Een nieuw boek, een verhuizing: na het schrijven van De bandagist pakte Marente de Moor haar spullen in om naar een andere plek te trekken, zoals ze altijd doet. Haar hoofdpersonage is ook een doler, totdat hij stilstaat – wat zijn ondergang wordt.
Telkens als ze een boek af heeft, pakt Marente de Moor (1972) haar spullen in en verhuist ze. Als ik haar spreek, is ze net verhuisd naar Maastricht. Dit voorjaar verscheen haar nieuwste roman De bandagist, die nu op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs staat. De Moor woonde eerder, in de jaren negentig, in St.-Petersburg, waar ze onder meer als verslaggever werkte voor de Russische televisie. Ze schreef zes romans, met De Nederlandse maagd won ze in 2011 de AKO Literatuurprijs, en de Volkskrant bekroonde Foon tot een van de beste boeken van 2018.
In De bandagist spelen uitdijende inboedels een belangrijke rol. Het boek gaat over Joost, bijna 30, die drukverbanden aanlegt bij babyboomers in de grachtengordel. Waar die generatie leeft tussen uitpuilende boekenkasten, dwaalt Joost van het ene naar het andere tijdelijke woonadres. Dan verzint hij een list en vindt een onderkomen tussen de boeken. Maar juist de literatuur wordt zijn ondergang: hij raakt er onder bedolven.
Hoe kwam u op het idee voor De bandagist?
‘Mijn man was bandagist in Amsterdam. Zelf was ik net terug terug verhuisd naar Amsterdam, in 2019. Daar viel me op dat het veel drukker was geworden sinds de laatste keer dat ik er woonde. Mensen bewogen zich haastig door de hectiek van de stad. Die wereld op straat contrasteerde met het werk van mijn man: hij kwam bij mensen over de vloer die al jaren niet meer buiten waren geweest. ’s Avonds kwam hij thuis met fascinerende verhalen. Patiënten die tot stilstand waren gekomen in tijd en ruimte. Ze woonden groot en toch werd hun bewegingsruimte steeds kleiner, omdat ze slecht ter been waren, maar ook door de vele spullen die ze om zich heen hadden verzameld. Sommigen dementeerden en bewogen zich mentaal ook nog eens door een droomwereld.
‘Hierdoor ging ik beter op de huizen letten waar deze levens zich konden voltrekken. Amsterdam is een opgepoetste stad, weinig is aan het toeval overgelaten. Langzaam begon ik de ramen te herkennen, en dan dacht ik: hier hebben we er eentje. Iemand die niet meer naar buiten komt.’
Waar zag u dat aan?
‘Bijvoorbeeld door de verzameling spulletjes in de vensterbank, of vijf verdiepingen met exact dezelfde vitrage. Dan weet je: die bovenste verdiepingen zijn waarschijnlijk al jaren niet meer bezocht. Babyboomers die al jaren niet meer buiten komen, opgesloten tussen hun spullen. Dat contrast met de jachtigheid op straat intrigeerde me.
‘In Het leven een gebruiksaanwijzing beschrijft Georges Perec de levens van mensen aan de hand van de minutieus beschreven interieurs van een groot Parijs’ pand. Het benadrukt de futiliteit van al die zooi. Mensen hebben hun spullen uitgekozen en bewaard, zoals ze ook besluiten wat ze zich willen herinneren en wat niet, om orde in de chaos te scheppen. Vergeefs, want uiteindelijk wordt alles weggegooid. Alles verdwijnt, wordt vergeten. In mijn boek gaat Joost, de bandagist, langs, en ziet al die troep en al die boeken die niemand nog zal lezen – waar gaat al die kennis heen?’
Bij het lezen van De bandagist vielen mij de rondslingerende dozen Celebrations op. Hoe zit dat?
