Home

‘Waar moet jij nog over schrijven als je geen loser meer bent?’, vroeg een van mijn meer succesvolle collega’s

Op mijn Netflix-startpagina staan twee profielen. De ene heet, weinig verrassend, Cindy en de andere Katercindy. Normale Cindy houdt van originele, met liefde gemaakte series zoals Too Much, Baby Reindeer, Mindhunter of Russian Doll en van duistere moordmysteries, terwijl Katercindy – die gelukkig niet elke week bestaat – soms een hele zaterdag absolute bagger kijkt.

Ik lig dan op de bank met een blikje cola, hoofdpijn en tosti’s. Als de kater erg is, kijk ik gemakkelijk drie Hallmark-kerstfilms achter elkaar (ook in de zomer) of een zoetsappige serie die bedoeld is voor tieners. De term guilty pleasure gebruik ik niet, omdat ik weiger me te schamen voor wat me troost biedt wanneer ik dat nodig heb. En aan zo’n serie of film heeft een heel team van middelmatige acteurs en uitgebluste scenarioschrijvers, zonder een greintje inspiratie, keihard gewerkt, dus daar moet je niet lullig over doen.

In mijn normale staat ben ik een zwartgallige cynicus, die gelooft dat de strijd tussen de seksen niet te winnen valt, maar als ik me zwak en katerig voel, laaf ik me aan artificiële romantiek. Zo’n vermogende carrièrevrouw uit de grote stad die de liefde vindt bij een schrandere kerstboomverkoper uit een klein maar gezellig (eng christelijk) dorp? Kom maar op!

Een speciaal genre katertelevisie is de soapachtige Spaanse serie. Ten eerste ben ik dol op het landschap daar en luister ik graag naar de taal, ten tweede zijn ze krankzinnig dramatisch. Het thema, zo leerde ik, is bijna altijd arm versus rijk. De rijken zijn verdorven en onbetrouwbaar (behalve eentje) en mensen zonder geld zijn eervol en loyaal of noodgedwongen crimineel. Ieder land heeft zijn eigen thematiek, in Zweedse series gaat het vaak over pedofilienetwerken, en in Nederland gewoon over drugs.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Nu probeer ik momenteel een roman te schrijven (ik zal een andere keer vertellen wat een vernuftige manier ik uiteindelijk heb bedacht om aan mijn uitstelgedrag te ontkomen) en tijdens het schrijven kwam ik erachter dat ik, net als Spanjaarden, geobsedeerd ben door de omgang van arme met rijke mensen. Het gaat er constant over, terwijl het onderwerp daar niets mee te maken heeft. In mijn eerste twee romans (alleen voor de liefhebber en niet te verwarren met mijn derde en vierde boek) dook het thema ook steeds op. Vreemd genoeg, want ik heb er nooit naar gestreefd om rijk te worden en nog steeds vind ik rijke mensen, geld en spullen helemaal niet interessant.

Toch is mijn onderbewustzijn er steeds mee bezig. Zonder geld is het gemakkelijker om een goed mens te zijn. Ik kan niet vaak op vliegvakantie en rijd geen auto, dus mijn invloed op het milieu is minimaal. Er is te weinig geld voor drugs of hedonisme, dus houd ik geen crimineel systeem in stand. En doordat ik geen semaglutide-injecties kan betalen, zal ik nooit bekendstaan als een negatieve invloed op de body positivity-beweging.

Die reet van mij is dus ongewild activistisch. Sterker nog, dat geldgebrek is mijn verdienmodel, al klinkt dit nogal paradoxaal. ‘Waar moet jij nog over schrijven als je geen loser meer bent?’, vroeg eens een van mijn meer succesvolle collega’s. En dat is een valide punt. Dus mocht die roman ooit afkomen, dan is het beter dat niet te veel mensen hem kopen. Een bestseller zou funest zijn voor mijn inspiratie, karakter en lichaam.

Meer leesplezier

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next