Er is waarschijnlijk geen boek dat zó verkeerd geïnterpreteerd is als Lolita van Vladimir Nabokov. Daardoor veranderde een 12-jarig misbruikslachtoffer in het collectieve bewustzijn in een minderjarig sekssymbool. Kan die blik nog worden veranderd? (Ja!)
is chef-kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.
Stel je voor, een musical over de begeerte van een oudere man voor een heel jong meisje, jaar of 12, een kind nog. Opgewekte zang en dans, en slimme, grappige liedjes in de sfeer van My Fair Lady.
Hij zingt, zoetgevooisd, op tedere slaapliedjestoon: ‘I buy you bubble gum, sandals and jeans/ Perfume, potato chips, movie magazines.’
Aanzwellende violen, smekende mannenstem: ‘Let me, let me, make you happy now...’
Toenemende wanhoop, want tja, ze wil niet: ‘Tell me, tell me... how?’
Die musical, naar Lolita van Vladimir Nabokov, bestaat, al kreeg hij nooit een officiële Broadway-première.
Het is 1971, en de musical Lolita, My Love wordt verkocht als een ‘dark musical comedy’. Er zijn uit deze musical talloze onvergetelijke liedteksten te citeren, waarin monter wordt gezongen over kindermisbruik (‘A child was she, a child in years, but who is not, till love appears?’), al werd de toneel-Lolita omwille van het fatsoen een paar jaar ouder gemaakt (15). Maar de liedteksten trekken zich van leeftijdsgrenzen niet veel aan: ‘Who is that viper/ That likes ’em post-diaper?’
Er zijn opnamen van, met een uitzinnig lachend publiek.
Lolita, u weet wel, achteruitkijkspiegel, rode hartjeszonnebril. Een bestseller werd een popcultureel archetype, werd een optische illusie.
Ziet u een misbruikslachtoffer of een sekssymbool? De leugens van een pedo of een liefdesverhaal?
Deze zomer herlas ik Nabokovs klassieker uit 1955, nieuwsgierig geworden door de voorstelling F*ck Lolita bij Het Zuidelijk Toneel. Schrijver Annet Bremen en regisseur Silke van Kamp formuleerden een eigentijds en onontkoombaar antwoord op het boek, dat zowel een ode is als een snoeiharde aanklacht. Een ode aan dat ene personage, dat zo vaak over het hoofd wordt gezien: de 12-jarige Dolores Haze, het kind dat door verteller (en verkrachter) Humbert Humbert (37) tot Lolita is gesmeed. En een aanklacht tegen het onbedoelde destillaat van het boek, het waanbeeld van het kokette en aanlokkelijke kindvrouwtje, van ‘een Lolita’.
Want nee, Nabokovs Lolita is géén liefdesverhaal. En het gaat ook zeker niet over een ‘vroegrijp’ meisje dat een oudere man verleidt. Het is het uitzinnige relaas van een volstrekt onbetrouwbare, krankzinnige pedoseksueel. Verteller Humbert Humbert liegt de hele boel bij elkaar, dat maakt Nabokov meermaals glashelder.
Als lezer moet je dat continu in je achterhoofd houden, want op vrijwel elke pagina probeert Humbert de feiten te verdraaien. ‘IJzige dames van de jury! (...) Ik ga u iets heel vreemds vertellen: zij verleidde mij.’
Maar een paar ongelukkige bewerkingen, plus decennia misleidende beeldvorming, hebben Humberts versie bekrachtigd. Dolores Haze (12) veranderde langzaam in Lolita (16?): kleine ouderemannenmanipulator, met arme Humbert als haar prooi. Geheel in lijn met zijn leugenachtige lezing wisselden dader en slachtoffer van plek.
Lolita werd een droombeeld, icoon, een breed gedeelde mannenfantasie, en een ijzersterk merk: de lolly en de hartjeszonnebril op het affiche van de film van Stanley Kubrick, uit 1962.
Lolita werd een product. Ze is verschillende friszoete parfums, een Portugese rode wijn, vol ‘sappig rood fruit’, een babyroze stalamp van designlabel Moooi, een trouwjurk van een Oekraïens bruidsmodemerk, met strapless bustier en blote buik. Lolita werd een lemma op Wikipedia: ‘Een lolita is een term voor een sensueel en vroegrijp jong meisje.’ (Zullen we hierna nooit meer het woord ‘vroegrijp’ gebruiken als adjectief bij een minderjarig kind?)
Hoe kon dat bizarre diapositief ontstaan? En waarom werd (en wordt) deze versie van Lolita al decennialang gretig gerecycled door een miljoenenpubliek?
In 2021 maakte schrijver en theatermaker Marloes IJpelaar met theatercollectief Club Lam háár versie van Lolita, met drie volwassen afsplitsingen van Dolores op toneel, die alle drie op latere leeftijd gebukt gaan onder het misbruik. Tientallen mails ontving IJpelaar in de aanloop naar de première, als ze zich publiekelijk uitsprak over het boek – allemaal van oudere mannen die je haast kon horen stampvoeten: ‘Deze vrouw had het boek niet begrepen! Het is wél een LIEFDESVERHAAL!!’
Ook mij stonden vage beelden en zinnen voor de geest, van een broeierige zomer, een knappe man, een meisje dat door hem wordt uitverkoren. Een rebelse, antiburgerlijke romance, een roadtrip, een sexy Amerikaans avontuur – en een begeerte zo groot dat alles ervoor moet wijken.
Zo verliefd is hij is dat hij elke syllabe van haar naam proeft op zijn tong: ‘Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta.’
Herhaal dat maar even hardop, hoe het sprankelt, en zingt, en swingt – stilistisch is Lolita een weergaloos, geniaal, onovertroffen boek.
Verteller Humbert heerst over de taal, en een romantische, taalgevoelige tiener zal algauw zwijmelen bij zijn eloquente loftuitingen, bij de vindingrijkheid waarmee hij zijn ‘nimfijn’ bezingt. Humbert is een welbespraakte Frans-Engelse professor van goede komaf, dus hij verhult zijn perverse verlangen met plechtige taal, maar de zorgvuldige lezer maakt snel genoeg kennis met ‘de scepter van [zijn] hartstocht’ en ‘de hete bel gif in zijn lendenen’. Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Ik moet destijds bij het lezen, puberhongerig op zoek naar ‘sexy scènes’, hele, alarmerende delen van het boek hebben overgeslagen.
Vrij vroeg in het boek houdt Humbert al een lofzang, vol deftige cultuurhistorische referenties, op seksuele relaties tussen volwassen mannen en kinderen (Dante en Petrarca deden het ook!).
Zelf plaatst Humbert de leeftijdsgrens van zijn ‘uitverkoren wezens’ tussen de 9 en 14 jaar. Daarnaast dient er, stelt hij, ‘een kloof te zijn van verscheidene jaren, nooit minder dan tien zou ik zeggen, meestal dertig à veertig, en in enkele bekende gevallen maar liefst negentig, tussen meisje en man’.
Algauw treffen we hem aan in een speeltuin, op een bankje (‘mijn genotspijnbank’), waar hij de knikkerende, hinkelende meisjes bespiedt, hongerend naar dunne enkels in rolschaatsen, smachtend naar een geschaafde kinderknie – zijn erectie verscholen onder een boek.
‘Ach, laat me toch alleen in mijn donzig park, in mijn bemoste tuin’, mijmert Humbert. ‘Laat hen eeuwig om me heen spelen. Nooit groot worden.’
Het maakt herlezen een pijnlijke exercitie: niet alleen door wat er allemaal écht staat, maar ook omdat ik het destijds niet zag. Nu kan ik niet kiezen welke passage ik het ergst vind. Ze volgen elkaar razendsnel op, de meesterlijk beschreven, misdadigste misbruikscènes.
Aanvankelijk stilt Humbert zijn lust bij zo jong mogelijke prostituees, onder wie Monique, die liegt dat ze 18 is en over wie hij opmerkt: ‘Haar heupen waren niet voller dan die van een hurkend jongetje.’ Een andere vrouw trekt hij tijdens de seks een ‘sober meisjesnachthemd’ aan, dat hij heeft gestolen uit een weeshuis.
Aan het einde van het tiende hoofdstuk ontmoet Humbert dan Dolores Haze, de dochter van hospita Charlotte, bij wie hij in Ramsdale, New Hampshire, een kamer huurt. Hij trouwt met Charlotte, om dichter bij Dolores in de buurt te kunnen zijn. En nadat Charlotte is overleden, leeft hij op het meisje – nu zijn stiefdochter – een jaar lang zijn wrede fantasieën uit, tot ze uiteindelijk weet te ontsnappen.
Vanaf hier zijn de pijnlijke scènes te talrijk om op te noemen, laat staan citeren. Hoe hij haar bespiedt, hoe hij haar lichaam beschrijft – het woord ‘dons’ valt vaak. Hoe hij haar verdooft met slaappillen om haar in een motel te kunnen verkrachten. Hoe hij maar héél zelden blijk geeft van iets van empathie, zelfinzicht en schuldgevoel.
‘Dit was een wees. Dit was een enig kind, volstrekt verlaten, met wie een logge, stinkende volwassene die ochtend driemaal afmattende gemeenschap had gehad.’
Meestal put hij zich uit in romantiserende eufemismen: ‘om kwart over zes waren we technisch geliefden’ (als hij haar voor het eerst heeft verkracht), ‘we hadden ruzies, kleinere en grotere’ (als zij geen seks wil, of probeert te ontsnappen), ‘we maakten het heel teder goed’ (vul zelf maar in) – alsof ze gelijkwaardige, volwassen liefdespartners zijn.
Maar de ergste passage is zonder twijfel die waarin Humbert Dolores op schoot vasthoudt en haar penetreert, terwijl ze al neuspeuterend een stripverhaal leest in de krant (‘daar zat ze dan, typisch een kind’). Haar volstrekt onschuldige kindzijn en zijn weerzinwekkende perversie in één ijzingwekkend en helaas onvergetelijk beeld gevat.
Op het omslag van mijn kopie uit 1989 – ik was toen 12 – staat een aanbeveling uit Vanity Fair: ‘The only convincing love story of our century.’
Het probleem van Lolita: het is zó goed geschreven dat je steeds opnieuw weer verleid wordt om Humbert Humbert te geloven. Nabokov heeft zijn werk te goed gedaan, de slechtheid van Humbert te subtiel geschilderd, zijn vermomming te voorbeeldig gemaakt.
En dan is er natuurlijk nog die onweerstaanbare taal, die maakt dat we geregeld toch van Humberts diabolische, misleidend charmante, bedrieglijke aard... tja, ik heb er geen beter woord voor, genieten.
Het is taal met een groot pr-team, constateert Claire Dederer, auteur van de belangrijke essaybundel Monsters (2023), droogjes over Humberts idioom. Hij is welbespraakt, geestig, intelligent, erudiet en op een leuke manier snobistisch. Hij heeft een messcherp observatievermogen, een feilloos kompas voor holle bourgeoisie, en hij ontmaskert meedogenloos ieders zwakte. Vooral over volwassen vrouwen is hij ongenadig hard, en tegelijk ook vaak oergeestig. Zo pint Nabokov de lezer vast op een wonderlijk punt waar het plezier om zijn stilistische brille de afschuw over de inhoud nog nét in toom houdt.
Wist u dat Nabokov een groot vlinderkenner en -verzamelaar was? Ik moet bij Lolita vaak denken aan van die vastgespijkerde vlinders: schoonheid en wreedheid in één oogopslag. Esthetische vervoering en morele verontwaardiging houden elkaar bij Lolita voortdurend in een adembenemende wurggreep.
Dat maakt het lezen van Lolita tot een bijna onmogelijke paradox: getuige ook de vele lezers die voor het één of het ander kiezen, ze verdedigen blindelings de schoonheid (‘Het. Is. Een. LIEFDESVERHAAL!’) of veroordelen het als verheerlijking van kindermisbruik. Maar het is juist de tegenstrijdigheid van vorm en inhoud, die ongemakkelijke botsing, die het boek zo meesterlijk maakt.
In de essaybundel Lolita in the Afterlife (2021) formuleert de Amerikaanse schrijver Mary Gaitskill het zo: ‘Het vanzelfsprekende naast elkaar bestaan van schoonheid en vernietiging is een van de grootste mysteries van het leven. En dat mysterie is de kern van Lolita.’
Maar te midden van al die schoonheid en dat fraaie taalvernuft vraagt het een behoorlijke krachtsinspanning van de lezer om de gruwel te blijven zien. Een te grote inspanning misschien.
Overschatte Nabokov zijn lezers? Valt dat hem te verwijten?
Het helpt niet dat de lezer wordt tegengewerkt door decennia van culturele overlevering, waarin de pijnlijke essentie van de roman steeds verder uit zicht is geraakt, als bij een doorfluisterspelletje bij het kampvuur.
Dat krachtenspel werd flink op weg geholpen door een paar bewerkingen – films, toneelstukken, opera’s, een ballet, zelfs dus een musical, waarvan de meeste de ‘verboden liefde’ van een pedoseksueel voor een kind steeds een beetje verder hebben witgewassen, de teneur gladstreken tot iets bíjna acceptabels, iets bíjna legaals – want een beetje verboden is natuurlijk wel lekker.
Berucht is de verfilming door Stanley Kubrick – mislukt, vond hij zelf ook. Het voert te ver om hier de complete pijnlijke ontstaansgeschiedenis na te vertellen, en ja, er zijn verzachtende omstandigheden. Zo had Kubrick te maken met een zeer strenge censuur, plus een notoir lastige scenarist: Nabokov zelf.
Maar zijn film vormt wel de blauwdruk waarop vele latere Lolita-versies verlekkerd variëren, en met die kennis achteraf maakte Kubrick toch een paar kwestieuze keuzes. Zo laat hij Humberts psychiatrische voorgeschiedenis – glashelder in het boek – volkomen achterwege. Hij maakt Lolita 15 in plaats van 12 (want dan is het wel oké?) en laat haar er in petticoat en bolgeföhnd dameskapsel nog iets ouder uitzien.
Is Humberts seksuele obsessie in het boek evident, in de film is die nagenoeg afwezig (want censuur). Zo lijkt zijn interesse in Lolita aanvankelijk een pure, zuivere, bijna kuise devotie.
En ja, ijzige dames van de jury, zíj verleidt hem.
Want de belangrijkste, invloedrijkste, gevaarlijkste keus die Kubrick maakte, en die door vele volgende bewerkers is nagedaan: hij laat achterwege dat we hier de visie, de fantasie, het verweer zelfs, van Humbert Humbert zien.
In haar essaybundel Pose beschrijft Basje Boer het probleem van het perspectief in Lolita, het boek, versus Lolita, de film: ‘Hoe verfilm je een verhaal dat zo nadrukkelijk wordt verteld?’ Veel meer dan literatuur imiteert film immers de werkelijkheid. Waar in het boek de verteller duidelijk aanwezig is, waar zijn perspectief nadrukkelijk een perspectief is, daar wordt dat in een film diffuus, schrijft Boer. ‘In de films zien we niet Dolores, maar Lolita. (...) We zien niet het misbruik, we zien de romantische obsessie. We zien niet het kind, we zien de verleidster. We worden gemanipuleerd, maar we denken dat dit de werkelijkheid is – want dat is wat film doet.’
En welke werkelijkheid krijgen we dan precies verteld? De tweede verfilming, uit 1997, door Adrian Lyne, laat méér van Humberts obsessie en gekte zien, maar presenteert Lolita – vaak in softfocus – ook nadrukkelijker als kinderlijk-verleidelijk lustobject, in vrouwelijke bikini, maar met vlechtjes en een beugel. Haar speelse plagen wordt in de film steevast voorgesteld als verleiding. Ook Lyne verfilmde niet Nabokovs boek, maar Humberts fantasie.
Lyne waagde zich ook aan die weerzinwekkende passage met het stripboek, de ergste scène uit het boek. Maar hij voert het witwassen nog een stapje verder: hij laat Lolita daar genieten van de seks, en zelfs klaarkomen.
Wat bij Nabokov het relaas is van een onbetrouwbare verteller, schrijft Basje Boer, wordt bij Lyne simpelweg gepresenteerd als de waarheid. ‘We kunnen niet anders dan onze ogen geloven.’ Want dat is wat film doet – of in elk geval: wat deze films doen.
En het theater dan? Die kunstvorm die anders dan film niet per se de werkelijkheid imiteert, die nadrukkelijk artificiëler is, die openlijk laat zien dat hij manipuleert, en die zo creatief kan spelen met vertelperspectief, vierde wand, suspension of disbelief? Is er een theaterbewerking denkbaar die de esthetische beleving benadert, en tegelijk ook het verhaal van het misbruik vertelt?
Nee, constateerde comedian en podcastmaker Jamie Loftus in haar tiendelige Lolita Podcast in 2020 nog. In de aflevering ‘Dolores Onstage’ staat ze met vrolijk Broadway-ramptoerisme stil bij de vele wanstaltige fiasco’s met Lolita op toneel. Zoals de monsterlijke musical Lolita, My Love, en in 1981 een wonderlijk geflopte poging van Edward Albee met Donald Sutherland, die wenste dat zijn personage Humbert Humbert ‘wat sympathieker werd gemaakt’.
Loftus concludeert: het is onmogelijk om een toneelbewerking te maken van Lolita. Of in elk geval was het op dat moment nog nooit goed gedaan.
Het probleem van al die bewerkingen is niet alleen het perspectief in de roman, of de verraderlijke taal die iets heel lelijks lijkt op te poetsen, maar ook, simpelweg, de verdeling van de tekst. Wie het woord krijgt, heeft de macht. En Nabokov geeft het woord aan Humbert.
Annet Bremen constateert in F*ck Lolita dat de roman Lolita 112.473 woorden telt. Daarvan spreekt Lolita er 2.121 uit. De meeste andere zijn voor Humbert. Dolores, op toneel, vertolkt door Keja Klaasje Kwestro: ‘Het was zijn woord zonder het mijne.’
Marloes IJpelaar becommentarieerde dit ook al brutaal in haar versie van Lolita, die begint met dat beroemde citaat uit het begin van het boek: ‘Ze was Lo, gewoon La, als ze met haar één meter vijftig ’s ochtends met één sok aan stond. Ze was Lola in een lange broek. Ze was Dolly op school. Ze was Dolores als ze ergens haar naam onder zette. Maar in mijn armen was ze altijd Lolita.’
Daarna verschijnen deze woorden provocatief en zelfbewust op een scherm:
‘ER ZIJN VERDER GEEN ANDERE TEKSTEN GEBRUIKT UIT LOLITA.’
Nabokov, of eigenlijk natuurlijk Humbert, had al lang genoeg het woord gehad.
In Monsters, over hoe om te gaan met omstreden kunstenaars of kunstwerken, memoreert Claire Dederer de eerste keer dat ze Lolita las, als 13-jarige. ‘Nou, ik was geschokt’, schrijft ze. Over het misbruik uiteraard – de scherpzinnige Dederer had daar als jonge tiener gelukkig niet haastig overheen gelezen. Maar vooral over de volstrekte afwezigheid van het titelpersonage in het boek.
‘Waarom had Lolita zoveel namen? Ze leek eigenlijk helemaal geen personage. Je kreeg nooit echte informatie over haar. Je kreeg nooit haar standpunt te horen. (...) Als het boek naar haar was genoemd, waarom kende ik dan, na een hele dag lezen, alleen hem? (...) Ik was verdrietig om Lolita’s afwezigheid in Lolita.’
De afwezigheid van Lolita in Lolita is ook het probleem van veel bewerkingen. Want hoewel daar opeens een actrice van vlees en bloed het titelpersonage vertolkt, blijft ze een witte vlek: het verleidelijke fantoom dat Humbert van haar maakte. Ze is als personage niet ingevuld, omdat ze door Humbert is uitgewist.
We weten niet wie ze is, of hoe ze zich voelt, omdat Humbert zich dat vrijwel nooit afvraagt. Heel soms verwijst Nabokov naar haar leed, als hij Humbert laat somberen over ‘haar gesnik in de nacht, elke nacht – zodra ik deed alsof ik sliep’.
Maar als ze het boek als volwassene herleest, concludeert Dederer dat Lolita’s afwezigheid in de roman juist Nabokovs punt is. De werkelijke plot, schrijft ze, is Humberts traag dagende besef dat Lolita een persoon was. Hij heeft de persoon die hij kapotmaakt over het hoofd gezien. ‘En wij ook.’
Lolita’s innerlijke leven wordt genegeerd door Humbert en lijkt genegeerd te worden door Nabokov. ‘Maar haar stemloosheid wordt een glinsterende, hartverscheurende afwezigheid in de kern van de roman.’ In Lolita’s afwezigheid in het boek horen we volgens Dederer ‘de onmeetbare stilte van de misbruikten’.
In die lezing is Lolita uiteindelijk niet alleen een portret van een monster, maar ook het portret van de vernietiging van een meisje. Figuurlijk, maar ook letterlijk, want Dolores Haze overleeft de roman niet: ze sterft op haar 17de bij de bevalling van een doodgeboren meisje.
Maar daar stonden Marloes IJpelaar, Ella Kamerbeek en Ayla Çekin Satijn als Dolly, Lola en Dolores, de drie volwassen afsplitsingen van Lolita. Gehavend door het misbruik, maar niet verwoest.
IJpelaar schreef een eigenwijze, bijzonder komische tekst waarin de drie zich met wat noodgedwongen cynisme of zelfverkozen naïviteit zo goed en zo kwaad als het kan staande houden, en, uiteindelijk, min of meer, kunnen genezen bij elkaar. Als Humbert zijn Lolita in drie stukjes uiteenbrak (‘Ze was Lo, Dolly, Dolores...’) worden de scherven hier gelijmd, worden ze samen weer één. En, opvallend: niet Lolita. Fuck Lolita.
En daar staat Keja Klaasje Kwestro, met onzichtbaar achter haar schrijver Annet Bremen en regisseur Silke van Kamp.
Daar staat ze, blakend van leven, met een hartslag, bloedsomloop, huid en haar. Met een wil en met een stem. Kwestro belichaamt hier – vrij letterlijk – de 12-jarige Dolores Haze. Gedurende de voorstelling trekt de actrice steeds nieuwe kledingstukken over elkaar aan, een hesje dat haar van longen voorziet, een rok die haar een baarmoeder geeft. Ze hult zich stevig in een dikke, huidroze, blauwgeaderde deken.
Hoe meer lagen van dit zelfgekozen lichaam ze aantrekt, hoe meer ze zich aan de blik onttrekt van Humbert (Joep van der Geest), die op toneel een vrijwel zwijgende bijrol vervult. Lolita heeft nu het podium, en de meeste tekst. ‘Ik kan woorden zeggen en ik besta.’
De taal die Bremen aan Kwestro geeft is aanvankelijk ironisch-nabokoviaans: even tast ze zijn beroemde taaluniversum af. Ze proeft zijn woorden op haar tong:
‘Ik moet deze lippen even smeren, deze tong klakken, deze klieren, spieren, woorden die van mijn tong rollen, rollen ja zoals knikkers van een knikkerbaan. Woorden die van m’n kin druipen die ik kruipend op mijn knieën weer bij elkaar moet vegen en in elkaar moet vlechten, tot frases, tot zinnen, tot een zinnig verhaal met een begin en een eind en een midden waarbij je aan mijn lippen hangt.’
En dan stopt ze. ‘Sorry.’
Want dit zijn tralies van taal, door Nabokov en Humbert gesmeed. Bremens Dolores buigt ze om en breekt ze af, tot er enkel beknopte, heldere, ongekunstelde woorden over zijn, geen taal om virtuoos mee te verhullen, maar taal om zichtbaar te maken, om simpelweg te zeggen hoe het zit: dat er een kind van 12 werd verkracht, en dat dat kind daarna werd vergeten, vervangen door een minderjarig sekssymbool. ‘Klinkt leuker als hij het opschrijft, hè?’, zegt Kwestro terloops.
Als Lolita het portret is van de vernietiging van een meisje, dan is F*ck Lolita het portret van haar wederopstanding. Dolores Haze wordt lichaam, wordt mens, krijgt het woord. En dat werd tijd.
F*ck Lolita van Het Zuidelijk Toneel is te zien van 6 september t/m 9 oktober. hzt.nl
Lolita van Club Lam wordt vertaald in het Engels en gaat in 2029 op internationale tournee naar onder meer Londen en New York. clublam.nl
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant