Home

Madame Rivoire was de regisseur van haar eigen leven

In 2021 schreef ik al eens over haar: Madame Rivoire, een van de bijzonderste mensen die ik heb ontmoet. Ze was 81 toen ik die zomer een kamer huurde in haar paleisje in Marseille. Ze had roze haar, rookte Marlboro Light en bleek de moeder van de overleden Franse tv-presentator Jean-Luc Delarue. Bij ons afscheid gaf ik haar een exemplaar van een boek uit 1929 dat toen net voor het eerst was uitgegeven en dat die zomer in stapels in alle Marseillaise boekwinkels lag: Romance in Marseille, van de Jamaicaanse schrijver Claude McKay, over zwarte strandjutters die als matrozen of verstekelingen waren aangespoeld en hun dagen doorbrachten met dansen, luieren en ongein trappen. Het werd haar favoriete boek, en het mijne; het beschreef wat wij drie weken lang hadden beleefd.

Dat boek was de reden dat ik een jaar na onze eerste ontmoeting op een zeilschip bij de Dominicaanse Republiek stapte, om – in de voetsporen van McKay – door de Cariben te varen. Aan het einde van die zomer van 2022 keerde ik terug naar Marseille en huurde weer een kamer bij Madame Rivoire. Twee weken lang sliep ik nauwelijks en schreef – op de bank in de huiskamer, op het balkon, op mijn bed – over wat ik in de Cariben had uitgevonden over de toverformules van McKay, terwijl Madame Rivoire mij koekjes en koffie bracht. Dat werd mijn Boekenweekessay Boto Banja.

Een jaar later, in de zomer van 2023, zagen we elkaar weer. Madame Rivoire had een been gebroken en een tijd in het ziekenhuis gelegen, waar ze met behulp van Google Translate mijn Boekenweekessay naar het Frans had vertaald. In twee middagen gingen we samen door haar vertaling. Alsof we samen vlogen, zo herinner ik me die uren: boven de straat, boven de stad, boven de oceaan. Mijn woorden kwamen tot leven terwijl zij ze las, met een stem die klonk alsof ze haar eigen strijd vertolkte.

„Bonne nuit, mijn lieve schrijver”, zei ze die laatste avond.

„Je vous adore, Madame Rivoire”, zei ik.

Zes dagen later hoorde ik dat ze was overleden. Ze had er zelf een einde aan gemaakt, op de sterfdag van haar zoon. Ik wist dat ons avontuur niet eeuwig zou duren, maar dacht toch dat we nog duizend zomers zouden hebben. Ik huilde een week. Daarna deed ik het mooiste wat ik kon bedenken: ik stuurde haar vertaling naar de Franse uitgever van het boek dat ons drie zomers lang met elkaar verbonden had.

En zo belandde ik in de zomer van 2025 aan een tafeltje aan een woest klotsende zee, op een vakantiekamp op Corsica. De uitgever van Romance in Marseille bleek een jongeman, Renaud, die in de zomer elke avond kookt voor honderd kinderen uit arme gezinnen. Gisteren – terwijl de ondergaande zon de hemel en het water vuurrood kleurde – keken we naar de cover van de Franse versie van Boto Banja en lazen nog een laatste keer mijn voorwoord over Madame Rivoire.

„Ze was de regisseur van haar eigen leven”, zei Renaud, „tot aan het eind.”

En zelfs daarna, begrepen we. Want dit – wij, hier, twee nieuwe vrienden, samen aan die vuurrode zee, twee zomers nadat zij ons verliet – was precies zoals zij het had bedacht. Ze is er niet meer, maar we leven nog steeds in haar verhaal.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next