Online seksueel misbruik In zogenoemde COM-groepen op internet worden kinderen seksueel misbruikt, ook door andere kinderen. Psycholoog Iva Bicanic: „Nu het internet zo dominant is in onze levens is wegkijken geen optie.”
Klinisch psycholoog Iva Bicanic, onder meer verbonden aan het Centrum Seksueel Geweld.
Kinderen die andere kinderen online vernederen, bedreigen en aanzetten tot geweld. Kinderen die naaktfoto’s van zichzelf online delen, waarmee andere kinderen hen dan weer chanteren. Het zijn praktijken van een schimmig, wereldwijd opererend onlinenetwerk dat COM wordt genoemd, waarin de status van de leden stijgt naarmate ze afschuwelijkere misdrijven plegen. De COM’er die een minderjarige tot zelfmoord drijft, wacht eeuwige roem.
NRC publiceerde enkele weken geleden over deze praktijken, maar hoe precies ze ook in kaart worden gebracht, het wie en waarom blijft moeilijk te bevatten. Wat drijft heel jonge kinderen om ogenschijnlijk uit eigen beweging deel te nemen aan een onlinegroep waarin ze worden vernederd, seksueel worden belaagd en geestelijk mishandeld? En: hoe kunnen de plegers, soms even jong, vanachter hun scherm zulke ravages aanrichten?
Voor het begin van een antwoord op die vragen pakt klinisch psycholoog Iva Bicanic er een wetenschappelijk artikel uit 2023 bij (Predictors of Online Child Sexual Abuse in a US National Sample). De eerste zin: „Omdat technologie meer en meer verbonden is geraakt met het dagelijks leven van jonge mensen en sociale interacties zich hebben verplaatst naar de digitale wereld, hebben ook de mogelijkheden voor seksueel misbruik van kinderen zich daarheen verplaatst.”
Iva Bicanic is hoofd van het Landelijk Psychotraumacentrum in het UMC Utrecht en directeur kennisontwikkeling van het Centrum Seksueel Geweld, dat professionele hulp biedt aan iedereen die is aangerand of verkracht. Ze werkt dagelijks met getraumatiseerde kinderen en jongeren die misbruik hebben ervaren, en met hun families. Ze is geen expert inzake COM-groepen, laat ze voor het interview vast weten, maar één element uit dit grootschalige misbruik sluit nauw aan op haar vakgebied: het gegeven dat sommige kinderen extra risico lopen hiervan slachtoffer te worden.
Een van de belangrijkste conclusies van haar Amerikaanse collega’s in het bovengenoemde artikel is dat kinderen die op jonge leeftijd (twaalf jaar en jonger) seksueel misbruik in de echte wereld hebben ervaren, een meer dan 2,5 keer zo grote kans lopen om later slachtoffer van online seksueel misbruik te worden. „Het zou kunnen”, schrijven de onderzoekers, „dat de seksuele en algehele zelfwaardering worden geschaad en een gevoel van machteloosheid wordt opgewekt. Daardoor blijven slachtoffers kwetsbaar voor seksueel misbruik.”
In haar kantoor in het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis zegt Bicanic: „Mensen denken dat kinderen gewoon altijd in een liefdevolle en beschermende omgeving opgroeien. Maar voor een deel van de kinderen in Nederland geldt dat niet. Die groeien op in onveiligheid, zonder dat er op hen wordt gelet.”
Dat wil niet per se zeggen dat ze te maken krijgen met geweld, zoals seksueel misbruik of mishandeling. „Het kan ook zijn: liefdevolle ouders, maar gepest worden op school. Of ouders die niet beschikbaar zijn, omdat ze last hebben van stress of steeds op hun telefoon kijken. Kinderen voelen aan wanneer er geen aandacht voor ze is, ook als hun ouders er wel voor ze wíllen zijn.” En zelfs ouders die wél voldoende ruimte hebben om aandacht te geven, moeten nu niet denken: dat doet mijn kind niet, zegt Bicanic. Of denken: mijn kind komt heus wel naar mij toe. „Nee, dit gaat óók over jou. Ook jíj weet niet wat jouw kind online precies aan het doen is.”
Elk kind, wil ze maar gezegd hebben, kan dit meemaken. Maar sommige kinderen zijn wel gevoeliger voor de verleidingstrucs van online plegers dan andere. Waar zit dat in?
Bicanic: „Alle mensen, jong of oud, hebben een heel diepe behoefte om, letterlijk, gezien te worden. Als jij nergens bij hoort, of je hebt het gevoel dat niemand thuis op je zit te wachten, of je wordt uit de groep gegooid en gepest, en dan doet iemand online wél aardig tegen je: ‘Hé lieverd, hoe is het met jou?’ – ik kan je vertellen, daar gaat een enorme magnetische kracht vanuit. Zeker als nooit iemand in jouw hele leven ‘lieverd’ tegen je heeft gezegd.”
Ze leest wel eens berichten waarin over ‘kwetsbare’ kinderen wordt gesproken. Die term helpt volgens haar niet om te begrijpen wat er aan de hand is. „Er is niks mis met kinderen die worden misbruikt. Er is iets mis met de omstandigheden waarin ze leven. Elk kind dat niet beschermd of gekoesterd wordt, gaat al snel denken: het zal wel aan mij liggen, er is iets mis met mij. Als thuis geen veilige omgeving is, ontstaat er een gat, een affectief gat. En daar kan iemand – al dan niet met slechte bedoelingen – in springen.”
„Je moet niet vergeten dat aan seksueel misbruik vaak geen geweld te pas komt. Degene die het doet, is soms je grootste vriend. Daar heb je een band mee. Een kind dat midden in zo’n situatie zit, heeft niet altijd door dat van misbruik sprake is. Soms wel, maar dan nog wil het degene die hem of haar dat aandoet niet kwijt. Want dan raak je ook iemand kwijt die je ziet, die je het gevoel geeft dat je bestaat, dat je ertoe doet. Dat zijn heel diepe behoeftes.”
Ze verwijst naar een documentaire over de Amerikaanse broers Lyle en Erik Menendez, die hun vader en moeder vermoordden, naar eigen zeggen omdat ze door hen seksueel werden misbruikt. In de rechtszaal wordt aan de jongste, Erik, gevraagd: wilde je dat het misbruik stopte? Nee, zei Erik. Want: „Dat was het enige moment dat mijn vader wel lief was tegen mij. Hij zei me dat ik deel uitmaakte van de familie, dat ik erbij hoorde – en dat zou stoppen als ik iemand over het misbruik vertelde.”
„Plegers noemen wat ze doen vaak ‘speciale liefde’”, zegt Bicanic. „Speciale aandacht. Er zijn kinderen die tegen me zeggen: toen ik misbruikt werd was het vreselijk. Maar het werd pas echt erg toen het stopte.”
In lezingen en presentaties hamert Bicanic op de overeenkomsten tussen online en offline, fysiek, seksueel misbruik. Wetenschappelijk onderzoek heeft overtuigend aangetoond dat de impact op de slachtoffers hetzelfde is. „Ook al zit iemand niet fysiek aan je lichaam, het voelt wel zo. De cijfers tonen het aan: er is verband tussen suïcidaliteit en seksueel misbruik, ook online. Iemand met een misbruikverleden heeft een vier keer grotere kans om een suïcidepoging te doen dan iemand die geen seksueel misbruik heeft meegemaakt.” Ze tilt haar laptop op van het bureau. „Eén persoon kan met zijn vingers op dit ding een heel leven kapot maken. Als het online misbruik stopt, kan dat ook als verlies voelen. Daarom kan het zo moeilijk zijn om uit online groepen te stappen.”
„Ja, want je bent dan weliswaar verlost van de vernederingen en de bedreigingen, maar je hebt verder niks meer. Het bewijst hoe moeilijk het is om iets achter te laten waaraan je gewend bent – hoe beroerd het ook is geweest.”
Op dit punt stopt Bicanic even. „Het is heel belangrijk dat mensen snappen hoe dit werkt, dat affectieve gat als risicofactor voor online of off-line misbruik, zonder dat ze meteen denken: dit gaat over anderen, dit gaat over asociale gezinnen. Néé, dat is een misvatting. Het kan overal gebeuren. Hoogopgeleid, laagopgeleid, zwart, wit, arm, rijk. It’s everywhere. En het is goed verborgen.”
„Je kunt niet per se aan de buitenkant zien of een kind in een moeilijke situatie zit. Veel mensen denken dat een kind dat langdurig wordt misbruikt, online of offline, signalen toont in het gedrag: woede, slaapproblemen, dwangmatig masturberen, angst, suïcidaliteit, automutilatie. Maar dat is bij maar 40 procent van de misbruikte kinderen het geval. Veel vaker vertonen kinderen helemaal geen signalen. Deels omdat ze te jong zijn om te beseffen wat er is gebeurd, maar ook omdat kinderen vaak denken: dit mag niet, ik ben verkeerd bezig, en als dit uitkomt zal het heel veel consequenties hebben. Gemiddeld wordt seksueel misbruik zo’n dertien jaar lang verzwegen.”
„Bij 30 tot 40 procent van de zedendelinquenten blijkt sprake te zijn van seksuele traumatisering in de eigen jeugd. Dan kan misbruik leiden tot (seksueel) risicogedrag op latere leeftijd. Veel vaker nog is sprake geweest van geweld en verwaarlozing met als gevolg een laag zelfbeeld en machteloosheid. De rol van pleger kan een manier zijn om controle terug te winnen of je belangrijk te voelen.
„Als je in een huis opgroeit waar elke dag dreiging, chaos, onvoorspelbaarheid is, kan je vermogen om grenzen te herkennen en te respecteren worden aangetast. Ook kun je jezelf gaan beschermen door je gevoel uit te schakelen. Emotional numbness heet dat. Als je die verdoving meeneemt naar je volwassenheid, is dat onhandig. Dan kan het problemen geven met empathie en impulscontrole in contact met anderen, in relaties en ouderschap. Overigens worden de meeste slachtoffers geen plegers.”
„Er zijn verschillende motieven voor plegergedrag. In dit geval gebruiken plegers bewust bepaalde woorden, om het kind over te halen of onder druk te zetten. Hun gedrag is opportunistisch, antisociaal. Ze willen iets van dat kind gewoon hébben en denken: hoe kríjg ik dat? Ze kennen de betekenis van die woorden wel, maar er is geen of weinig empathie.”
Weer onderbreekt Bicanic zichzelf. De samenleving kijkt liever weg van dit onderwerp, merkt ze. „Maar juist nu het internet zo dominant is in onze levens is wegkijken geen optie. Toen er nog geen sociale media en mobiele telefoons waren, moest iemand tijd en moeite investeren in een kind als hij er iets seksueel mee wilde doen. Hij – het is meestal een ‘hij’, 7 procent van de kinderen wordt door een vrouw misbruikt – moest langzaam een band opbouwen en proberen in situaties te komen dat hij alleen was met dat kind. Internet heeft dat grooming-proces enorm versneld en vergemakkelijkt. Je kunt de hele tijd een hengeltje uitgooien, tien, twintig keer. Zo trekken de plegers hun sleepnet over de hele wereld. En dan is er altijd wel een kind dat gaat reageren.
„Het is belangrijk dat mensen realistisch zijn. We zitten allemaal op te letten op het gevaar dat onze kinderen op straat lopen. Maar dit gebeurt online. Bij de politie en bij andere instanties waar meldingen worden gedaan, zie je de statistieken van online-misbruik steil omhooggaan. Er zijn veel kinderen die in zo’n situatie terechtkomen, elke dag weer. Ook terwijl wij hier zitten te praten gebeurt het.”
„Het woord ‘weerbaar’ probeer ik te vermijden. Een kind is niet opgewassen tegen de seksuele begeerte, macht en manipulatie van een volwassene. Was het maar zo simpel. De term ‘weerbaar’ wekt de suggestie dat je als kind regie hebt over het voorkomen van misbruik en dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij jou ligt. En dat is nou precies wat misbruikte kinderen denken: het is míjn schuld, er is iets mis met míj.
„Het begint bij praten in je gezin. Zonder je kind bang te maken. En op school, met kinderen vanaf groep 1. Wat is ‘oké aanraken’ en wat is ‘niet oké aanraken’? Maar ook: wat is online oké en niet oké? Wat doe je als een vreemde je online een berichtje stuurt? Wat als het een heel aardig bericht is? Als je denkt: o, dit is een vriend? Als het fijn voelt? Of je wordt misschien verliefd en je verlangt naar nóg een appje?
„Ik heb mijn twee kinderen van jongs af aan verteld over dat oké en niet oké aanraken. Maar ik weet ook: ik heb er geen volledige controle over. Ik kan niet alles tegenhouden wat op hen afkomt. Ja, het kan gebeuren dat hen iets overkomt. Dan hoop ik dat ze bij mij komen om te vertellen wat er is gebeurd. Dat ik dan kalm blijf en de dingen zeg die ik hier in deze kamer ook tegen andere wanhopige ouders zeg.
„Als kinderen seksueel misbruik meemaken en dit eerder gaan herkennen, hoop ik dat ze het ook eerder gaan onthullen. En dan is het aan de omgeving om kalm te blijven, te zeggen: wat goed dat je het hebt verteld, dit had nooit mogen gebeuren, jij hebt niks verkeerd gedaan, wij houden van jou en gaan zorgen dat het stopt. Dat is de ideale situatie.
„Tachtig procent van de mensen in Nederland heeft een trauma meegemaakt. Dat klinkt heftig, maar wij zijn gemaakt om die trauma’s samen met onze dierbaren op te vangen en weer op te krabbelen. Ook met seksueel misbruik is belangrijk om te weten dat niet iedereen daar last van blijft houden. Zeker de helft van de slachtoffers wordt goed opgevangen en meteen geloofd. Die komen er weer bovenop.”
Iva Bicanic (Nijmegen, 1972) is klinisch psycholoog. Na haar studie ging ze werken met jonge slachtoffers van seksueel misbruik. Sinds 2003 werkt ze in het Wilhelmina Kinderziekenhuis van het UMC Utrecht, waar zij vanaf 2008 hoofd is van het Landelijk Psychotraumacentrum.
In 2012 werd ze de drijvende kracht achter het multidisciplinaire Centrum Seksueel Geweld, opgezet als antwoord op de versnippering van de expertise omtrent seksueel geweld. Tot 1 juli was zij bestuurder van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld, nu is zij directeur kennisontwikkeling.
Iva Bicanic is getrouwd en heeft twee kinderen.
De spannendste stukken over de toekomst van tech, economie, klimaat en megatrends
Source: NRC