Je kunt lacherig doen over Dan Browns vergezochte personages en plotlijnen, maar dit is het hogere thrillerschrijven. Het is verbluffend hoe hoog hij het tempo weet te houden in Het ultieme geheim.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Umberto Eco, de nadrukkelijk meest belezen romancier van de afgelopen vijftig jaar, liet in zijn roman De slinger van Foucault (1988) de complotten over elkaar tuimelen. De rozenkruisers, vrijmetselaars, de graaf van Saint-Germain, de kabbala, de aanleg van de metro – allemaal onderdelen van een allesomspannend wereldgeheim.
Een van de ontspoorde theorieën die voorbijkomen is dat Maria Magdalena Christus’ kind droeg, naar Frankrijk vluchtte en een geheime dynastie stichtte die door de tempeliers en daarna de vrijmetselaars werd verdedigd.
Niet dat Eco die theorieën geloofde. Zijn hoofdpersonen, drie sarcastische redacteuren van een louche uitgeverij, spelen in op de complotbereidheid van hun paranoïde auteurs en laten hen zelf betalen voor hun boeken vol zogenaamde onthullingen. Ze categoriseren hun auteurs als stommelingen of gekken:
‘Een stommeling tracht zijn stelling te bewijzen; zijn logica mag krom zijn, maar hij bezit er een. Een gek daarentegen houdt zich in het geheel niet met logica bezig, die werkt met kortsluiting. Alles bewijst alles, volgens hem.’
En een gek, zeggen ze, zal vroeg of laat altijd met de tempeliers op de proppen komen.
Dan Brown had tempeliers bij de vleet. Zijn miljoenenbestseller De Da Vinci Code was een herhaling van de Eco’s De slinger, maar in dit geval kwam de geschiedenis eerst als een farce, daarna pas als tragedie. Want alles wat bij Eco een grap was, was bij Brown bloedje-serieus. Maria Magdalena, de bloedlijn van Christus, een verborgen dynastie: alles zag Brown verstopt achter talloze symbolen in de kunstgeschiedenis.
Kijk, naar Het laatste avondmaal! Die ene apostel is een vrouw! Wat wist Da Vinci dat wij niet weten?
Gevraagd wat hij van Dan Brown vond, lachte Eco: ‘Ik heb hem bedacht! Hij is een van mijn personages.’
De Da Vinci Code is uit 2003. Toen was zijn opeenstapeling van complotten ongehoord. Maar inmiddels zijn we meer dan twee decennia verder, en in vergelijking met alles over vaccinaties, pedo’s, satanisten en MH17 komen de complottheorieën van Brown verrassend vriendelijk, belezen en speels over.
Brown voelt niet meer als een paranoïde schrijver. Je kunt hem beter als fantasyschrijver zien, die geen ander sterrenstelsel of magisch koninkrijk nodig heeft, maar zijn fantasy bedrijft met de straatstenen en standbeelden in de westerse hoofdsteden.
Na Parijs (De Da Vinci Code), Rome (Het Bernini Mysterie), Washington (Het verloren symbool), Florence (Inferno) en Barcelona (Oorsprong) is Browns vaste held nu in Praag aanbeland.
Het ultieme geheim begint wanneer Robert Langdon, Harvard-hoogleraar religieuze symboliek, ’s ochtends fris een rondje rent door Praag. Zoals altijd is de interne monoloog van Langdon die van een tourgids: ‘De bijnaam van de stad, Stovezata, betekende letterlijk ‘met honderd torens’, ook al lag het werkelijke aantal torens...’
Daar is hij weer, dacht ik. Robert Langdon, de oppermansplainer. Ik had hem gemist. Zelfs als hij wordt opgejaagd door religieuze sekten en megalomane moordenaars, is hij niet te beroerd even tussen de pistoolschoten door een college af te steken over hoe, bijvoorbeeld, keizer Karel IV halverwege de 14de eeuw een bastion had laten aanleggen op een Praagse berg die hem deed denken aan de plek waar Christus was gekruisigd.
Vroeg iemand erom? Nee. Maakt dat uit? Nee.
Op de Karelsbrug loopt een in het zwart geklede vrouw de joggende Langdon tegemoet, met een stralenkrans om haar hoofd en een zilveren speer in haar hand. Langdon schrikt. Dit is precies de verschijning van wie zijn kersverse geliefde, Katherine, heeft gedroomd.
Katherine Solomon, aangenaam. Noëtisch wetenschapper, die op het punt staat een boek te publiceren waarin ze ons denken over het menselijk bewustzijn voorgoed zal veranderen. In alle voorgaande boeken was Langdon, met zijn eeuwige Mickey Mouse-horloge, notoir aseksueel. Maar deze Katherine (‘de speelse sprankeling in haar ogen...’) heeft die poort geslecht.
Langdon sprint naar hun hotel, laat het brandalarm afgaan, en voor je het weet blijkt Katherine spoorloos, wordt de neurowetenschapper die haar heeft uitgenodigd vermoord, en moet Langdons puzzels en codes oplossen met vele hete adems in zijn nek. Van lokale veiligheidsdiensten, van een knotsgekke moordenaar die denkt dat hij de golem van Praag is en van internationale spionnen die ervoor willen zorgen dat Katherines boek nooit het daglicht ziet.
Katherines baanbrekende theorie: het menselijk bewustzijn speelt zich niet in ons hoofd af, maar bevindt zich overal door het universum. Onze hersenen zijn slechts een ontvanger. Soms staat die ontvanger zo afgesteld dat we toegang tot kennis hebben die buiten ons ligt; dit kan buitenzintuigelijke waarnemingen en bijna-doodervaringen verklaren. Wie de ontvanger juist weet af te stellen zou zelfs – het ultieme geheim – voorbij onze dood kunnen kijken.
Of zoals Katherine tegen Langdon zegt: ‘Een man met jouw intellectuele capaciteiten moet toch een gekwantificeerde negendimensionale volumetrische realiteit binnen een oneindige continuïteit kunnen begrijpen.’ Nou en of.
Via deze weg kom je bij de reden waarom Browns complotten nooit naargeestig zijn. Zijn thema’s zijn uiteindelijk steeds verzoenend. Lichaam én geest. Kerk én wetenschap. Feiten én mythen. Bij Brown kan het een niet zonder het ander. Hij verheerlijkt wetenschap en verlekkert zich tegelijk aan de occulte geschiedenis van Praag. Twee walletjes.
Je (of: ik) kan lacherig doen over Browns vergezochte personages en onwaarschijnlijke wendingen (zoals Katherines gekidnapte uitgever die zich door een ondervraging weet te bluffen, omdat hij – ja, echt – veel ondervragingsscènes in thrillers heeft geredigeerd). Maar op dat moment op de Karelsbrug klinkt het startschot van de roman, en het is verbluffend hoe hoog Brown daarna het tempo houdt.
Alle personages bewegen. Elk hoofdstuk heeft een handeling die het plot verder duwt. Je staat geen moment stil. Dit is het hogere thrillerschrijven. Met die eerste druk van tweehonderdduizend Nederlandse exemplaren gaat het wel goed komen.
Dan Brown: Het ultieme geheim. Uit het Engels vertaald door Erica Feberwee en Yolande Ligterink. Luitingh-Sijthoff; 768 pagina’s; € 29,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant