit de roulatie genomen, om het cru te zeggen, en de precieze ideeën van de vermoorde doen er even minder toe. Aanvankelijk is de enige acceptabele reactie na zo’n aanslag: afschuw. Pas later kan het weer over de politieke standpunten gaan, zoals Charlie Kirk zelf bewees door zo ongenadig over Martin Luther King te oordelen.

Was niet Kirk maar Kaag vermoord, dan was ik dubbel geraakt: ik ken Kaag als politica, en ik sympathiseerde met haar programma: niet eens zozeer met dat van D66 als wel met haar opvattingen als (voormalig) partijleider. Zij was meer dan die partij, vond ik, zij steeg daarbovenuit. Tegelijkertijd bestond er een actieve ‘Kaaghaat’ tijdens haar carrière in de Nederlandse politiek. Zij werd bedreigd, moest beveiligd worden, en al die zaken die ik in haar bewonderde, waren voor even zoveel mensen reden een hartgrondige hekel aan haar te hebben, op het obsessieve af.

Het blijft een enigma: hoe dezelfde persoon, die door jou als voorbeeldig wordt gezien, bij anderen zoveel woede en verachting oproept. En omgekeerd: bij leven zag ik weinig in Pim Fortuyn, maar na zijn dood moest ik me verstaan met het onnoemelijke verlies van zijn volgelingen, die ik hooguit in hun verdriet kon volgen.

Hun wraakfantasieën hoefde ik niet te onderschrijven: ‘de kogel kwam van links’, dat hele arsenaal aan politieke beschuldigingen, waarbij eenduidig een zondebok moest worden aangewezen, en geëlimineerd.

Hetzelfde gebeurt nu in verhevigde mate in de Verenigde Staten, met die overzichtelijke cultuur van een tweepartijenstelsel, met een polemiserende president, en een groot democratisch blok dat in zijn geheel als vijand kan worden aangewezen. Als collectieve dader.

Het kost mij zoveel moeite te beseffen dat mijn enthousiasme voor Kaag niet wezenlijk anders in elkaar steekt dan de voorliefde van de Charlie Kirk-aanhang voor hem.

De toverformule ‘agree to disagree’ is niet voldoende. Er moet een beweging komen tegen het eigen hart in en tegen de eigen hartstochten: want dat maakt het onsentimentele verschil tussen een functionerende democratie en een burgeroorlog.

Source: NRC

Previous

Next