Gerard Cox (1940-2025) Acteur, zanger, cabaretier Gerard Cox is nu nog vooral bekend van de grote hit ‘’t Is weer voorbij die mooie zomer’ en de tv-serie ‘Toen was geluk heel gewoon’, maar de Rotterdammer maakte in de jaren zestig ook satirisch cabaret waarmee hij welbewust grenzen opzocht.
Foto Vincent Mentzel
Het blijft misschien wel een van de mooiste regels uit de Nederlandse taal, ‘Toen was geluk heel gewoon’. Acteur, zanger en cabaretier Gerard Cox gaf er als Nederlandstalig lied met de gelijknamige titel, later gevolgd door een televisieserie, grote bekendheid aan.
Dat was in 1972. In 1973 scoorde hij een hit met ‘’t Is weer voorbij die mooie zomer’. Dat hij in 2015 bekroond werd met de Radio 5 Nostalgia Oeuvreprijs is dan ook niet verwonderlijk.
Gerard Cox stierf zaterdagochtend op 85-jarige leeftijd in zijn woonplaats Mijnsheerenland in de Hoeksche Waard, nadat in augustus bekend werd dat hij uitgezaaide slokdarmkanker had. Hij besloot zich niet te laten behandelen.
Cox was en bleef altijd een rasechte Rotterdammer, geboren op 6 maart 1940. Hij groeide op Zuid op en werkte enige tijd als onderwijzer. In de jaren zestig begon hij Nederlandstalige luisterliedjes te schrijven en te zingen, meldde zich aan bij de toneelschool maar werd afgewezen. Toch speelde hij een bescheiden rol in het toneelstuk Blijde verwachting bij het gezelschap van Lily Bouwmeester.
In die tijd trad Cox ook op als cabaretier en sloot zich in de jaren zestig aan bij de satirische cabaretgroep Lurelei (1958-1968) rondom Eric Herfst, Jasperina de Jong, Marjan Berk en Rogier van Otterloo. De satire en vooral het opzoeken van grenzen is altijd een kenmerk van Cox’ werk geweest. Zo kreeg hij op 28 oktober 1966 een proces-verbaal wegens ‘opzettelijke belediging de Koning of Koningin aangedaan’ in het liedje ‘Arme ouwe’ over koningin Juliana – ‘Juliaan’ – met als refrein: ‘Arme ouwe, blijf maar zitten op je troon/ Ach, wat zouen we jou daar nou af gaan douwen/ Blijf maar zitten, net als vroeger, doodgewoon/ Arme ouwe, arme ouwe.’ Controversieel was ook het cabareteske luisterlied ‘God is niet dood’ uit 1967, reden voor de VPRO om een uitzending van Geef ’m de ruimte af te gelasten. Weliswaar bekritiseert Cox de godsdienst, maar als je goed luistert spreekt er ook iets van godsbegrip uit: ‘God is niet dood,/ Hij leeft in hutten en paleizen/ Waar iedereen met Hem verkeert op andere wijze/ Dominee Buskes door een beetje op te zwellen/ En de Margriet door een enquête in te stellen.’ Ook Gerard Kornelis Reve en het Ezelproces passeren de revue.
Foto KIPPA
Foto Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/ANP/André van den Heuvel
Cox was iemand die geen blad voor de mond nam en het zich steeds moeilijker maakte. Veel spijt had hij van ‘Ajax is dood...!’ naar aanleiding van de Feyenoord-overwinning in de Europacup van 1970. Hij noemde het een ‘jeugdzonde’ en zijn optredens in Amsterdam werden bemoeilijkt. In datzelfde jaar volgde een nieuwe controverse, nu wegens belediging van het bevriende Amerikaanse staatshoofd Richard Nixon, door Cox „moordenaar” genoemd. Eind jaren zestig kreeg Cox steeds meer bekendheid, onder meer door de televisiefilm Luister naar dit leven, waarin hij met onder anderen Martine Bijl en Boudewijn de Groot als zanger optrad. Zijn radiosketch Polleke over een gedrogeerde Vlaamse wielrenner is een klassieker.
Vanaf 1973 persifleerde hij samen met Frans Halsema in Wat je zegt ben je zelf bekende radio- en tv-programma’s van die tijd, waaronder Voor een briefkaart op de eerste rang en Raden maar. Eind jaren zeventig maakte Cox indruk als hoofdrolspeler in de film Het debuut (1977) van Nouchka van Brakel; vervolgens speelde hij in films als Lieve jongens naar het gelijknamige boek van Gerard Reve en De vriendschap over twee jeugdvrienden, gespeeld door Cox en Willem Nijholt.
Foto Ton Schutz
Door zijn betrokkenheid bij Lurelei stond Cox aanvankelijk als links cabaretier te boek, maar gaandeweg zijn carrière, vooral met zijn solo De Grote Grijze Belofte (2019), ontpopte hij zich als een misschien wat boze, witte man die de wereld niet meer begrijpt. Hij gaf toe altijd „dingen te zeggen die in de discussiesfeer liggen” of die „gevoelig” zijn. Zo maakte hij zich boos om de „ergerniswekkende Mokumse arrogantie” en bezag hij met lede ogen hoe zijn geboortestad Rotterdam steeds minder Rotterdams werd, of in zijn eigen woorden „andere gewoonten, andere godsdiensten”. Dus trok hij weg uit de stad naar de Hoeksche Waard, al in 1975.
Cox heeft de serie Toen was geluk heel gewoon, waar een miljoen mensen naar keken, altijd in bescherming moeten nemen, „want de grachtengordel waardeerde het niet”.
Foto Vincent Mentzel
Wat moet je deze week kijken? Tips voor boeiende programma's series en films
Source: NRC