‘Dat vroeg mijn man zich ook af! Dat is uit het leven gegrepen, veel patiënten hebben Celebrations in huis. Volgens mij krijg je ze als troostprijs bij de Postcodeloterij – dat snoepgoed is het enige dat hun postcode, hun huis, dat hun lot bepaalt, heeft opgeleverd. Terwijl ze hoopten op een ander leven, anders speelden ze niet mee. Het verzamelen heeft iets treurigs: alsof spullen je kunnen helpen om uit het leven te breken.’
Daartegenover staat Joost, de hoofdpersoon van 29, die geen onderdak heeft. Tegenover de generatie die boeken en spullen verzamelt, zet je een generatie die bezig is met zijn telefoon.
‘Ik wilde het contrast tussen de binnenwereld en de buitenwereld schetsen. De buitenwereld op straat is het terrein van de jongeren, de restaurants, de terrassen. Tegelijkertijd kijken ze de hele dag naar hun telefoon. Gen Z en de millennials zijn manisch bezig met de eigen beeldvorming: het retoucheren, verfraaien, mythologiseren van hun beeld. Op vakantie maken ze foto’s van attracties, en staan keurig in de rij voor een foto zonder andere toeristen erop. Die neiging tot bewaren en vastleggen is dus niet voorbehouden aan de babyboomers.
‘De binnenwereld is het terrein van de babyboomers: de meestbelezen generatie ooit. We zullen nooit meer zo’n generatie kennen die zoveel heeft gelezen. En nu, door de cognitieve achteruitgang, verlaat de inhoud van die boekenkasten langzaam de hoofden. Treurig hè?
‘Mijn bandagist hoort eigenlijk thuis in die jachtige buitenwereld. Maar die biedt hem geen onderdak. Halverwege verhuist hij naar de wereld van de boeken, in de hoop op meer ruimte. Maar het betekent zijn ondergang. Hij heeft geen contact meer met zijn eigen generatie, is niet meer online. En het ergste is: hij wordt een personage in dit boek, een van de vele boeken die niet meer worden gelezen. Daarom heb ik de niet-lezer ook het laatste woord gegeven, in de epiloog. Joost raakt bedolven onder de literatuur. Dat is bedwelmend en onprettig. In mijn roman is de literatuur een kwaadwillende kracht. De bandagist wordt de literatuur ingeschreven, een bitter lot.’
Bent u zelf eigenlijk bang om een personage te worden?
‘Ja, daarom houd ik niet van interviews: jij gaat van mij ook een personage maken. Ik ben ook weleens een romanpersonage geworden, vlak voordat ik zelf debuteerde.’
Hoe is dat gegaan?
‘Nou, ik was nog jong en ik wees een man af, want ik wenste niet met hem het bed te delen. Hij nam wraak door me met naam en toenaam in zijn roman te schrijven. Er werd nogal korte metten met me gemaakt. In dat boek was ik een hoer en werd ik vermoord met een kogel in mijn achterhoofd. Daarna werd mijn lijk in een zinken kist naar mijn moeder gestuurd, die uiteraard ook met naam en toenaam in dat boek stond. Gelukkig verscheen het boek in eigen beheer in een ver land. Het werd geen bestseller, maar het greep me wel verschrikkelijk aan.
‘Ik weet dus hoe het voelt als er een karaktermoord op je wordt gepleegd. Je hebt weinig invloed op de indruk die je achterlaat, hoeveel woorden je er ook aan besteedt. In bijna al mijn romans is dat een thema: alle hoofdpersonages worstelen met het beeld dat er van hen bestaat.’
Tegelijkertijd wordt de rol van beeldvorming in onze samenleving steeds groter.
‘Het griezelige is dat door sociale media de ambiguïteit uit het leven verdwijnt. Een roman kan daarentegen met zichzelf in tegenspraak zijn. Nu leven we in een tijd van slagzinnen. Het is niet de eerste keer dat slagzinnen de norm zijn, maar voorheen werden die gedicteerd van bovenaf, zoals in de Sovjet-Unie. Nu komen de slogans van onderaf. Media als TikTok hebben een categorische invloed op het denken en zo is er een nogal activistisch georiënteerde, onbuigzame generatie opgestaan – ik generaliseer. Ik begrijp wel dat er mensen zijn die niet meer willen meedoen aan een maatschappelijk debat. Mensen hebben vaak al een oordeel gevormd voor je een woord hebt kunnen formuleren.’
Hoe schrijft u zelf?
‘Ik zorg er in ieder geval voor dat alles is afgesloten, want ik laat me snel van de wijs brengen. Gelukkig zit ik niet op sociale media. Tijdens het schrijven moet ik in de waan verkeren dat niemand kan zien wat ik doe. Ik wil loskomen van mezelf en dat oeuvre. Ik wil elk boek schrijven alsof het mijn debuut is. En vooral een leuke wereld creëren, die ik zelf wil beleven. Daarom maak ik hem. Ik wil iets oproepen wat er nog niet was. Er is niets heroïsch aan schrijven: je bent aan het ontleden. Hoe meer je ontleedt, hoe eenzamer je wordt.
‘Na ieder boek dat ik heb geschreven verhuis ik. Ik pak alles in, verhuis, pak alles uit. Bezig zijn met praktische, concrete handelingen van een leven dat ik heb verwaarloosd tijdens het schrijven. Ik gooi altijd alles weg, dus die hoarders uit De bandagist fascineerden me.’
Wie is uw favoriete Europese schrijver?
‘Ik ben groot fan van de Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942). Zoals hij schreef, zo schrijft niemand meer. Het is niet meer van deze wereld. Om dat voor elkaar te krijgen, moet je je ego uitschakelen en echt om je heen willen kijken. Als ik niet zo’n slecht geheugen had gehad, had ik zijn werk uit mijn hoofd geleerd, om altijd een Schulz-bril op te kunnen zetten tegen de platgeslagen wereld.
‘Ik wil hem graag noemen omdat ik denk dat dit de bedoeling is van literatuur: iets tot stand brengen wat er nog niet was. Uiteindelijk lees ik het liefst schrijvers die associatief te werk gaan.’
U heeft lang in Rusland gewoond, hoe heeft dat land uw werk beïnvloed?
‘De Russische literatuur heeft me gevormd, met name die uit de zilveren periode (1890-1920). Toen ik naar Rusland verhuisde, zat iedereen in het Westen te wachten op de Grote Realistische Russische Roman, de afrekening met de Sovjet-Unie. Maar actualiteit moet rijpen om tot kunst te leiden. Vrienden van mij vluchtten in het fantasmagorische, die lazen Viktor Pelevin of Carlos Castaneda. Ik las Michail Boelgakov, Daniil Charms, Sergej Dovlatov, literatuur die onder de censuur tot stand moest komen, die niet in staat was om de verbijstering onder de dictatuur te beschrijven, zoals schrijvers in Oost-Europa, zoals Kundera of Conrad dat wel konden. Het was de verbijstering zelve.
‘Rusland heeft natuurlijk veel langer onder een dictatuur moeten leven. Ik voelde me wel thuis in dat absurdisme. Mijn eigen leven was nogal onvast verlopen en het Rusland waar ik in terechtkwam was een totale chaos. In die chaos kon geen realistische roman ontstaan en dat is volgens mij nog steeds een probleem voor Russen. Misschien zijn ze het wel verleerd... Nou ja, er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Vasili Grossman.
‘Toen ik terugkwam in Nederland, ben ik de Midden- en Oost-Europese literatuur gaan lezen, Imre Kertész, György Konrád, Ismail Kadare, Sándor Márai. Die beschreven de trauma’s van de 20ste eeuw, het herinneren en verdringen daarvan.
