Wie met links over de horden springt, legt minder meters af. En met de fosburyflop spring je hoger. Maar niet alle slimmigheidjes die tot betere resultaten (kunnen) leiden zijn toegestaan. Deze vier technieken zult u op de WK atletiek in Tokio níét zien.
is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.
Atleten zijn altijd op zoek naar slimmigheidjes, naar manieren om verder te komen, hoger te springen of sneller te gaan. Neem Femke Bol: zij neemt dit seizoen de eerste horde met links in plaats van rechts, en zit daarom anders in haar startblok dan voorheen. Ze varieert daarnaast met het aantal passen dat ze tussen de horden zet, zodat ze de hordes in de laatste bocht, als ze op topsnelheid ligt, met haar linkerbeen neemt.
In dat laatste element schuilt een belangrijk voordeel. Bol kan op die manier dicht tegen de binnenkant van de baan lopen zonder het gevaar te lopen dat ze haar andere voet langs de horde haalt, iets wat volgens de regels niet mag. Beide voeten moeten er echt overheen. Wie eerst met rechts over de horde vliegt moet, om marge te houden voor het linkerbeen, wat verder naar buiten lopen en loopt dan dus ook een iets langere afstand.
Nog veel inventiever is de legendarische en revolutionaire achterwaartse sprong die door de Amerikaanse atleet Dick Fosbury populair werd gemaakt. Er is geen hoogspringer meer die er nu nog over denkt om aan een wedstrijd deel te nemen met een voorwaartse rolsprong, of een schaarbeweging. De ‘fosburyflop’ is de standaard.
Maar er zijn ook technieken die door de internationale atletiekbond World Athletics zijn verboden. Veel van de beperkende regels betreffen het materiaal. Een kleine, willekeurige greep: werpers moeten zich aan de vaste gewichten van kogel, discus en speer houden, en bij de looponderdelen zijn aerodynamische of mechanische hulpmiddelen niet toegestaan. En wie bij het hoogspringen plateauzolen draagt, voor een paar centimeter extra verticaliteit, kan ook rekenen op een diskwalificatie.
Tussen die beperkingen door blijven atleten zoeken naar bewegingsruimte. En soms wordt die ruimte, als die eenmaal is gevonden, met nieuwe regels dichtgetimmerd. Bij de WK in Tokio van deze week zullen toeschouwers in elk geval de volgende vier technieken niet zien, hoewel ze zomaar zouden kunnen leiden tot betere resultaten.
Op de eerste competitieochtend van het WK in Tokio hebben de Nederlandse atleten zich van drie finaleplaatsen verzekerd.
Het overtuigendst was Jorinde van Klinken die bij het discuswerpen slechts een worp nodig had om de grens van 64 meter te overschrijden en daarmee direct zeker was van een finaleplaats. Ze kwam tot 66,39 meter, de tweede afstand van de ochtend achter Sandra Elkasevic (66,72m).
In de finale krijgt Van Klinken gezelschap van Alida van Daalen, die met 62,65 meter de laatste van de 12 tickets voor de finale greep. De strijd om de medailles vindt zondag plaats: in Nederland in de middag, in Tokio in de avond.
Aan het eind van de Japanse ochtend plaatste ook de Nederlandse gemengde estafetteploeg op de 4x400 meter zich voor de eindstrijd. Slotloopster Eveline Saalberg rondde voor Nederland de wedstrijd af in 3.11,11 nadat Eugene Omalla, Lieke Klaver en Jonas Phijffers al in actie waren gekomen.
Saalberg kwam als derde over de streep, maar de ploeg schoof na diskwalificatie van Kenia op naar de tweede plaats. Dat was ruim voldoende voor een plekje in de finale, maar nog niet op het niveau dat de ploeg vorig jaar bij het behalen van olympisch goud in Parijs liet zien en 3.07,43 klokte. In de voorronde in Tokio was Femke Bol nog niet ingezet. Met haar erbij zal het in de finale een stuk vlotter moeten kunnen gaan.
Op de plek waar over drie jaar de Olympische Spelen worden gehouden, het Memorial Coliseum in Los Angeles, vloog in mei 1974 de Nieuw-Zeelandse verspringer Tuariki Delamere op een wel heel bijzondere wijze door de lucht. Na zijn afzet wierp hij niet zijn benen naar voren, maar rolde hij zijn lichaam op. Na een spectaculaire salto landde Delamere in de zandbak.
Een record? Nee, dat niet. Zijn afzet was ongeldig. Zijn tweede poging was wel goed, maar bij de landing, met zijn hielen ergens rond de 8,40 meter in het zand gedrukt, viel hij achterover. Zijn handafdruk werd gemeten: 7,70 meter noteerde de scheidsrechter. Genoeg om de winst die dag te delen met regerend olympisch kampioen Randy Williams.
Het idee van een saltosprong was niet helemaal nieuw. Ook meerkamper Caitlyn Jenner, toen nog Bruce, had er begin jaren zeventig al mee geëxperimenteerd.
De theorie is helder. De voorwaartse beweging vanuit de aanloop wordt bij een saltosprong optimaal benut door voorover te rollen in de lucht. Aerodynamischer is het ook: het lijf is veel compacter en de benen worden niet, zoals nu, al knipmessend door de luchtstroom naar voren geworpen. Eigenlijk is er geen twijfel over dat verspringers met de saltotechniek verder kunnen komen.
Een nadeel is er ook. Het is eng. ‘Ik hou er niet van om de sprong in training te doen. Ik ben bang’, zei Delamere in 1975 tegen The New York Times. ‘Maar tijdens wedstrijden zorgt de adrenaline ervoor dat ik daar niet aan denk.’
Hij kreeg de tijd niet om aan de sprong te wennen. Bij ingang van het outdoorseizoen van 1975 werd de ‘Delamere Flip’ verboden. Te gevaarlijk, oordeelde de mondiale atletiekbond.
‘Als de salto niet was verboden door die ouderwetse sukkels die de atletiekbond runden, zou het wereldrecord nu ver voorbij de 9 meter zijn’, zei Delamere in 2021 tegen de Nieuw-Zeelandse website The Spinoff. Nu staat dat record al sinds 1991 op 8,95 meter.
Zie het als een combinatie van discuswerpen en speerwerpen. Dat is waar de Bask Félix Erausquin de atletiekwereld in oktober 1956 mee verraste bij een wedstrijd in Barcelona. De destijds 49-jarige speerwerper, volgens de verhalen al een tijdje over the hill, had ingezien dat de speer, net als de discus en de kogel, veel meer vaart kan krijgen vanuit een draaibeweging. Dan helpt niet alleen spierkracht, maar ook de natuurkunde een handje mee.
Na een korte aanloop, met de speer onderhands langs de arm en het lichaam gehouden, maakte hij een pirouette en wierp het projectiel het veld in. Om de speer soepeler uit zijn hand te laten glijden, wreef hij hem bovendien in met zeepsop. Hij haalde er een paar weken later in Bilbao 83,40 meter mee, net onder het toen geldende wereldrecord van 83,56 meter.
Erausquins aanpak vond snelle opvolging: de Fin Pentti Saarikoski noteerde een worp van 99,52 meter. Erkend werd die afstand niet en de wereldatletiekbond legde snel een verbod op, uit angst dat de speer bij deze nogal ongecontroleerde wijze van werpen zomaar het publiek in zou vliegen.
Sindsdien zijn de regels over de toegestane techniek bij het speerwerpen heel strikt. ‘Vrije stijl’ mag niet meer, alleen ‘orthodoxe’ werpmethoden zijn toegestaan. Daarbij is de belangrijkste eis: de punt van de speer moet altijd naar voren zijn gericht.
Zelfs zonder draai haalden speerwerpers in de decennia na Erausquin extreme afstanden. Uwe Hohn, atleet uit de DDR, haalde in 1984 104,80 meter. Om nog extremere afstanden te vermijden en de toeschouwers ver buiten het bereik van de gevaarlijke projectielen te houden, werd de speer zo aangepast dat hij minder ver zou vliegen.
Sindsdien werd de 100 meter dan ook niet meer gehaald. Het wereldrecord staat sinds 1996 met 98,48 meter op naam van de Tsjech Jan Zelezny.
Precies op het moment dat het springen overgaat in vallen, hangen polsstokhoogspringers heel even stil in de lucht. Een fractie van een seconde is het maar, maar het was voor de Amerikaan David Volz genoeg om de lat even aan te raken. Zo probeerde hij te voorkomen dat het ding van zijn houders zou stuiteren en de sprong ongeldig zou maken.
De techniek zou vooral in de VS zijn naam dragen: ‘volzing’ werd het genoemd. En daar waar Volz de lat slechts in balans wist te brengen, waren er anderen, zoals zijn landgenoot Dean Starkey, met nog meer talent om op zo’n 6 meter boven de grond met de lat te spelen.
In de jaren tachtig waren sommigen er zelfs zo bedreven in dat ze de aangeraakte lat terug konden leggen, of hem tijdens hun sprong wat naar beneden bogen om er zo nog net overheen te vliegen. In de buurt van de wereldrecords die Sergej Boebka in deze periode vestigde, kwamen de ‘volzers’ overigens niet.
Toch werd de techniek verboden. In de regels staat dat een polsstokhoogspringer de lat niet mag terugleggen. Of vasthouden is toegestaan, was nog een discussiepunt toen de Fransman Jean Galfione bij de WK indoor in 1999 over 6 meter vloog, maar onderweg de lat voor vallen leek te behoeden.
Protest van de Amerikanen mocht niet baten. Het Algemeen Dagblad kopte een dag later: ‘Vasthouden mag, terugleggen niet’. Inmiddels staat in de regels dat een poging niet telt als een atleet de lat ‘stabiliseert of teruglegt’.
Wereldrecords werden er al ‘volzend’ nooit gehaald, maar regerend Europees indoorkampioen Menno Vloon vermoedt wel dat iedere topspringer de techniek zou beheersen als die was toegestaan. ‘Je hebt echt wel tijd, bovenin. Je kunt dan best wat met je hand.’
Hij is blij dat het niet mag. Juist de spanning van die wiebelende lat hoort bij zijn discipline, vindt Vloon. ‘Ik vind het wel mooi dat hij af en toe danst, soms zelfs loskomt en dan toch blijft liggen.’
Sport is toegepaste natuurkunde. En bij kogelstoten is de zwaartekracht de belangrijkste tegenstander. Wie zover mogelijk wil stoten, tart de zwaartekracht zo lang mogelijk door het projectiel een voor- en opwaartse beweging mee te geven, met zo veel mogelijk snelheid. Een deel van die snelheid komt uit de explosieve spierkracht van de atleet. De eigenschappen van een kogelstoter overlappen in grote mate met die van een sprinter.
Maar spierkracht is niet het enige, uit de lichaamsbeweging is ook snelheid te putten. En dan kom je al vlug uit bij een roterende beweging, zoals die ook bij het discuswerpen gangbaar is. Bij de mannen heeft de volledige pirouette inmiddels zijn wel draai gevonden. Bij de vrouwen is het pleit nog niet beslecht. De Portugese Auriol Dongmo, oud-Europees en -wereldkampioen indoor, gebruikt de aanglijtechniek, maar ook daarbij is de halve draai belangrijk.
In 2005 gaf de Groningse Jannicke IJdens het idee van de draai een twist. De destijds 17-jarige atleet maakte een radslag, slechts steunend op haar linkerarm. Met haar rechterhand hield ze de kogel in haar nek gedrukt en bij het rechtop komen stootte ze uit. Ze had dit foefje ergens op internet gezien en het zich eigen gemaakt.
Ze haalde er Studio Sport mee. ‘Hier moeten we het dus van hebben, van sporters die hun eigen weg durven te gaan en het aangezicht van hun sport doen veranderen’, zei presentator Mart Smeets.
IJdens was niet de enige die mogelijkheden zag. De radslag werd een kleine rage onder met name vrouwelijke kogelstoters. Het was alleen niet helemaal duidelijk of het mocht. De reglementen schreven voor dat de kogel tijdens de stoot niet onder de schouderlijn mocht komen, maar het was niet helder of dat ook gold als het hele lichaam ondersteboven was gedraaid.
In 2008 maakte de wereldatletiekbond er een einde aan. Uit veiligheidsoverwegingen: een eenarmige radslag was vragen om hoofdletsel, meende de bond. Nu staat er specifiek in de regels dat een radslagtechniek niet is toegestaan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant