Home

Ik pak minister Moes bij zijn oren en vang zijn schichtige blik

Verbeelding Lekker dan, een minister van Cultuur die wars is van verbeelding. Maar Joyce Roodnat geeft ’m niet zomaar op. Ze wil hem toefluisteren: stel je voor! Kunst bestaat om het ongelooflijke te laten zien.

Ga ik even op zomerstop, word ik wakker met een BBB-minister van Cultuur (en van Onderwijs en van Wetenschap) die het verschil tussen een regenboog en een hakenkruis niet begrijpt. Daar werd hij op aangesproken waarna hij bewoog naar een soort excuus – en hij bleef de indruk maken dat hij niet begrijpt wat het probleem is. Nou, dit: symbolen zijn geen plaatjes, ze verbeelden hun oorsprong. De regenboog valt samen met de lhbti-gemeenschap, het hakenkruis met nazi-rechts. De regenboog verbeeldt weerlozen in gevaar, het hakenkruis verbeeldt agressievelingen die dat gevaar willen zijn. En minister Gouke Moes snapt dat niet.

Het regenboogpad in Papendrecht wordt, nadat het opnieuw doelwit van vernieling was geworden, weer in zijn oude vorm hersteld. Foto Richard van Hoek/ ANP/ Hollandse Hoogte

Lekker dan, een minister van Cultuur (het containerbegrip waar ook de kunsten onder vallen) die wars is van verbeelding. Maar ik geef ’m niet zomaar op. Ik wil de minister bij zijn oren pakken, ik koester zijn hoofd tussen mijn handen en fluister: stel je voor! Kunst bestaat om het ongelooflijke te laten zien. (Ik varieer op Jean-Luc Godards ‘film bestaat om het ongelooflijke te laten zien’, maar dat verzwijg ik, om hem niet kopschuw te maken). Hij begint zich los te wringen, maar ik houd hem nog even vast. Ik herhaal: het ongelooflijke! Dat ga je toch niet afwijzen? Het betekent het verschil tussen dwalen en verdwalen. Verdwalen maakt bang. Dwalen betekent iets meemaken, iets wat je niet voor mogelijk hield.

Sensationeel

Ik laat Moes los. Ik maak me geen illusies, die wil van mij niks aannemen.

En ik denk toch weer even aan hem, in het verloren ogenblik dat ik in de schouwburg wacht op De meeuw van Tsjechov. Hier heet het stuk [meeuw], in de typografie van de gebarentaal die vanavond de voertaal is. De boventiteling staat al aan, met onder elkaar de aanwijzingen ‘[muziek]’ en ‘(geen muziek)’. Dat betekent dat de dove toeschouwers nu muziek ‘horen’ en het horende publiek niet. Twee talen, twee werkelijkheden, dat is het soort verwarring waar Moes denkelijk niet aan wil. Kop op, minister.

Er ontrolt zich een sensationele voorstelling met een doorslaggevende rol voor die boventiteling. Aanvankelijk bedienen de titels het horende publiek met Tsjechovs dialogen, en voorzien ze de niet-horenden van geluidsaanduidingen als [geblaf] – wat geen horende hoort. Want het is er niet. Maar het is er toch, door die aanduiding. Ineens bestaan de titels uit halve zinnen en losse kreten, een letterlijke vertaling van de gebarentaal die zich bedient van lichamelijke expressie die zich niet in woorden laat vangen. En dan stopt de boventiteling. Het stuk gaat door, met de niet-horenden als de horenden en omgekeerd. Probleem? Nee. Ondanks hun radicaal verschillende talen smelten horenden en niet-horenden samen in één geroerd publiek.

De meeuw besluit met een fataal schot. [meeuw] eindigt net zo. Maar niemand hoort het. Niemand doet iets. Arme zelfmoordenaar.

En het stuk? Dat blijft hartstikke Tsjechov. Allemaal ongelooflijk, maar het bestaat.

Source: NRC

Previous

Next