Home

‘Flapdrol is een keurig Nederlands woord’

Jan Marijnissen van de SP riep „flapdrol”. Hij zat in zijn bankje in de grote zaal van de Tweede Kamer, dinsdag 26 mei 2009. In het kabinetsvak, achter de katheder, stond Bert Koenders, minister voor Ontwikkelingssamenwerking namens de PvdA. Er waren maar weinig Kamerleden die Marijnissen hadden gehoord en het lijkt wel zeker dat niemand het nu nog zou weten als Koenders er niet zelf over was begonnen. Hij voelde zich diep beledigd. „Voorzitter”, zei hij. „Ik word inmiddels uitgescholden voor flapdrol.”

Iedereen moest lachen. Het was net zoiets als Richard Nixons ‘I’m not a crook’. Het láátste wat je moest doen, weet zo’n beetje elke politicus in Den Haag, is herhalen wat er over jou wordt gezegd. Want dan is dat wat mensen met jou associëren. Koenders? Flapdrol.

In de gang van de Tweede Kamer, vorige week dinsdagmiddag, zegt VVD’er Eric van der Burg voor vijf tv-camera’s dat hij die ochtend excuus heeft aangeboden aan de NSC’ers tegen wie hij „teringlijers” had geroepen. Dat was op 23 augustus in het debat over Gaza, net na het vertrek van NSC uit het kabinet. Hij had toen ook PvdD-leider Esther Ouwehand „stom kutwijf” genoemd en op donderdag gaat hij ook bij haar langs om sorry te zeggen.

Van oud-SGP-medewerker Menno de Bruyne, die alles weet over de politieke geschiedenis van Nederland, hoor ik over CDA’er Thijs van Vlijmen. Die maakte in 1991 Leoni Sipkes van GroenLinks uit voor „NSB’er”. Maar aan wie in de Tweede Kamer ik het verder ook vraag: daar is het idee dat de taal van Kamerleden nu veel harder en grover is dan een jaar of tien, twintig geleden. Eddy van Hijum van NSC zegt dat ik de beelden maar eens moet terugkijken van Geert Wilders die in 2011 „doe normaal, man” zei tegen Mark Rutte. Van Hijum was toen nog Kamerlid van het CDA en je ziet hem zitten met zijn mond half open: alsof hij nog nooit zoiets ergs heeft gehoord.

Kees van der Staaij, oud-fractievoorzitter van de SGP, noemde in 2012 het vage en ontwijkende antwoord van D66’er Alexander Pechtold „gezwam”, en door de telefoon zegt hij dat hij zich nog de verbijstering herinnert die door de zaal „golfde”. Er was hard gelachen, er was geroffeld op de bankjes, Pechtold wist zich even geen raad. Van der Staaij had nooit eerder iets gezegd wat zo dicht in de buurt kwam van schelden, andere SGP’ers zeiden tegen hem dat hij wat vaker zijn boosheid moest tonen. Dat kwam oprecht over, authentiek. Hij had het niet gedaan.

‘Heel normaal Nederlands woord’

Frans Timmermans van GroenLinks-PvdA riep in juli „huichelaar” tegen Diederik Boomsma, toen nog van NSC, en op dinsdag zegt Timmermans dat dat „een heel normaal Nederlands woord” is, dat precies omschrijft hoe hij Boomsma ziet. Dat is ook wat SP-leider Agnes Kant in 2009 zei tegen journalisten over de rel tussen Marijnissen en Koenders: „Flapdrol is een keurig Nederlands woord en in dit geval een terechte constatering.”

In de gang leg ik het voor aan andere Kamerleden en dat leidt tot bijna filosofische vragen. Is het dan ook geen schelden meer, zegt een VVD’er die dat alleen anoniem gezegd wil hebben, als je een politicus „zakkenvuller” noemt?

NSC’er Van Hijum ziet het nog weer anders. Hij zegt dat hij in het kabinet met de PVV, VVD en BBB zoveel „spelletjes”, „tegenwerking” en „gelek” heeft meegemaakt dat hij nu denkt: „Ik heb véél liever dat iemand me uitscheldt voor whatever dan dit heimelijke gedoe.”

Op de avond dat Eric van der Burg eerst de NSC’ers en daarna Esther Ouwehand had uitgescholden, had ChristenUnie-leider Mirjam Bikker hem zien zitten in zijn bankje. Ze had niet gehoord wat hij had gezegd, ze zag alleen zijn gezicht: een beetje rood, boos. Ze liep naar hem toe en zei: „Eric, hou vol. Liefde, blijdschap, vrede. Dat zijn de goede vruchten van de geest.”

„Misschien”, zei Van der Burg, „moet ik maar eens mee naar die kerk van jou.”

Source: NRC

Previous

Next