Het is ontgroeningsseizoen, en daarmee het seizoen van grensoverschrijdende incidenten. Die zijn inmiddels zo structureel dat het geen incidenten meer zijn. Waarom blijft het misgaan?
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
‘Binnen stonden ze mij op te wachten, de loeders.’
Het is de eerste dag van de groentijd, 1937, en Erik Hazelhoff Roelfzema en zijn medefeuten worden door de ouderejaars door de gangen van de Leidse sociëteit van Minerva gejaagd. Ze grijpen hem bij de keel, zijn mouwen en knopen worden van zijn shirt gerukt, zijn kop is al kaalgeschoren.
Binnen de kortste keren ligt hij tussen het gebroken glaswerk op de vloer van een donkere zaal. ‘Rood-pluchen gordijnen hielden de grijze dag buiten.’
Hij ziet andere kale koppen in de zwetende, schreeuwende mensenmassa ‘verloren ronddobberen als boeitjes in een stormachtige zee’.
Het corps was belangrijk, schrijft Hazelhoff in zijn memoir – wie kent ’m niet – Soldaat van Oranje. Het was een hiërarchie, een systeem van ordening. Er leefde de overtuiging dat, zo niet ‘in de ogen van God dan toch wel van iedere weldenkende Europeaan en Nederlander, alle mensen ongelijkwaardig geschapen waren. Ieder zijn plaats weten en verder je smoel houden.’
De vader van essayist Ian Buruma ging in 1941 bij het corps, in Utrecht. Zijn jaargang werd niet kaalgeschoren, want de corpora waren verboden door de Duitsers en een kaalgeschoren kop zou hen als lid verraden.
Verder bleven de ontgroeningsrituelen overeind; niet mogen slapen, eindeloos kikkeren en een variëteit van sadistische spelletjes waarbij de nuldejaars als slaafjes werden behandeld.
Wat Buruma niet begrijpt, schrijft hij in zijn boek Year Zero, was dat zijn vader het later nog een keer onderging. Het was 1945, de oorlog was voorbij. Buruma’s vader was, net als vele andere studenten, opgepakt en had dwangarbeid moeten verrichten. Maar toen het corps weer openging, besloten de ouderejaars dat de lichting van Buruma’s vader niet behoorlijk was ontgroend. En dus moesten deze jongens, die inmiddels begin twintig waren en net een wereldoorlog hadden overleefd, er nog een keer aan geloven.
Het was normaal, zei Buruma’s vader tegen hem. Niemand deed er moeilijk over. Dit was nu eenmaal hoe de dingen gingen.
Op Minerva probeert Hazelhoff zich schuil te houden in het ontgroeningsgeweld, maar dan komt het collegium binnen. De preses, ‘student naast God’, liep voorop. ‘Z’n knappe, donkere voorkomen, de wijd geplaatste bruine ogen en het dunne snorretje droegen bij aan zijn aura van hardheid.’ Hij heet Ernst de Jonge.
Iedereen weet wat er daarna gebeurt, want dit is de openingsscène uit de bekendste Nederlandse speelfilm ooit gemaakt, Paul Verhoevens onweerstaanbare Soldaat van Oranje uit 1977. Hazelhoff moet een liedje zingen.
‘Vals!’, roept De Jonge en gooit soep over hem heen.
Hij zingt verder. ‘Vals!’ roept De Jonge en slaat een soepterrine op zijn hoofd.
Ernst de Jonge heet in de film Guus LeJeune en wordt gespeeld door Jeroen Krabbé. Krabbé is inderdaad knap, donker en ondraaglijk deftig, als een kartuizerkat in avondkostuum. Zijn ‘Vals!’ klinkt als een miauw.
De vraag is: waarom wil je als 18-jarige, met je middelbareschooldiploma net op zak, bij het corps?
Een mogelijk antwoord is: waarom niet? Het is, in een nieuwe studentenstad, een evidente manier om nieuwe mensen te ontmoeten, vrienden te maken, en allicht zelfs, de heilige graal, een kamer te vinden. Het is leuk om bij een club te horen.
Een ander antwoord is: omdat je ouders bij het corps zaten. Omdat je van traditie houdt. Van een wereld vol mores. Omdat je wilt intekenen op de glamour van Soldaat van Oranje, omdat je het leuk vindt jaarlijks een gala te hebben. Omdat er duidelijke rollen voor mannen en vrouwen zijn, omdat het een uitgetekend wereldbeeld en een navenante hiërarchie presenteert.
Of omdat je denkt dat het corps een toegang is tot een exclusievere wereld. Omdat corpsleden ministers horen te worden, advocaten, chirurgen. Omdat corpshuizen aan voorname straten en grachten staan, omdat er de zweem van elite hangt.
Stel je onze samenleving eens voor als een groot, eeuwenoud herenhuis, schrijft Barend Last in zijn pas verschenen De kunst van het ontgroenen. Last schrijft dat sommige ruimtes voor iedereen open en toegankelijk zijn, ‘waar de geschreven en ongeschreven regels gelden die we collectief onderschrijven’.
Maar er zijn ook ‘geheime kamertjes, verborgen achter boekenkasten of dikke deuren’. Gesloten kamers waarin andere regels gelden. Kamers die, volgens Last, een functie vervullen die we elders nauwelijks nog vinden: ‘In een samenleving die steeds uniformer en transparanter wordt, hebben we ook ruimtes nodig waar experimenten met identiteit en gemeenschapsvorming mogelijk blijven.’
Om ‘levenslange toegang tot die exclusieve gemeenschap’ te krijgen, dient er een rite de passage plaats te vinden, schrijft Last. De ontgroening dus.
Ontgroenen bestaat meestal uit ongemakkelijke, pijnlijke of vernederende opdrachten. Maar wanneer die een duidelijk doel dienen – zoals het toetreden tot zo’n gesloten kamer – kan men ze als rechtvaardig ervaren. Psychologische herkadering, noemt Last dat. Hij wijst erop dat er bij het ontgroenen tal van stresshormonen vrijkomen, waaronder oxytocine, een hormoon dat sociale binding tussen de gestreste deelnemers versterkt.
Het spreekt voor zich dat ‘de kunst van het ontgroenen’ een verloren kunst is, zoals een vlinderdas strikken of een telefoonnummer uit je hoofd weten, anders had Last zijn boek niet hoeven schrijven.
Het is een sympathiek, diepgravend boek, waarin Last – 1986, zowel groentje als ontgroener bij Unitas, in Utrecht – onderzoekt wanneer ontgroeningen werken, waarom ze werken, waarom ze ontsporen en hoe het beter kan. Zijn boek heeft, jawel, een motto uit Soldaat van Oranje.
Dat ontsporen is van alle tijden, zie bijvoorbeeld het befaamde Dachau-incident in 1962. De foto is beroemd: honderdvijftig kaalgeschoren feuten met ontbloot bovenlijf op de benauwde zolder van een huis van het Amsterdamsch Studenten Corps. Als je goed kijkt, zie je dat iemand een varkentje vasthoudt. ‘Nu gaan we Dachautje spelen!’, riep een ouderejaars. ‘Alle Joden naar voren!’
Een student protesteerde. Zijn vader was in Dachau vermoord. Hij kreeg te verstaan dat hij zijn mond moest houden.
Vele jaren later bood een van de daders zijn excuses aan, ‘Ik ben helemaal niet zo.’ Last kan het zich voorstellen: tijdens een ontgroening speel je mee in een sociaal spel, waardoor je dingen doet die je anders nooit zou doen. Hij noemt dit ‘situationele ethiek’, of een ‘morele vakantie’.
Het punt is natuurlijk dat je niet van vakantie kan spreken als je nooit naar je werk gaat.
Disclaimer: er zijn verschillende corpora in Nederland, met verschillende regels en gedragingen. Er zijn disputen die vrijwilligerswerk doen, bejaarden helpen oversteken. Niet alles over één kam, et cetera. Maar door de bank genomen zijn de ontgroeningsincidenten te structureel om nog incidenten te zijn.
Elk jaar is het raak. Dit jaar zelfs voordat het ontgroeningsseizoen überhaupt was begonnen: vorige maand werd bekend dat het Amsterdamse dispuut Thalia geen nieuwe leden mag aannemen omdat ‘hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd’.
En niet alleen hun fysieke veiligheid. Ook het maken en online verspreiden van ‘bangalijsten’ behoort inmiddels tot het vaste repertoire. Oud-politica en advocaat Ina Brouwer geeft in haar net verschenen Klik, deel, verneder, verwoest een overzicht van hoe misdragingen uitlekken naar buiten, hoe moeilijk het is daders te vervolgen en hoe traumatiserend dit soort geintjes-die-geen-geintjes-zijn uitpakken voor de vrouwelijke slachtoffers.
Brouwers lijst laat zien dat ze bij bijna elk corps voorkomen. 2016: de eerste bangalijst van Vindicat lekt uit. 2023: een video van het Utrechtsch Studenten Corps lekt uit waarbij de leden, en echt, ik zou het niet eens willen opschrijven, doen aan ‘anaal ringwerpen bij een prostituee’. 2024: de ‘Grietenpresentatie’ van het Utrechtsch Studenten Corps.
Ook in andere steden waren er ontsporingen, schrijft Brouwer, maar daar waren de leden ‘voorzichtiger met hun sociale media’.
Dat structurele karakter heeft, zou je denken, met doelen en middelen te maken.
Dat zit zo: als je kijkt naar de genoemde redenen om als 18-jarige lid te willen worden van het corps – en dan zie ik er vast enkele over het hoofd – dan valt je op dat ze vrijwel allemaal teruggrijpen op het verleden. Traditie. Mores. Ouders. Een afgebakend wereldbeeld, een hiërarchie die je amper nog elders aantreft.
Alleen vanuit het verleden kan het corps er aanspraak op maken een verzamelplek voor de elite te zijn. Vroeger was het exclusief voor universiteitsstudenten. Nota bene in Soldaat van Oranje komt LeJeune/Krabbé bij Hazelhoff langs, die net met een verband-tulband om zijn hoofd tegen andere studenten zit op te scheppen over de soepterrine. Zo, zegt LeJeune minzaam. ‘Sterke praatjes ophangen, tegen hbs’ertjes?’
De hbs’ertjes weten niet hoe snel ze moeten wegwezen. Maar inmiddels mogen hbo’ers wel lid worden. Nu kunnen hbo’ers ook op topposities terechtkomen – maar het is geenszins vanzelfsprekend dat het corps nog de bakermat van het old boys network is.
Bovendien: echt heel rijke Nederlanders kijken allang niet meer niet naar Leiden of Groningen of Amsterdam. Zij zien hun kinderen liever aan Yale of St Andrews studeren.
(Het is ook het verleden dat steeds te hulp schiet wanneer nieuwe grensoverschrijdingen de media halen. Het zijn de oud-leden die in de pen klimmen en opiniestukken plaatsen, in de categorie ‘in mijn tijd deden we dit niet’. Waardoor de goeie ouwe ‘mijn tijd’ als norm wordt opgevoerd.)
De claim to fame van het corps is dus het verleden. En het corps, denk je, weet dit. Het weet dat het zijn voorname positie verliest of verloren heeft, het voelt de afkeurende blik van de maatschappij, het weet dat het niet meer soeverein in de universiteitsstad staat, dat het niet de springplank naar het old boys network is.
Omdat het verleden het enige is dat nog overeind staat, wordt het verleden tot wapen gemaakt. Wordt de hiërarchie tussen lid en niet-lid, tussen man en vrouw, steeds stoerder, steeds feller, steeds giftiger beleden.
Vanuit deze optiek, kun je denken, zouden de fanatiekste corpsleden juist willen dat de ontgroeningen ontsporen, want juist zo kunnen ze zich afzetten tegen de moderne tijd. Zo kunnen ze zichzelf nog meer een eiland maken. De ontsporingen zijn een doel. Zo ontstaat het echte groepsgevoel; niet bij de feuten die worden ontgroend, maar bij de ouderejaars die ontgroenen. Kijk, zien ze, jij bent nu net zo’n eikel als ik. Jij hebt net zo schaamteloos weinig respect voor vrouwen. Op ons morele dieptepunt zijn we allemaal gelijk. Met jou kan ik zakendoen.
De ironie is dat juist deze dynamiek zo ontzettend hedendaags is. Het is dezelfde dynamiek waarin je al talloze rechtse politici, tv-figuren of mannen-influencers hebt zien vervallen.
De mores zijn niet meer, zoals Buruma’s vader ooit stelde, zoals de dingen nu eenmaal gingen. Het corps is geen onverstoorbare conservatief meer. Het is een boze reactionair geworden.
De studenten die op het lustrum van het Amsterdamsch Studenten Corps vorig jaar speechten dat vrouwen ‘sperma-emmers’ waren en dat ‘de mannen de nekken van vrouwen zullen breken om hun lul erin te steken’ zijn niet ouderwets. Ze zijn kinderen van deze tijd.
Ina Brouwer: Klik, deel, verneder, verwoest – Over bangalijsten en vrouwenhaat, over privacy en wetgeving. De Geus; 255 pagina’s; € 21,99.
Barend Last: De kunst van het ontgroenen – Ontgroeningen – Van studenten en militairen tot sportclubs en bedrijfsleven. Nieuw Amsterdam; 255 pagina’s; € 19,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant