Home

Een wit kruisje aan een ketting

‘Hee Freek, met mij.” Voicebericht van Wesley Ursem, bewoner van de daklozenopvang in Haarlem. Of, beter: ex-bewoner. Hij was te vaak niet komen opdagen en nu heeft de manager, Ramon Barten, hem zijn kamer ontnomen. Daar was de breedgeschouderde Ursem (43) bepaald niet blij mee, dus je zou verwachten… Maar, „één ding”, vervolgt-ie, „kun je opschrijven dat die man, toen ik bijna dood was getrapt en in het ziekenhuis lag, naar me toe kwam en me een wit kruisje aan een ketting gaf?”

„Kom eraan...” Ramon Barten (52) poogt de verslaggever binnen te laten bij de opvang, maar één van de bewoners poetst met zó veel toewijding de glazen binnendeur – die kijkt niet op of om.

Barten werkt hier pas vier maanden, vertelt-ie boven op kantoor. Het is zijn eerste ervaring bij het Leger des Heils. Eerder was hij manager in de ouderenzorg en dáárvoor van een privékliniek voor cosmetische chirurgie. Zijn nieuwe werkplek, midden in het centrum, is een dak- en thuislozenopvang met dertig bedden. Gevestigd in een oud-ING-bankgebouw, met daarin ook een instelling voor verslavingszorg en een gebruikersruimte. Altijd rondhangende lui voor de deur. Twee beveiligers.

Hier vind je ook het loket waar elke burger zich meldt die voor het eerst geen onderdak heeft. Vorige week nog, een jongeman. Huis ontruimd. Die had – zoals velen - gewoon een baan. Kon na een paar dagen weer elders terecht. Vrienden, familie. Alleen mensen zonder stevig netwerk, merkt Barten, blijven plakken.

‘Kortdurende opvang’, is de bedoeling. Zes maanden max. Maar vind maar eens een huis voor zo iemand. Sommigen verblijven er al zes jaar. Er zijn vriendschappen ontstaan, relaties. Een deel werkt hier voor een laag uurloon achter de koffiebar of in de schoonmaak. En officieel mogen ze niets op hun kamerdeur of de muren plakken, maar hé…

Onder een potje tafeltennis of bij het tostiapparaat knoopt Barten geregeld een praatje aan. Waar hoop je op in het leven, vraagt hij bewoners. En allemaal, hoe verslaafd ook, hebben ze een antwoord. Alleen, dat ziet hij ook: „Verslaving is een monster.”

En toen hij laatst hoorde dat Ursem in het ziekenhuis lag, in elkaar geslagen door meerdere mannen, griste Barten – geen katholiek, wel christen – beneden een rozenkrans van een beeld en ging langs. Ursem brak in tranen uit, zijn vader was katholiek. Ze spraken over zijn jeugd en wat hij wenste. Eigen huis. Kinderen. Weer z’n stratenmakersbedrijf. De gewone dingen. En toen Ursem later terugkeerde op de opvang, had-ie gezegd: „Geef mij maar een hogedrukspuit, ik wil hier best aan de slag”.

Bij al die gesprekken denkt Barten terug aan zijn eigen leven en hoe hij, met „zes vinkjes” opgegroeid in Amstelveen, halverwege de dertig zelf het kompas verloor. Lang leve de lol, had hij altijd gedacht. Totdat de leegte hem overviel en hij – tot verbijstering van zijn omgeving – in een kerkbank belandde.

Die zoektocht – „waar draait het nou allemaal om?” – herkent hij bij veel bewoners. Niet dat Barten ze nu allemaal tot God wil bekeren. Structuur, een doel: dat is al mooi. Zoals laatst lukte met een vrouw die na drie jaar buitenslapen toch was verleid tot de opvang. Met een glimlach: „Ik hoorde haar laatst zingend de douche poetsen.”

Nergens zo schoon als op de daklozenopvang.

Source: NRC

Previous

Next