‘Ken je Het fiasco van Kertész? Dat gaat over de mislukking van zijn vorige roman, wat zijn grote roman moest worden over zijn tijd in Auschwitz, Onbepaald door het lot. Die roman werd helemaal genegeerd. Zijn hele wezen zat in dat boek en dat ging uit als een nachtkaars. Daar heeft hij Het fiasco over geschreven, over een schrijver die een meesterwerk schrijft dat verkeerd wordt begrepen. Verkeerd begrepen worden is een groot thema in Midden- en Oost-Europa.’
Is literatuur in Europa nog een belangrijke vorm van cultuur?
‘Is dat het ooit geweest? In de 19de eeuw van Flaubert en Hugo konden de meeste mensen niet lezen of schrijven. Europa is een continent van misverstanden. Vooropgesteld: ik denk niet dat er één Europese cultuur is. Het idee van één Europa, waar politici over spreken, is voor literatuur irrelevant. Alleen al door de taalgrens. Neem de Hongaarse schrijvers: die schrijven in een taal die niemand begrijpt. En dat land wordt ook niet begrepen, en is ook in de steek gelaten door het Westen en de VN in 1956. Hun naoorlogse literatuur is doordesemd van dat verraad.
‘Het is veel meer ieder voor zich: we zitten gevangen binnen lands- en taalgrenzen. Dat oude schisma tussen Oost- en West-Europa is nog altijd voelbaar. Zie de Russen: zij zullen nooit begrijpen waarom Europa, dat alle culturen van de wereld verwelkomt, geen begrip heeft voor wat hun is overkomen na de val van de Sovjet-Unie.’
Waarin verschilt de Europese cultuur van die van Amerika?
‘De Amerikaanse literatuur gaat niet over herinneren, die gaat meer over keuzen maken, over de vooruitgang. Dat heeft de West-Europese literatuur enorm beïnvloed. We verlangen naar een positieve held en een duidelijke vijand. Literatuur die opvoedt. De cultuur is omgeslagen, van het vertrouwen in de toekomst uit de jaren negentig naar een collectief schuldbewustzijn over het verleden.
‘De jaren negentig waren een nieuwsgierige tijd, geen opvoedende. Ik herinner me dat er destijds een onzichtbaar verband was tussen de scene van St.-Petersburg en die van Amsterdam, bijvoorbeeld. Wederzijdse inspiratie in plaats van een dictaat. De illusie die internet geeft, is dat je al het vreemde kunt doorgronden zonder van je plaats te komen. Dat uit zich in een zekere wantrouwige levenshouding. Empathie wordt gereserveerd voor een abstract collectief en minder voor de directe omgeving. Omdat veel verkeerd kan worden uitgelegd, moet er snel kleur worden bekend. Ieder kunstwerk, speech of essay moet worden voorafgegaan door een gelofte van deugdzaamheid. Dat leidt tot morele kitsch.’
Kan Europa zich losmaken van de Amerikaanse cultuur?
‘Misschien moet elk land daar voor zichzelf uit zien te komen. Zelf vind ik troost bij schrijvers die op een associatieve, zintuigelijke manier een eigen wereld scheppen. Péter Nádas, Bruno Schulz, John Burnside... en ik vergeet er natuurlijk nog een paar, want ik heb een verschrikkelijk slecht geheugen. Ja, ik denk dat activisten een veel te groot podium krijgen in de kunst, ten koste van mensen die wérkelijk iets moois, iets goeds tot stand brengen. Dat amechtige gekrakeel... Ik wil geen kleur bekennen, of ergens bij horen. Mag ik de vrouw zonder eigenschappen zijn?’
1972 Geboren in Den Haag.
1991 Verhuist naar St.-Petersburg.
2001 Terugkeer naar Nederland.
2007 Debuteert met De overtreder.
2010 De Nederlandse maagd.
2018 Foon.
2023 De schoft.
2025 De bandagist (staat op de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs).
Marente de Moor woont in Maastricht.
Marente de Moor: De bandagist. Prometheus; 304 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant