is opinieredacteur en columnist voor de Volkskrant.
Ooit, tijdens een doelloos zitje op een bankje in het park, raakte ik in gesprek met een asielzoeker die vanwege de oorlog zijn thuisland was ontvlucht. We kwamen te spreken over de relatieve zorgeloosheid in Nederland. Hij verbaasde zich over Nederlandse burgers die democratie beschouwen als een vanzelfsprekendheid. Ik kon me daar ook wel in vinden. Europa heeft eigenlijk een oorlog nodig, concludeerde hij cynisch, zodat mensen zich eens realiseren hoe goed ze het hebben.
Nu Europese boots on the ground reëler wordt en vrijheden ook in de westerse wereld aan slijtage onderhevig zijn, denk ik geregeld terug aan wat de man mij vertelde. Een oorlog ondervinden zodat we onze democratische waarden weer koesteren lijkt me een wat radicale interventie, maar het zou niet verkeerd zijn als iedereen eens van dichtbij ziet hoe staatsrepressie werkt. Ben je gelijk genezen van het vanzelfsprekendheidsdenken.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Voor mij diende die gelegenheid zich aan in de zomer van 2017, enkele jaren na het gesprek in het park. Met een collega van de Volkskrant verbleef ik twee weken in het Marokkaanse Rifgebied om verslag te doen van de volksopstand die in november 2016 was losgebarsten na de dood van Mohsin Fikri, een visverkoper die door een vertegenwoordiger van de lokale autoriteiten in een vuilniswagen werd vermalen toen hij zich verzette tegen institutionele corruptie.
Wat ik aantrof, was taai: bewoners waren nog in rouw over de dood van Mohsin Fikri, er was veel woede over de arrestaties en opsluiting van honderden activisten (onder wie protestleider Nasser Zefzafi), veelal jonge mensen die uit het hart van hun gemeenschap waren gerukt. Bijna iedereen kende wel een demonstrant die in een gevang was verdwenen. En de eerste geruchten over martelingen gingen al rond.
Maar er klonk ook hoop en vrolijke strijdlust in cafés, dorpshuizen en ondergrondse studio’s. Er werd gelachen en gezongen, want buiten nam de repressie zichtbaar toe: militairen en tanks verschenen in het straatbeeld, overheidsspionage was alom aanwezig, een schoolterrein veranderde in een legerkamp. Iedereen bewoog zich behoedzaam door een belegerd gebied.
En misschien wel griezeliger dan de aanwezigheid van militairen: de urenlange uitval van telefoon- en internetverkeer, bewust platgelegd door de centrale macht - vlak voor een aangekondigde massademonstratie. En het hotel waar wij en andere journalisten verbleven was volgens lokale activisten volgehangen met afluisterapparatuur.
De bewoners deden destijds herhaaldelijk een beroep op ‘de vrije dochters en zonen van de diaspora’ om zich te mobiliseren en aandacht op hun zaak te vestigen. Daar gaf, althans in Nederland, slechts een klein deel gehoor aan. Nog een kleinere minderheid zag in de activisten juist relschoppers die de stabiliteit van het land (lees: hun zomervakanties) bedreigden. De rest van de diaspora was, net als veel andere Nederlanders, elkaar vliegen aan het afvangen over futiele binnenlandse zaken. Deugen door te haten.
Terug in Nederland, vroeg ik me af wat nou eigenlijk tragischer is: onderdrukt worden terwijl je vrijheid en rechtvaardigheid wezenlijk begrijpt en ernaar snakt, of vrij zijn en (te) weinig notie hebben van de kwetsbaarheid van je vrijheden en rechten. Nu, acht jaar later, ben ik er nog steeds niet over uit. Wel vrees ik dat het tweede steeds meer realiteit wordt in mijn eigen land - zeker nu populistische politici al jaren openlijk flirten met mogelijkheden om repressie uit te oefenen, al dan niet op specifieke burgergroepen.
Hoe je verder verval van democratische waarden voorkomt, is een vraag die goddank nog vele Nederlanders bezighoudt. Zelf put ik hoop en inspiratie uit de ervaringen van de Riffijnse verzetsbeweging. Zoals het verhaal van een atheïstische leraar filosofie die, zo vertelde hij, op een avond een bijeenkomst bezocht waar burgers - van streng gelovigen tot feministen - aan een manifest werkten. Bij aankomst realiseerde hij zich dat hij aangeschoten was, dus wilde hij uit respect voor de gelovigen weer vertrekken. Maar hij was welkom, werd hem op het hart gedrukt. Niemand zou zijn bijdrage afwijzen vanwege zijn drankgebruik.
En daarin ligt geloof ik de essentie van een vrije, rechtvaardige en veilige samenleving: je stelt het gezamenlijke belang voorop, je brengt geen hiërarchie aan in de inbreng van deelnemers en je waakt over de waardigheid van een ander. Ook als die ander ideologisch ver van je afstaat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns