Wat het toch is, waarom je altijd pas als iemand dood is allerlei vragen hebt. Hoe hij hier of daar over dacht. Hoe het met zijn ouders zat. Hoe het kan dat hij zijn talen zo enorm goed sprak, dat vraag ik me nu bijvoorbeeld af over mijn vader die alleen HBS-b had en zijn talen intimiderend voortreffelijk sprak. Het duurde een poosje voor je, als je met hem in het buitenland was, ook zelf iets durfde te zeggen, want hij hoorde tuurlijk alle fouten meteen. Waarom zou je eigenlijk geen fouten mogen maken? En dan hoor ik hem weer lachend zeggen: ‘C’est pire qu’un crime, c’est une faute’. Maar dat was beslist niet in antwoord op deze vraag, die ik trouwens nooit heb gesteld.
Ineens heb je allerlei onderwerpen te bespreken, veel meer dan toen iemand nog leefde. Je interesse is verdriedubbeld, het is het ‘afgesneden zijn’ van Vasalis dat zich pijnlijk doet voelen, al die keren dat je even aan iemand denkt, veel vaker dan je je bewust was toen hij nog leefde. Juist door dat vele onbewuste, vanzelfsprekende denken aan iemand kun je nooit helemaal voorzien hoe de rouw zal zijn. Van je geliefde wéét je dat die een zeer grote rol speelt in je denken en voelen en leven, maar van een vriend of een ouder kan het je soms verrassen: zó vaak (of weinig) blijk je dus aan hem of haar te denken.
Iemand verandert zodra hij niet meer leeft in een gestalte die zowel de vroegere als de latere verschijningen in zich draagt. Aan die gestalte heb je nu meer herinneringen dan toen er ook een levende persoon was. Alsof de levende in zekere zin de toegang tot de vroegere beelden gesloten houdt – wat niet echt zo is natuurlijk, in elke verhouding doet het vroegere mee, op een of andere manier.
De geschiedenis die je met elkaar hebt, speelt een rol in wat je voor elkaar voelt. Dat is het wonderlijke, frisse, maar ook nog onvertrouwde, van nieuwe vriendschappen.
Bij ouders doet de geschiedenis heel sterk mee, uiteraard. Nee, mijn moeder weet niet meer dat ik deze week een paar keer bij haar ben geweest, dat we buiten hebben gezeten toen ze bij mij was – maar ze weet wel dat ze het fijn vindt als ik op bezoek kom, dat we soms oude Duitse liedjes zingen, dat we een bepaalde toon met elkaar hebben – van al die dingen geeft ze blijk. Net zo veerde mijn vader de laatste jaren altijd blij op als ik kwam, en nu voel ik sterk hoe prettig ik het vond dat hij verheugd was, en hoe die vreugde om elkaar te zien alles te maken had met onze geschiedenis, die niet meer te onderscheiden was, is, van het gevoel dat je voor elkaar hebt. Alsof gevoel en tijd één zijn geworden.
Dat vele, waaruit je helaas toch maar beperkt kunt putten – want het is helemaal niet makkelijk om je iets ‘nieuws’ te herinneren, iets dat je nog niet hebt afgekloven of van zijn sensaties ontdaan door het vaak te herhalen – is nu een rijkdom, en tegelijkertijd is het schrijnend geworden. Omdat al die gevoelens en herinneringen nu definitief tot een tijd behoren die je niet meer op een of andere manier zult meemaken, dat deel van jezelf is ook weg.
Ook al was de laatste tijd dan heel anders dan een stemming die ik me soms herinner, toen er vrolijke muziek van de Hot Club de France op de achtergrond klonk, toen de stem van mijn vader zei: ‘dat moet je zó doen’. Wat? Geen idee. Hij zei dat toen hij leefde.
Source: NRC